Paulus en de scheppingsorde

     –  Verhouding m/v in Gen. 1 en 2

Het afgelopen half jaar heb ik een serie van 6 blogs geschreven over verschuivingen in de 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten in de GKV.

Een van mijn conclusies was dat er in de 90-er jaren van de 20e eeuw een consensus ontstaan is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw.

Op basis van de besluitvorming van de GKV Synode Ommen 1993 over het toekennen van het actief kiesrecht aan vrouwen in onze kerken formuleerde ik deze consensus zo:[i]

‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.’

 

      – Beroep op Paulus bij Rufus Pos

Nu we 25 jaar verder zijn, doet zich het interessante verschijnsel voor dat deze consensus aangevochten wordt door degenen die zich niet kunnen verenigen met het besluit van de GKV Synode Meppel 2017 om nu ook de ambten in de kerk voor vrouwen open te stellen.

Rufus Pos voert in een serie brieven geplaatst op de website van de over dit besluit verontruste GKV-ers  www.bezinningmvea.nl een pleidooi voor een interpretatie van Genesis 1-3, waaruit zou blijken dat er al bij de schepping sprake was van een relatie tussen Adam en Eva van ‘gezag en onderworpenheid’.

Exegetisch gezien is de in de jaren ’90 ontstane consensus gebaseerd op de overweging dat een absoluut opgevatte uitleg van de zgn. zwijgteksten niet – zoals men dat eeuwenlang gewoon was – als interpretatiekader voor de exegese van Genesis 1-3 gebruikt mag worden. Wil men aan deze hoofdstukken recht doen, dan moeten ze allereerst in hun eigenheid uitgelegd dienen te worden.

Gezien wat Pos wil betogen is het niet verwonderlijk, dat hij ter ondersteuning van zijn exegese weer een beroep wil doen op die oude manier van het inlezen van de onderdanigheid van man en vrouw in het scheppingsverhaal. Toch zou hij het gesprek over m/v verder helpen, wanneer hij niet alleen die verouderde exegeses van stal haalt, maar ook zou toelichten hoe hij die ten opzichte van de thans gangbare exegeses verantwoordt. Anders blijft het gewoon een ‘welles-nietes’ debat.

 

     – ‘Hoofd’ in Efeziers 5 : 22 – 33

Veel van de argumenten voor de door Pos voorgestane exegeses van de teksten van Paulus hebben het niveau van: ‘het staat er toch!’, en dan denk ik: ‘hoezo staat dat daar?’

Typerend voorbeeld is zijn exegese van Ef. 5:22-33. Wie de commentaren er op na slaat weet, dat één van de belangrijkste exegetische vragen is: wat betekent het begrip ‘hoofd’ hier?

Wat die vraag betreft schrijft Pos: “De man is het hoofd van zijn vrouw. Daar hoor je iets in van verantwoordelijkheid. En als je nu wil weten wat dat precies inhoudt dan moet je letten op de vergelijking die Paulus maakt. De man is het hoofd van zijn vrouw zoals Christus het Hoofd is van zijn gemeente. Zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen.”

Vervolgens verwijst hij kort naar de uitleg van deze tekst in synoderapporten en -besluiten terzake van het vrouwenkiesrecht en het huwelijksformulier, waarin het ‘hoofd-zijn’ omschreven wordt als ‘dienend gezag of liefdevolle leiding’. Op zichzelf kan hij daarmee instemmen. Het ook wel in dit verband gehanteerde beeld van een ‘koppositie’ -hebben vindt hij maar niets, omdat dat te vrijblijvend is en daarin elke normatieve betekenis ontbreekt. Waaraan hij toevoegt: ‘Paulus roept de vrouw op het gezag van haar man te erkennen, omdat de man het hoofd is van zijn vrouw. Kan het duidelijker!?

In zijn hele betoog stelt Pos zich niet de vraag, wat het begrip ‘hoofd’ betekent. Hij gaat er gewoon vanuit dat het ‘hoofd-zijn’ van de man betekent dat de man gezag over de vrouw heeft, maar hij doet geen enkele poging om dat te beargumenteren.[ii]

 

     –  De term ‘gezag’ bij Paulus

Bijzonder in dit verband vind ik de suggestie die Pos op een gegeven moment doet: ‘Waarom niet de termen gebruiken die we in de Bijbel tegenkomen? Het gaat immers gewoon over gezag!’

Als hij zijn eigen advies opgevolgd zou hebben, zou hij ontdekt hebben dat je er niet vanzelfsprekend vanuit kunt gaan, dat overal waar in de nederlandse vertaling ‘gezag’ staat, griekse woorden of termen gebruikt worden die staan voor ‘zeggenschap hebben over een persoon in een onderdanige positie.’

Zo is de enige keer waarin het meest gebruikelijke griekse woord voor gezag (exousia) in het Nieuwe Testament in relatie tot de verhouding man/vrouw gebruikt wordt 1 Kor. 7:4: ‘Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over zijn lichaam, maar zijn vrouw.’ Ik ben wel benieuwd hoe Pos deze tekst verbindt met zijn visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig moet zijn.

Ook als Pos de zgn. zwijgteksten aanhaalt, gaat hij niet na welke termen of omschrijvingen Paulus precies voor ‘gezag’ gebruikt en hoe die bij hem functioneren. Het enige dat hij doet is ze te citeren:

  • 1 Korinte 11 spreekt Paulus over het ‘hoofd-zijn’ van de man en verwijst dan naar de volgorde waarin man en vrouw geschapen zijn.”
  • Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt (submissive) blijven” (1 Kor. 14)
  • Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen etc.” (1 Tim. 2:12vv).

Het belangrijkste voor Pos is niet de exegese van deze teksten, – die is voor hem kennelijk evident – , maar de conclusie die hij daaraan wil verbinden: “[Paulus] grijpt onbekommerd en uit volle overtuiging telkens terug naar de eerste hoofdstukken van Genesis.

Als we dan de griekse woorden nagaan die in de NBV in relatie met de verhouding m/v met ‘gezag’ vertaald worden, zijn dat de werkwoorden ‘authentein’ en hupotassein’.

Over ‘authentein’ kan ik kort zijn. Dat is een woord dat alleen in 1 Tim. 2:12 voorkomt. Het heeft niet de normale betekenis van ‘gezag hebben’, maar de klankkleur van ‘domineren, willen overheersen, de macht grijpen’. Dat is wat Paulus de vrouwen verbiedt. Maar met dit verbod is niet gezegd dat vrouwen niet met gezag zouden mogen spreken.

Hupotassein’ betekent 1. aktief: ‘iemand onderwerpen’, 2. passief: ‘onderworpen worden’ en 3. mediaal: ‘zich onderwerpen aan’ / ‘zich schikken naar’ / ‘zich voegen onder’. Vanuit de context zal duidelijk moeten worden op grond waarvan én de wijze waarop men zich dient te ‘onderschikken’. Je kunt er niet automatisch vanuit gaan, dat overal waar Paulus deze term gebruikt hij naar een veronderstelde scheppingsorde verwijst als reden waarom de vrouw zich dient te ‘onderwerpen’.

