Een nieuwe schepping

(Verschenen als artikel in Gereformeerd Kerkblad d.d. 1 mei 2020)

Op de Paasdag is Jezus opgewekt en stond hij op uit graf. De impact van dit gebeuren voor ons leven en voor de wereld is immens. Paulus raakt er niet over uitgeschreven. Het biedt hoop, want wij ontvangen door Jezus de shalom van God, zijn genade en liefde, vrijspraak en eeuwig leven.

In de brief aan de Galaten formuleert Paulus de betekenis van Pasen heel sterk: ‘Met Christus ben ik gekruisigd; ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij’ (2:19-20). Dat is de werkelijkheid waarin wij als gelovigen leven. Wij zijn een nieuwe schepping (6:15). Hoe moeten we ons dat voorstellen?

Het beeld dat Paulus in Galaten gebruikt om de grote wending in zijn leven te omschrijven, zal hij later in hoofdstuk 6 en 7 van de Romeinenbrief verder uitwerken. Daar schrijft hij dat ons oude bestaan met Christus gekruisigd is, zodat er een einde zou komen aan ons zondige leven. Met als keerzijde dat wij ook delen in Christus’ opstanding.

De zonde is zijn macht over ons kwijtgeraakt en wij staan nu onder de heerschappij van de Geest. Daarom mogen wij onszelf zien als dood voor de zonde en levend voor God. ‘Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.


Een andere mensvisie

Wat het voor ons lastig maakt om Paulus te begrijpen, is dat hij uitgaat van voorstellingen over hoe wij als mensen in elkaar zitten die ons niet vertrouwd zijn.

Wij gaan uit van een begrip van de mens als een onafhankelijk individu, die bij alle veranderingen die hij doormaakt toch gekenmerkt wordt door een zelfstandige identiteit.

In de mediterrane wereld van de 1e eeuw wordt de mens niet zo zeer bepaald door de eigen individualiteit, maar door de sociale verbanden waarbinnen hij functioneert. Men richt zich voor de ontwikkeling als individu op wat de groep zegt, doet, denkt, verwacht en eist.

Een nog groter verschil met vandaag is, dat men naast de sociale verbanden van familie, clan, rang en volk, ook rekening houdt met bovenmenselijke of bovennatuurlijke kosmische machten en krachten.

De mens is in zijn lichaam als microkosmos verbonden met de macrokosmos. Zo heeft het bestaan van de mens niet zozeer een duidelijk begrensde eigenheid, maar is het een poreus knooppunt waar de externe sociale en geestelijke wereld volop deel van uitmaakt en zijn invloed op uitoefent.


De nieuwe werkelijkheid

Met deze mensvisie als achtergrond moeten wij Paulus’ spreken over de zonde als externe kracht begrijpen, die de mens in zijn macht heeft en zo de mens aanzet en verleidt tot het doen van zonde. Maar ook dat hij zinswendingen kan gebruiken als ‘met Christus gekruisigd’ en ‘in Christus zijn’, ‘met Christus omkleed zijn’, dat ‘Christus in mij leeft’, dat wij ‘geleid worden door de Geest’ en dat wij ‘leden van Christus lichaam’ zijn.

Wat wij gemakkelijk kunnen zien als beeldspraak die we niet letterlijk hoeven op te vatten, is voor Paulus de omschrijving van de werkelijkheid zoals hij die ervaart. Wanneer wij ons van deze beelden een voorstelling willen maken, moeten wij ervan uitgaan dat zijn beeldspraak de werkelijkheid wil duiden.

Leven in Christus’ betekent dat wij leven in een door de Geest gerealiseerde nieuwe werkelijkheid, waarin wij vergeving van zonde ontvangen hebben en in een nieuwe verhouding tot God gesteld zijn. We hebben door Christus het kindschap van God ontvangen.

Tegelijk is er nog de werkelijkheid van de zonde, die door Paulus in de Galatenbrief in het Grieks als die van het ‘vlees’ (5:13) wordt aangeduid, waar ‘de macht van de zonde’ achter schuilt (3:22). Als gelovige moet je er voor waken om je opnieuw met deze macht in te laten.


Dynamisch

Belangrijk is om alle nadruk te laten vallen op het ‘leven in Christus’ als werkwoord en dat ‘leven’ verder in te vullen. Want die nieuwe werkelijkheid heeft een dynamisch karakter en omvat meer dan dat de gelovige de status van ‘gerechtvaardigd’ heeft.

Het is actief leven binnen de reikwijdte van God en in de sfeer van alles wat bij Christus’ heerschappij hoort en bij Hem vandaan komt. Het is leven in relatie met God, met Christus, met de Geest en met ieder die bij Christus hoort. Een nieuwe schepping zijn is het samen met broers en zussen delen in de dood en de opstanding van Christus en je zo samen door Hem laten transformeren.

Een nieuwe schepping zijn is je door Hem laten beïnvloeden en motiveren om het goede te doen, ook al betekent dat soms afzien en elkaars lasten dragen. Het is zijn Geest en de goddelijke krachten ontvangen om dat goede ook handen en voeten geven (3:5).

Kortom, binnen de structuren van onze aardse werkelijkheid, naar het voorbeeld van Christus, Gods liefde als de vrucht van de Geest zichtbaar maken.


Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.