 

     –  Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal

Aan de vraag hoe de elementen die Paulus aan het scheppingsverhaal ontleent, binnen de context van Paulus’ betoog verstaan dienen te worden, besteedt Pos geen aandacht. Hij denkt kennelijk te weten, dat het over gezag en onderdanigheid gaat, en op basis daarvan voelt hij zich gerechtigd om die veronderstelde ‘gezag- en onderdanigheidsrelatie’ in het verhaal in Genesis 1-3 in te lezen.

Als ik echter lees op welk moment Paulus in Efeziërs 5 een beroep doet op het scheppingsverhaal, dan is dat in het gedeelte dat aan de man gericht is om de mannen er op te wijzen, dat zij hun vrouw moeten liefhebben als hun eigen lichaam. Paulus haalt juist die nauwe eenheid en verbondenheid van man en vrouw uit het scheppingsverhaal naar voren met zijn beroep op Gen. 2:24: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die zullen tot één lichaam zijn’. En Paulus zijn conclusie is dan: ‘Daarom geldt voor elk van u [= mannen] dat ieder zijn vrouw moet liefhebben als zichzelf, en dat een vrouw ontzag moet hebben voor haar man’.

Paulus beargumenteert dus met dit beroep op de schepping helemaal niet de onderdanigheid van de vrouw aan de man, maar hij fundeert daarmee de totale eenheid en liefdevolle verbondenheid van man en vrouw aan elkaar. Als Paulus hier het Griekse woord gebruikt dat in de NBV vertaald wordt met ‘ontzag’ (phobos), dan heeft dat de betekenis van ‘respect’ en ‘eren’ in zich en totaal niet de connotatie van ‘onderdanigheid’, zoals Pos het daar iedere keer over heeft. Paulus neemt hier het woord op, dat hij ook in 5:21 gebruikt: ‘Aanvaard elkaars gezag uit eerbied [phobos] voor Christus’, (NBV).

 

     –  ‘Onderdanig’-zijn bij Paulus

Om op dit punt het verhaal rond te maken nog een enkele opmerking over de manier waarop Paulus het werkwoord ‘hupotassein’ fundeert en gebruikt. Want Paulus heeft het natuurlijk wel over het ‘onderdanig’ zijn van de vrouw aan de man. Het punt is echter dat hij die onderdanigheid niet fundeert op de scheppingsorde, zoals Pos dat veronderstelt.

Ook al kun je je niet beroepen op de scheppingsorde zoals Pos doet, daarmee is niet ontkend, dat er in het christelijke leven en in de kerk – en ook op een vernieuwde aarde – wel van gezag sprake is. Ook is daarmee niet gesteld, dat ‘dat ‘gezag’ en ‘autoriteit’ niet uitsluitend bestaan vanwege de zonde’, zoals Pos uitentreure over visies beweert, waar hij het niet mee eens is. De vraag is wel, waar dat gezag op gebaseerd is, aan wie het verleend wordt en hoe dat ‘gezag oefenen’ dan functioneert. Wat dit betreft vind ik dat Pos tegen windmolens ten strijde trekt en karikaturen bestrijdt, die hij eerst zelf opgeroepen heeft.[iii]

Als het om het functioneren van het werkwoord ‘hupotassein’ bij Paulus gaat zijn er twee parameters te herkennen, die de betekenis bij hem bepalen.

Allereerst is er de context van een samenleving die gebouwd is op een honor/shame-cultuur en een patronagesysteem van ‘patron’ en ‘client’, waarbij de client zich schikt naar de ‘patron’ en die eer betoont, terwijl de ‘patron’ als ‘benefactor’ (weldoener) gunsten en zorg aan de ‘client’ besteedt.

Als tweede wordt dit werkwoord echter inhoudelijk bepaald en ingevuld door het voorbeeld van Christus, zoals Paulus dat in Ef. 5:1-2 aan de kerk in Efeze ten voorbeeld stelt: ‘Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God’. Vandaar dat Paulus de zgn. huistafels over de relatie tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, en tussen heren en slaven, ook begint met de algemene aansporing: ‘Onderwerp u aan elkaar uit eerbied voor Christus’, (GNB 1996 Ef. 5:21).

Pos meent deze uitleg te kunnen bestrijden met het argument, dat:

‘als je het woord ‘elkaar’ in deze tekst [Ef. 5:21] op bovenstaande manier uitlegt, loopt het begrip ‘gezag’ helemaal leeg. Wat blijft er van ‘gezag’ over als ik jouw gezag moet aanvaarden en jij mijn gezag? Deze tekst kan m.i. daarom echt niet anders betekenen dan dat je, hoewel allemaal kind van God en dus voor Hem gelijk, toch het door God aan sommigen gegeven gezag zult moeten aanvaarden. Gelijkwaardigheid ontslaat je niet van de plicht om legitiem gezag te erkennen.’

Eerlijk gezegd begrijp ik niet, wat Pos bedoelt met het ‘leeglopen’ van het begrip ‘gezag’. ‘Hupotassein’ gaat niet over het begrip gezag of over het schikken naar een scheppingsorde. Dat is m.i. pure inlegkunde van Pos vanuit een voorbije christelijke cultuur waarin orde en gezag op een patriarchale wijze ingevuld werden. De standaard voor gezag is niet de ‘patron’ tegenover zijn ‘client’, maar de standaard is Christus die zijn leerlingen heeft voorgedaan wat het betekent om in liefde elkaar te dienen. Elk vorm van gezag en van gezaghebbend spreken in de christelijke gemeente is op hem gefundeerd en van hem afgeleid.

 

     –  Conclusie

Samenvattend is mijn conclusie, dat Rufus Pos in zijn brieven er ongefundeerd en onterecht vanuit gaat dat hij Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal kan gebruiken om in Gen. 1-3 te lezen, dat de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Paulus gaat niet uit van de door Pos veronderstelde scheppingsorde met betrekking tot man en vrouw.

 

[i] Zie de betreffende blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[ii] Zie in dit verband de waarschuwing van Alan Johnson: ‘Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen’, mijn vertaling in de blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/23/alan-johnson-over-cultuur-en-bijbellezen/.

[iii] Zie mijn eerdere blog over de wijze waarop Pos de inzichten van Ad de Bruijne weergeeft: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.

 

 

Advertenties

De 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten (6) – conclusie en nabeschouwing

In enkele blogs heb ik de exegeses van m/v-teksten in de 20e eeuw aan een nader onderzoek onderworpen. In deze blog wil ik de verschuivingen aanwijzen die ik heb waargenomen in de visie van de GKv op de positie van de vrouw in de kerk en in de samenleving.

Als ik deze verschuivingen kort samenvat is dat:

  • van een totale ondergeschiktheid en onderdanig-zijn van de vrouw aan de man (1930) nààr een positie waarin het uitgangspunt is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw (1999).

 

1930

Een belangrijke rol in de visie op de man/vrouw verhouding speelt in 1930 de term ‘scheppingsordinantie’: op alle terreinen van het leven (te weten huwelijk, kerk en maatschappij) is de vrouw de hulp van de man, beiden zijn drager van het beeld van God, maar de man staat boven de vrouw, omdat hij de drager van de heerschappij is en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.

De vrouw is door de wijze van haar schepping in wezen, aard en roeping bepaald naar de man en in afhankelijkheid van hem. Komt zij op zijn terrein, dan handelt zij in strijd met de door God gestelde verhouding tussen man en vrouw en wordt zij ontrouw aan haar natuur.

Deze scheppingsordening betekent dat de vrouw geen enkele leidende of onderwijzende positie in de gemeente is toegestaan.

 

1978

De gelijkwaardigheid van man en vrouw wordt als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, maar wordt in één adem gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen. De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man.

Dat betekent dat de vrouw in de gemeente niet de man met een vermeend, zelfstandig gezag tegemoet mag treden, maar dat zij moet luisteren en zich laten leren. Deze verhouding is al van vóór de zondeval. Dit betekent dat zij ook niet deel mag nemen aan de verkiezing van ambtsdragers en zeker geen leer- of regeerambt mag vervullen.

 

1993

Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.

Uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw volgt dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken mogen worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk. De vrouw mag een eigen, zelfstandige stem in de gemeente hebben en wordt daarom ook niet meer uitgesloten van het stemrecht.

Het onderscheid waarin de man de taak heeft om voorop te gaan en leiding te geven en de vrouw om te volgen, betekent alleen dat de vrouw in de gemeente wordt uitgesloten van die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Daarom wordt zij wel van het leerambt in de erediensten uitgesloten en ook van het regeerambt.

 

1999

De gelijkwaardige positie wordt nogmaals bevestigd. God heeft de mens als man en vrouw geschapen naar zijn beeld en hen samen de opdracht gegeven de aarde te beheren en in cultuur te brengen.

‘Hulp’ uit Gen. 2:20 mag niet misverstaan worden en moet geïnterpreteerd worden als een gelijkwaardig iemand met wie de man het leven kan delen en een levenseenheid kan vormen. Vanuit het Nieuwe Testament gezien betekent dit dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen. De man mag niet over de vrouw heersen, maar moet haar geborgenheid bieden. Deze relatie kan ook niet als een relatie van ‘onderdanigheid’ getypeerd worden, omdat de vrouw niet ondergeschikt is aan de man, maar een positie naast hem heeft gekregen.

Het ‘hoofd-zijn’ van de man omschrijft men niet met begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat in bijbels licht gezien in deze gelijkwaardige relatie wel sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de man de eerste verantwoordelijkheid heeft gekregen.

Het ‘voorgaan’ van de man en het ‘volgen’ van de vrouw wordt met name betrokken op de dingen die naar Gods wil zijn. Het betreft de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin te dragen en de taken die God hen geeft in de gemeente en in de samenleving.

Een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij wordt niet meer gegeven, omdat man en vrouw naar Gods beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast wil men niet aan méér binden dan de Schrift doet.

 

Bezwaren

Dat de hierboven geconstateerde verschuivingen fundamenteel zijn blijkt wel uit de bezwaren, die daar sinds 1993 tegen in gebracht werden. De belangrijkste daarvan zijn:

  • het spreken over de gelijkwaardigheid van man en de vrouw strookt niet met de scheppingsorde, waarbij de man aangesteld is tot hoofd en de vrouw hem als hulp gegeven is;
  • het is onjuist om de reikwijdte van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 te beperken tot de eredienst, omdat in deze teksten een algemeen zwijggebod voor vrouwen gegeven is.

Het is daarom niet verwonderlijk dat de van de GKv afgescheide bezwaarden die zich verenigd hebben in de DGK(h), teruggekeerd zijn naar de visies zoals die in 1978 (met betrekking tot het afwijzen van het vrouwenkiesrecht) en in 1981 (met betrekking tot het huwelijksformulier) vastgelegd zijn.

 

Conclusie en nabeschouwing

In de loop van de 20e eeuw is er een nieuwe consensus in de GKv ontstaan over de verhouding van man en vrouw, waarbij de veronderstelde totale onderdanigheid van de vrouw aan de man ter discussie is gesteld. Zo ontving de vrouw in het huwelijk en in de samenleving in principe een gelijkwaardige positie naast de man.

Exegetisch gezien is deze consensus tot stand gekomen, doordat men in het formuleren van een visie op de verhouding tussen man en vrouw op een andere wijze met de zgn. zwijgteksten om is gegaan:

  1. De zwijgteksten worden niet meer opgevat als algemene en absolute geboden, maar ze worden geïnterpreteerd als beperkt en in relatie met de (veronderstelde) situatie waarin de diverse gemeenten zich toen bevonden;
  2. De voorheen absolute interpretatie van deze zwijgteksten is niet langer meer het normatief kader voor de uitleg van het scheppingsverhaal van man en vrouw en hun onderlinge verhouding, zoals die ons Genesis 1 t/m 3 wordt verteld, maar deze hoofdstukken worden in hun eigenheid geïnterpreteerd.

Dit heeft geresulteerd in de volgende exegetische verschuivingen:

  1. Het uitgangspunt voor het denken over m/v ligt nu in de gelijkwaardigheid van man en vrouw bij de schepping en bij het samen beeld van God zijn;
  2. Daarmee is een belangrijke grond voor de traditionele exegese van de zwijgteksten weggevallen en hebben wij afscheid genomen van de traditionele interpretatie,  waarbij de zwijgteksten gelezen werden als een bevestiging en uiting van het onderdanig-zijn van de vrouw aan de man en van het gezag uitoefenen van de man over de vrouw.

Als je naar de onderbouwing van deze verschuivingen kijkt, dan zie je dat die niet ondubbelzinnig is en dat er exegetisch gezien spanningen aan te wijzen zijn. Ook is het duidelijk dat er geen afgerond verhaal neergelegd is. Concreet:

  • Hoe moet je exegetisch en hermeneutisch aankijken tegen het poneren van twee lijnen in de Schrift als het gaat over de verhouding van man en vrouw? Hoe verhoudt zich de lijn van de gelijkwaardigheid met die van de onderscheiden positie van man en vrouw?
  • Hoe kan het dat de positie van man en vrouw in de kerk een andere is dan in het huwelijk en in de samenleving? Waarom mogen vrouwen in de samenleving wel leidinggevende posities vervullen en in de kerk niet?
  • De constatering van de GS Berkel & Rodenrijs 1996 dat de vraag of het leer- en regeerambt aan de vrouw wel of niet toekomt nog open ligt, omdat daarover in de GKv geen besluit ligt.

Het is begrijpelijk dat niet lang nadat deze consensus bereikt was, er op de GS Amersfoort-Centrum 2005 om verheldering gevraagd werd door te vragen om een bezinning door een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’.

Het huwelijksformulier in de 20e eeuw – 1975/2005

Huwelijksformulier 1981

Op de GS Arnhem 1981 werd voor de GKv een nieuw huwelijksformulier vastgesteld. In de jaren ’70 hadden verschillende synodes zich gebogen over een herziening van het Gereformeerd Kerkboek en de formulieren. Toen was door de GS Kampen 1975 bij voorrang al een aangepast huwelijksformulier vastgesteld, dat tijdeljk het formulier uit 1933 moest vervangen. In het nieuwe formulier uit 1981 wordt ten opzichte van het formulier uit 1975 de gezagsrelatie tussen man en vrouw opnieuw aangescherpt.

Stond in de versie van 1975: ‘Zoals Christus het hoofd van de kerk is, is de man het hoofd van de vrouw.’ In de versie van 1981 formuleerde men: ‘Zoals Christus het Hoofd is van de kerk, en gezag over haar heeft, zo heeft de man als hoofd gezag over zijn vrouw.’ Ook werd bijvoorbeeld nog toegevoegd dat de vrouw zich ‘gehoorzaam’ toevertrouwt aan de man.

De achtergrond van deze wijzigingen was, dat men op die manier recht meende te doen aan Ef. 5:22, waar tegen de vrouw gezegd wordt: ‘Weest aan uw man onderdanig als aan de Here’ (NBG 1951).

Toen enkele afgevaardigden pleitten om de term ‘onderdanig’ ook als zodanig in het formulier op te nemen, kwam men na bespreking daarvan echter tot het oordeel: ‘het woord `onderdanig’ in het hedendaags Nederlands steeds meer de gevoelswaarde krijgt van `gedwee, kruiperig, serviel’. Het handhaven van dit woord zou de propagandisten van de emancipatie alleen maar wind in de zeilen geven.

 

Bezwaren 1996

In de loop van de jaren kwamen tegen de formuleringen in het formulier van 1981 steeds meer bezwaren. Toen de kerkenraad van GKv Groningen-Oost zich daarover in 1995 boog, kwam hij tot de conclusie dat deze gegrond waren. Daarom zond hij naar de GS Berkel en Rodenrijs 1996 een voorstel om het formulier op een vijftal punten aan te passen.

De belangrijkste betrof de exegese van Efeziers 5. De kerkenraad was van mening, dat het duidelijk is dat ‘gezag/leiding en volgen/gehoorzaamheid helemaal buiten Paulus’ betoog van Ef. 5 valt. Het is dus geen blijk van verkeerde emancipatie als met name zusters in de gemeente zich aan deze typeringen van de man/vrouw-relatie storen.’

Men stelde voor om deze passage zo aan te passen:

‘Zoals Christus er is voor zijn gemeente, zo is ook de man er voor zijn vrouw. Zoals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en zijn leven voor haar heeft gegeven, zo moet ook de man zijn vrouw liefhebben als zichzelf, voor haar zorgen en haar geborgenheid geven. Zoals de gemeente zich zonder reserve toevertrouwt aan Christus, zo moet ook de vrouw zich met liefde toevertrouwen aan haar man en hem helpen in alles wat naar Gods wil is. Door zo elkaar met liefdevol respect te aanvaarden, zullen man en vrouw hoe langer hoe meer de eenheid van Christus en zijn gemeente laten zien.’

Daarom stelde men ook voor om van man en vrouw dezelfde belofte te vragen, namelijk elkaar wederzijds ‘lief te hebben en te dienen.’

Een ander belangrijke wijziging betrof de taakverdeling in het huwelijk.

In het formulier in 1981 werd de man voorgehouden: ‘Wees trouw in de uitoefening van uw beroep, zodat u in staat bent uw gezin te onderhouden en andere mensen te helpen’. Terwijl tegen de vrouw werd gezegd: ‘wees uw man tot hulp, en zorg ook goed voor uw gezin. Leeft ingetogen en tooi u met het sieraad van goede werken, die God wil belonen in dit en het toekomstige leven’.

De kerkenraad vond dat deze tweedeling (de man buitenshuis z’n beroep, de vrouw binnenshuis haar gezinstaak) allang niet meer spoorde met de praktijk, terwijl het ook onjuist was ‘aan de feitelijke werkverdeling uit de bijbelse tijd een norm te ontlenen voor alle tijden.

Men stelde voor om niet een bepaalde taakverdeling als de enig ware op te nemen. Om deze zaak wel op het ‘juiste’ niveau te brengen, stelt men als formulering voor om beiden voor te houden: ‘Weest trouw in de uitoefening van de taken die God u geeft. Dan bent u samen in staat uw gezin te verzorgen en andere mensen te helpen.’

Naast de kerk van GKv Groningen-Oost kwam ook de kerk van GKv Zwolle-Centrum op de synode in 1996 met een voorstel voor een herzien huwelijksformulier. In de onderbouwing daarvoor wees men op soortgelijke bezwaren als de kerkenraad van Groningen-Oost aanvoerde.

De GS Berkel en Rodenrijs 1996 achtte de aangevoerde bezwaren zo reëel, dat deze haar inziens een herziening op deze punten wettigde. Ze besluit daarom meteen al een herzien formulier vrij te geven en deputaten op te dragen ‘verder te werken aan herziening van het huwelijksformulier met verwerking van reacties uit de kerken op het voorgelegde formulier en aan de volgende synode voorstellen dienaangaande te doen.’

 

Huwelijksformulier 1999

Zo komt het dat er op de synodetafel van de GS Leusden 1999 een voorstel ligt voor een nieuwe redactie van het huwelijksformulier. Als we de belangrijkste m/v-teksten bij langs gaan, dan zien we dat daarin de volgende exegeses verwerkt zijn:

     a.  Instelling

Gen 1:27 wordt zo uitgelegd, dat God de mens als man en vrouw schiep naar zijn beeld en hun samen de opdracht gaf de aarde te beheren en in cultuur te brengen. In Gen 2:18-23 blijkt dat God eerst de man geschapen heeft en vervolgens de vrouw maakt als ‘hulp die bij hem past’. Omdat de term ‘hulp’ misverstaan kan worden, wordt deze passage weergegeven als: ‘Hij miste iemand met wie hij het leven kon delen’. Wat dat concreet betekent wordt o.a. uitgewerkt in de paragraaf ‘Wederzijdse verplichtingen’ als: ‘Aanvaard haar liefdevolle steun als de hulp die Christus u geeft’. Zo verbindt God man en vrouw aan elkaar, ‘zodat zij een unieke levenseenheid vormen.’

     b.  Doel

Man en vrouw zullen elkaar in liefde toebehoren en uit zijn op het belang van de ander, zodat beiden tot bloei komen. Samen zullen zij hun leven wijden aan God en elkaar helpen op de weg naar het eeuwige leven.

Wanneer ze kinderen krijgen, zullen ze als vader en moeder het beeld van God vertonen in zorg en liefde voor hun kinderen. Ten slotte geeft God hen ook een plaats in de samenleving, waar ze zich zullen inzetten voor de leden van Christus’ gemeente en voor alle mensen die God op hun weg plaatst.

     c.  De onderlinge verhouding

Als het over de onderlinge verhouding gaat, komt allereerst de eenheid naar voren. Met een beroep op Gen. 1:27, Ef. 5:21 en Gal. 3:28 wordt gezegd, dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn ‘om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen.’ Dat vraagt ‘om wederzijds respect, waarbij liefdevolle trouw de toon aangeeft.’

Binnen deze eenheid hebben man en vrouw ieder een eigen plaats. Onder verwijzing naar Ef. 5:22-23 wordt gezegd, dat de man in navolging van Christus met liefde en zelfverloochening hoofd behoort te zijn van zijn vrouw: ‘Als eerstverantwoordelijke moet hij haar voorgaan in het leven met de Here. Hij zal zorg dragen voor haar welzijn en haar geborgenheid geven.’

De vrouw bewaart de eenheid door recht te doen aan de plaats van haar man: ‘Zoals de gemeente zich aan Christus toevertrouwt en zich door Hem laat leiden, zo moet de vrouw zich toevertrouwen aan haar man en hem volgen in het dienen van de Here. Zij zal hem helpen bij alle dingen die naar Gods wil zijn, en liefdevol het leven met hem delen.’

Uit de toelichting door deputaten blijkt, dat men het ‘hoofd-zijn’ bewust niet heeft willen omschrijven met de begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat er in bijbels licht ‘in een overigens gelijkwaardige relatie, ook sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de eerste verantwoordelijkheid ligt bij de man.’  Als ondersteuning daarvoor verwijst men naar Gen. 3:9v waar God Adam als eerste ter verantwoording roept.

Tegen (herinvoering van) het woord ‘gezag’ in het formulier pleit, dat Paulus dit woord niet gebruikt. Daarbij komt dat ‘gezag’ voor velen een negatieve lading heeft net zoals het woord ‘onderdanigheid’.

In het ‘hoofd-zijn’ ziet men twee gedachten tot uitdrukking gebracht: zowel verantwoordelijkheid als levenseenheid. Verantwoordelijkheid omdat Adam als eerste geschapen is en een levenseenheid omdat de vrouw een positie niet ondergeschikt aan, maar naast haar man heeft gekregen.

Het kernelement van Ef. 5:21 is het aan het elkaar onderdanig zijn, wat betekent ‘gericht zijn op de ander’: ‘de man moet niet de baas spelen over zijn vrouw, de vrouw moet niet proberen haar man naar haar hand te zetten.’ Voor de man betekent dat zijn vrouw liefhebben als zijn eigen lichaam, haar geborgenheid geven en haar steun aanvaarden als hulp. Voor de vrouw betekent dat die geborgenheid aanvaarden, maar ook als ‘hulp tegenover hem’ liefdevolle steun geven en de man aanspreken op zijn verantwoordelijkheid.

Van belang is dat bij de besluitvorming door de synode expliciet een amendement, waarin werd voorgesteld in dit onderdeel ook de tekst Gen. 3:16 in de marge te vermelden en de betekenis daarvan voor man en vrouw in het huwelijk te laten verwoorden, met 3 stemmen voor en 32 stemmen tegen verworpen werd. Dit betekent dat de aloude visie dat het de wil van God is, dat de man heerschappij over de vrouw moet voeren, definitief niet meer in de GKv van kracht is.

     d.  De wederzijdse verplichtingen

In overeenstemming met de geschetste onderlinge verhouding wordt eerst als gemeenschappelijke verplichting de gehuwden voorgehouden ‘in liefde voor elkaar te zorgen.

Vervolgens wordt dat verschillend uitgewerkt: voor de man als hoofd om ‘haar voor te gaan in alle dingen die naar Gods wil zijn en voor haar te zorgen en haar geborgenheid te geven’ en voor de vrouw in het aanvaarden van de man als hoofd door ‘zijn liefdevolle zorg en geborgenheid te aanvaarden en hem te helpen en hem te volgen in alle dingen die naar Gods wil zijn.’

Tenslotte zijn alle specifiek geachte mannen-  en/of vrouwenrollen en -taken uit het formulier geschrapt. Aan man èn vrouw wordt voorgehouden ‘samen de verantwoordelijkheid en de zorg voor het gezin te dragen, trouw te zijn in de uitoefening van de taken die God hen geeft en zo tot een zegen te zijn in de gemeente en in de samenleving.

Deputaten geven aan bewust niet ‘een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij te willen geven.’ Belangrijk argument daarvoor is allereerst dat man en vrouw naar zijn beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast mogen wij ‘niet aan méér binden dan de Schrift doet.’ Wel zijn ze van mening, dat God alleen aan de vrouw het geschenk van het moederschap geeft. Dit eigene zien zij terug in Gen. 3:16 en 1 Tim. 2:15.  Vandaar dat zij in het gedeelte gericht op de vrouw haar taak in het gezin apart benoemen. Omdat de vaders ook een belangrijke taak in het gezin hebben, wordt vervolgens ook gesproken over ‘de gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin.

 

Revisieverzoeken 2002

Op de GS Zuidhorn 2002 ligt van zowel van enkele kerken als van particulieren verzoeken tot revisie van het besluit uit 1999 inzake het nieuwe huwelijksformulier. Ook vanuit het buitenland (Canada en Australië) komen via het deputaatschap Betrekkingen Buitenlandse Kerken op de synode vragen van zusterkerken over het nieuwe huwelijksformulier binnen. Wat de exegese van m/v-teksten betreft wordt o.a. gepleit voor de volgende elementen:

  1. bij de verhouding in het huwelijk moet de verscheidenheid voorop staan;
  2. er moet meer accent liggen op het hoofd-zijn van de man;
  3. het is een verdraaiing van Gen. 2:18 dat de gehuwden elkaar tot hulp moeten zijn.

Na bespreking worden deze bezwaren afgewezen met als grond:

  1. het is niet bewezen dat in het geheel van de Schrift de verscheidenheid van man en vrouw voorop staat;
  2. dat de man het hoofd is van de vrouw, komt in het formulier voldoende naar voren;
  3. het is niet in strijd met de Schrift te stellen, dat man en vrouw elkaar tot hulp dienen te zijn.

 

Terzijdestelling door de DGK(h) in 2005

In 2003 scheiden bezwaarde GKv’ers die zich geconcentreerd hadden rond het blad Reformanda van dr. P. van Gurp, zich af van de GKv en vormen een nieuw kerkverband: de herstelde Gereformeerde Kerken, aangeduid als de DGK(h).

Op hun eerste synode, de GS Mariënberg 2005, distantiëren ze zich van een groot aantal recente besluiten in de GKv. Zo wordt ook het nieuwe huwelijksformulier uit 1999 vervallen verklaard.

Belangrijke overwegingen zijn dat de termen ‘gezag‘, ‘leiden‘ en ‘gehoorzaam toevertrouwen‘ zijn verdwenen en dat met betrekking tot de positie van man en vrouw in het huwelijk veel nadruk wordt gelegd op het gelijk-zijn in Christus en op het recht doen aan elkaars positie als uitleg van ‘het hoofd zijn van de man zoals Christus hoofd is van zijn gemeente.’ Ook heeft men moeite met het besluit van de GS Zuidhorn 2002, dat de verscheidenheid van de man en de vrouw in het huwelijk voorop staat in het geheel van de Schriften.

Als gronden voort men daar o.a. voor aan:

  1. in het formulier van de GS Berkel en Rodenrijs 1996 wordt onvoldoende recht gedaan aan wat de bijbel leert over de door de Here al bij de Schepping ingestelde verhouding tussen man en vrouw met de daaruit voorvloeiende onderscheiden taken (Spreuken 31, 1 Kor. 11:7-10; 1 Kor. 14:34; Ef. 5:22-33; 1 Tim 2:13-15; Titus 2:4; 1 Petrus 3:1-7).
  2. Hoewel de tekst van het huwelijksformulier van GS Leusden 1999 op punten een verbetering is, wordt nog steeds op het belangrijke punt van de verhouding tussen man en vrouw, en hun onderscheiden taken, geen goed Bijbels onderwijs gegeven. In een samenleving waarin de gelijkheid tussen man en vrouw een onschriftuurlijk streven is, wordt op dit punt niet de wacht betrokken bij de secularisatie van de kerkleden.
  3. De GS Zuidhorn 2002 neemt nog duidelijker afstand van het onderwijs van de Schriften met betrekking tot de verscheidenheid tussen man en vrouw in het huwelijk.

In plaats van het nieuwe formulier uit 1999 wordt het huwelijksformulier zoals dat in 1981 vastgesteld werd en in 1984 in het Gereformeerd Kerkboek is opgenomen, opnieuw door de DGK(h) ingevoerd.

 

 

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (4) – 1993

Algemeen

Besloot de GKv synode van Groningen-Zuid in 1978 nog met een ruime meerderheid de gangbare praktijk te handhaven, dat vrouwen niet mee mogen stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers, in 1993 besluit zij unaniem om deze uitspraak vervallen te verklaren. Vervolgens besluit zij bijna unaniem (er was 1 onthouding) ‘uit te spreken dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’.

Samengevat zijn de gronden daarvoor:

  • de stemming is een onderdeel van de verkiezing van ambtsdragers en kan getypeerd worden als meewerken aan de opbouw van de gemeente;
  • bij verkiezing en stemming gaat het niet om een eigen individuele stem, maar om de stem van de gemeente; de zusters vormen samen met de broeders de stem van de gemeente;
  • de stemming vindt plaats binnen de verantwoordelijkheid van de kerkenraad;
  • de Schrift geeft geen algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente;
  • het verkiezen door de gemeente heeft niet het karakter van uitoefenen van gezag of macht over de kerkenraad of de gekandideerden.

In 1987 lag er op de synodetafel al een revisieverzoek van het besluit over het vrouwenkiesrecht uit 1978 door een kerklid, maar dat werd niet ontvankelijk verklaard, omdat het een nieuwe zaak zou zijn en niet volgens de kerkelijke weg ingediend was.

In 1993 ontving de synode een tiental verzoeken, waaronder van vier Particuliere Synoden (Groningen, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland), om het besluit uit 1978 te herzien en vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen.

De voornaamste reden dat de synode in kan stemmen met het vrouwenkiesrecht is een kerkrechtelijke. Men interpreteert het karakter van een stemming zodanig, dat de vraag of vrouwen daarin gezagvol spreken over mannen niet meer van belang is, omdat het stemmen sowieso niet meer gezien wordt als het uitoefenen van gezaghebbend of leidinggevend spreken.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Omdat het in de argumentatie op de synode van 1993 vooral gaat om de kerkrechtelijke vraag naar het karakter van het stemmen, wordt er minder ingegaan op specifieke m/v-teksten. In de exegese richt men zich vooral op het thema van de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente.

Een belangrijke veronderstelling in de argumentatie van de synode van 1978 tegen het vrouwenkiesrecht is, dat de vrouw aan de man onderdanig behoort te zijn. Daarbij verwees men vooral naar de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 14:34-35 (opgevat als een algemeen zwijggebod) en 1 Tim. 2 (opgevat als een zich onderschikken aan de man en geen gezag over hem mogen uitoefenen).

Tegenover deze visie spreekt de synode van 1993 uit dat daarin te weinig rekening wordt gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Hiermee neemt de synode een lijn op, die in het commissierapport ingezet wordt. ‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen’.

Volgens het commissierapport leren de brieven in het Nieuwe Testament ‘de gelijkwaardigheid van man en vrouw (wat iets anders is dan de gelijkheid)’, en daarnaast leert het Nieuwe Testament óók ‘de onderdanigheid van de vrouw ten opzichte van de man, allereerst in het huwelijk; dit onderscheid werkt door in de gemeente, voor getrouwden en niet (meer) getrouwden; daarom wordt zij buitengesloten van het leer- en regeerambt’.

Een beroep op 1 Kor. 14:34-35 kan volgens de synode een algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente niet ondersteunen, omdat het daarin alleen gaat over het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst. Ook heeft het verbod in 1 Tim. 2:11-15 betrekking op het gezag oefenen over de man door ‘leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst ’.  Vandaar dat de conclusie wordt getrokken, dat deze teksten uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 niet gebruikt kunnen worden voor een verbod voor vrouwen om een stem uit te brengen tijdens de verkiezing van ambtsdragers.

Integendeel: met een verwijzing naar Hand. 2:17-18, Hand. 21:9 en 1 Kor. 11:5 is de synode van mening dat de vrouw in de gemeente wel degelijk een eigen, zelfstandige stem mag hebben. Die vloeit voort uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw, die blijkt uit het gegeven dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk.

Als het gaat over de positie van de vrouw in de kerk moeten namelijk niet alleen 1 Kor. 14:34 en 1 Tim 2:11v ter spraken komen. Andere teksten in het Nieuwe Testamant laten zien, dat mannen én vrouwen delen in de gaven van de profetie, terwijl vrouwen ook mogen bidden en profeteren in de gemeente, mits het gebeurt op een manier die met haar positie in overeenstemming is. In de vroeg-christelijke gemeenten zijn vrouwen actief betrokken bij èn worden ze ingeschakeld voor de dienst aan het evangelie. Ze worden net als mannen opgeroepen om mee te werken aan de opbouw van de gemeente. Op dezelfde wijze mogen vrouwen daarom wel degelijk een inbreng hebben bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente.

Duidelijk is dat er voor de synode in 1993 in het betrekken van vrouwen voor taken in de gemeente wel een grens is. Op grond van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11-15 concludeert zij dat de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente betekent dat ze ‘geen leer- of regeerambt in de gemeente mag vervullen’.  Expliciet wordt dat nog in de laatste grond voor het besluit verwoord: ‘omdat stemmen niet beschouwd mag worden als een vorm van (mee)regeren, mag het toekennen van stemrecht aan de zusters niet gezien worden als een eerste stap op weg naar het leer- en regeerambt van de zusters’.

 

Onderdanigheid en gelijkwaardigheid

Het is interessant om de exegese van de m/v-teksten in 1993 te vergelijken met die in 1978. Dan wordt zichtbaar, dat de synode een nieuwe richting kiest door in de bijbel expliciet twee lijnen in de verhouding tussen man en vrouw aan te wijzen: naast die van de onderdanigheid van de vrouw aan de man, ook die van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Ook al wordt ook in het meerderheidsrapport uit 1978 de gelijkwaardigheid van man en vrouw als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, deze wordt meteen in dezelfde zin gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen: ‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden.’ De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man. Dit ‘ondergeschikt’-zijn is verder bepalend voor de verdere invulling van de relatie tussen man en vrouw. Ook al wordt er gesproken over ‘de kompetentie van de zusters als mondige kerkleden’, van het belang is wel dat zij deze ‘kompetentie’ uitoefent binnen het zich onderschikken aan de man.

Het verrassende in de exegese in 1993 is, dat deze allesbeheersende dominantie van de ‘onderschikking’ ten opzichte van de ‘gelijkwaardigheid’ opgeheven wordt en dat man en vrouw ook als gelijkwaardig ten opzichte van elkaar gezien worden.

Met een beroep op Gen. 1 wordt betoogd, dat Adam en Eva beiden ‘naar Gods beeld geschapen zijn, in volkomen gelijkwaardigheid, met een gemeenschappelijke taak’. Het eerst geschapen zijn van Adam betekent wel, dat Adam is ‘het hoofd van zijn vrouw en de taak heeft voorop te gaan en leiding te geven’ (met een beroep op 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2), maar dat betekent niet dat Adam méér is dan Eva: in Gen. 2:18 krijgt de wederkerigheid juist het accent. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Men beseft dat het met name het Nieuwe Testament is, dat spreekt over de onderdanigheid van de vrouw aan de man. Maar men wijst er dan op, dat met die onderdanigheid ‘in de eerste plaats gezien wordt op de relatie van man en vrouw in het huwelijk’. Daarom kan ‘moeilijk ‘in abstracte zin’ gesproken worden over ‘de’ man en ‘de’ vrouw bij de schepping of over de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw in het algemeen’.

Wel voegt men er aan toe, dat ‘zoals het onderscheid tussen man en vrouw in het huwelijk niet wordt uitgewist’, dat ‘evenmin in de gemeente’ gebeurt. Het ‘leren’ en ‘regeren’ is niet aan de vrouwen opgedragen, terwijl vrouwen en mannen een onderscheiden plaats innemen. Maar dat betekent dus niet, dat aan vrouwen elke vorm van spreken verboden wordt of dat zij van elke activiteit uitgesloten wordt.

De mogelijkheid daartoe ligt in een andere exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. In 1978 worden deze teksten opgevat als een algemeen zwijggebod voor vrouwen, in 1993 wordt de reikwijdte van het verbod beperkt tot de eredienst en dan ook alleen tot die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Wel is men net als in 1978 van mening, dat in deze teksten vrouwen verboden wordt een ‘leer- of regeerambt te vervullen’.

Het grote verschil in uitkomst van het uiteindelijke synode besluit ligt in de vraag, of het stemmen kerkrechtelijk gezien valt onder de reikwijdte van het verbod om te spreken in de gemeente. In 1978 zei men ‘ja’, in 1993 ‘nee’.

Deze andere taxatie in 1993 is aanvaardbaar, omdat men op grond van een andere exegese van de m/v-teksten met een grotere nadruk op de gelijkwaardigheid van man en vrouw de mogelijkheid gecreëerd had om de bijdrage van vrouwen in de gemeente positief te waarderen. Het is denk ik niet zonder reden, dat de rapporteur van de commissie benadrukte dat Gal. 3:28, waarin het gaat over de gelijkwaardige positie van man en vrouw in Christus, ‘weliswaar niet doorslaggevend voor het vrouwenstemrecht (is), maar er wel iets over te zeggen (heeft)’ en daarom ook in het besluit opgenomen diende te worden.

 

Conclusie en beoordeling

Aan het besluit van 1993 ligt een veranderde visie op de m/v-teksten ten grondslag doordat men in de exegese niet meer het perspectief van de onderdanigheid van de vrouw aan de man laat domineren, maar ook principieel ruimte biedt voor de onderlinge gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Bijzondere punten die in de argumentatie en in de exegese van de m/v-teksten opvallen zijn:

  • De inzet van het nadenken over de verhouding tussen man en vrouw bij de gelijkwaardigheid met een beroep op Gen. 1 en 2, waardoor het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk is geworden.
  • De visie dat het ‘onderdanig-zijn’ van de vrouw aan de man in eerste instantie betrekking heeft op de relatie van de man en vrouw in het huwelijk en dat dit niet zo maar veralgemeniseerd kan worden tot een scheppingsordening of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw.
  • Voor het eerst vindt er een erkenning plaats dat vrouwen in de gemeente mogen profeteren en bidden. Dat is een belangrijk motief om in de exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 het zwijggebod niet algemeen op te vatten, maar slechts te interpreteren als een verbod om leidinggevend te onderwijzen.

 

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (2) – 1930

Algemeen

De synode van de Gereformeerde Kerken in Arnhem bijeen besluit in 1930 om de vrouw het kiesrecht niet toe te kennen. Zakelijk samengevat zijn de gronden daarvoor:

  1. de verkiezing tot het ambt is een daad van algemene regeermacht;
  2. ook al heeft de vrouw het ambt van gelovige, toch volgt daaruit niet dat zij aan de verkiezing mag deelnemen;
  3. want het overtuigend bewijs dat de Schrift het vrouwenkiesrecht eist is niet geleverd;
  4. terwijl de gegevens die de Schrift biedt veeleer pleiten tegen de deelname van de vrouw aan de verkiezing.

Dit besluit wordt eenparig genomen, met de aantekening dat de opsteller van een minderheidsnotitie, ds. C. Lindeboom, zich tegen dit besluit heeft verklaard.

In deze blog concentreer ik mij op de exegetische onderbouwing van dit besluit. Daarbij ga ik met name in op twee zaken, te weten hoe men vanuit deze exegese aankijkt tegen:

  • de onderdanigheid van de vrouw;
  • de positie van de vrouw in de bijbel.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Als het om de verhouding m/v gaat komen deputaten in een meerderheidsrapport tot de conclusie, dat het ‘volgens de scheppingsordinantie’ de roeping van de vrouw is een hulp voor haar man te zijn:

‘Uit deze beschikking Gods blijkt, dat niet alleen in het huwelijksleven, maar ook in het gezinsleven, in het opgroeien der geslachten met elkander, en in de maatschappelijke samenleving, de plaats van de vrouw is hulpe des mans. .. Beiden, man en vrouw zijn dragers van het beeld Gods, maar de man is daarin boven de vrouw verheven, dat hij de drager der heerschappij is, en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.’

Vanuit een interpretatie van 1 Cor. 11 : 3 en 7-9 leest men in het verhaal van Genesis 2 dat Adam en Eva op verschillende wijze naar Gods beeld geschapen zijn:

God heeft Adam naar Zijn beeld geschapen a.h.w. enkel naar hetgeen Hem desbetreffend in Zijn Goddelijk denken voor oogen stond. Maar Hij schiep de vrouw den man tot eene hulpe, die als tegen hem over zou zijn, Gen. 2 : 18. Daarin ligt dus dat de vrouw in heel haar wezen en aard en roeping bepaald is mede naar den man.’

Dit wordt vervolgens met een verwijzing naar Calvijn zo uitgelegd, dat de vrouw ‘secundo gradu’, in tweede instantie, naar Gods beeld geschapen is:

Zij is niet het beeld van den man in dien zin, dat zij zijne gelijkenis vertoont; in zekeren zin is zij zijn tegenbeeld. En dat betreft niet alleen het lichamelijke. Lichaam en geest hangen ten nauwste samen. God schiep beide in volle harmonie. Naar het lichamelijke was daarom oorspronkelijk ook het geestelijke. Is de vrouw daarom niet minder dan de man geschapen naar het beeld Gods, dat beeld is bij haar toch a.h.w. gemodelleerd en genuanceerd in samenhang met den man, op zoodanige wijze, dat zij kan zijn eene hulpe voor den man en als tegenover hem.’

Behalve dat de vrouw naar de man geschapen is, betogen deputaten uitgebreid dat zij ook ten tweede om de man hem ‘ter hulpe’ geschapen is, ten derde na hem, en ten vierde uit hem en hem tegenover. Samengevat:

‘De vrouw als zoodanig is dus door de wijze van hare schepping in wezen en aard en roeping bepaald naar den man, a.h.w. in afhankelijkheid van hem. Wel ook Gods beeld, evenzeer als Adam, maar toch op andere wijze, en als geboetseerd met het oog op den man, om hem tot eene hulpe als tegenover hem te zijn.’

De conclusie die men daaraan verbindt is, dat:

‘de vrouw als vrouw (niet alleen als echtgenoote) in den man als man (en niet alleen als echtgenoote) een in wezen en bestaan, naar lichaam en ziel bepalende macht heeft, zoodat de vrouw, wanneer zij op het terrein van den man optreedt, zoowel in strijd handelt met de door God gestelde verhouding tusschen man en vrouw, als ook ontrouw wordt aan haar bestaanswijze of natuur’.

Op basis daarvan gaat men er vanuit dat de vrouw niet zelf mag bepalen, welke functie zij wil uitoefenen en vinden deputaten dat ook de kerk of de overheid niet willekeurig de taak en de roeping van de vrouw mag bepalen. De vrouw moet haar taak toegewezen worden in overeenstemming met de plaats en de roeping die haar door de Schepper is verordineerd.

Als het vervolgens gaat om de vraag welke taak en roeping de vrouw in de gemeente heeft, beroept men zich uitdrukkelijk op wat Paulus schrijft in 1 Cor. 14:34-35 en 1 Tim. 2:15:

‘Omdat dit wel duidelijk is, dat de apostel in het gemeentelijke leven aan de vrouw geenerlei leidende, noch onderwijzende positie of werkzaamheid toestaat, en dat hij argumenteert uit het verhaal van Gen. 1-3 over de schepping en den zondeval des menschen. Wat hij desbetreffend zegt, en eenerzijds verbiedt, en andererzijds gebiedt, geldt zoowel de ongehuwde vrouw als de gehuwde, de vrouw ook als vrouw.’

Zelfs als zou stemmen alleen maar een advies zijn, dan zou de toekenning aan en uitoefening van het stemrecht door de vrouw, nog in strijd komen met dit ‘sterke woord van den apostel in 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2’.

In een minderheidsnotitie uit 1927 had ds. C. Lindeboom er op gewezen, dat volgens 1 Cor. 11 de vrouwen mochten bidden en profeteren in de samenkomsten van de gemeente. ‘Paulus veroordeelt dit hier niet, maar keurt alleen de wijze af, waarop het geschiedde, namelijk met ongedekten hoofde’. Voor hem is dat een argument, dat de door de meerderheid van deputaten geformuleerde regel „Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen” niet absoluut is, maar uitzonderingen kent.

In verband daarmee wijst Lindeboom ook op 1 Cor. 14:34, waar volgens hem geen absoluut zwijggebod gegeven wordt, maar alleen een verbod om te profeteren. Hij suggereert met een beroep op het redebeleid in hoofdstuk 14 dat deze uitspraak te maken heeft – net zoals de aanwijzingen over de omgang met glossalie  – met de misbruiken, die ingeslopen waren.

Zijn mededeputaten zijn echter van mening, dat er tussen 1 Cor. 11 en 1 Cor. 14 geen tegenstrijdigheid is. 1 Cor. 11:2-16 gaat volgens hen niet over samenkomsten van de gemeente, maar over de wijze waarop in het huisgezin gesproken en gebeden moet worden. Maar ook al zou er een tegenstrijdigheid zijn, dan moet men de regel toepassen dat ‘we van het duidelijke moeten uitgaan, en ons daaraan houden. Wat we dan van het minder duidelijke niet kunnen doorzien, blijve rusten. Ons oordeel en gedrag dienen we allereerst te bepalen naar hetgeen waaromtrent geen twijfel kan bestaan.’ En voor hen is evident wat dat ‘duidelijke’ is:

‘Er is dus geenerlei reden voor de gedachte, dat de apostel in 1 Cor. 11 aan de vrouw zou toestaan, wat hij haar in 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2 volstrekt verbiedt’.

Daarom zijn ze van mening, dat als je zegt dat volgens 1 Cor. 11 : 5v.v. het voorschrift van 1 Cor. 14:34-35 in beperkte zin moet worden verstaan en uitzonderingen toelaat, dat niet anders is dan dat je ‘dat duidelijke, later door den apostel in 1 Tim. 2: 1 v.v. herhaalde, gebod of verbod’ krachteloos maakt en van zijn betekenis berooft. Feitelijk beweer je dan, voegen ze er aan toe, ‘dat ook vrouwen wel mogen optreden in de bediening des Woords en tot het predikambt toegelaten mogen worden’.

 

De positie van de vrouw in de bijbel

Als het om de positie van de vrouw in het Oude Testament gaat zijn deputaten er van overtuigd, dat God in overeenstemming met de scheppingsordinantie de vrouw niet openlijk laat optreden en haar ook geen leidende positie geeft of als profetes laat optreden, zoals b.v. Mozes of Jesaja:

‘De leidslieden, die God aan Zijn volk Israel gaf, waren allen mannen. Het waren ook alleen maar mannen, die Hij tot Zijne profeten stelde, om openlijk op te treden voor het volk, en van wie wij profetische geschriften hebben’.

Duidelijke tegenvoorbeelden voor dit standpunt, zoals Mirjam, Debora en Hulda, worden (weg) verklaard met argumenten als:

  • Wij weten niet wat Mirjam als profetes deed en toen zij zelf eens tegenover Mozes als mond van God wilde optreden, sloeg de Heer haar met melaatsheid.
  • Debora wordt richteres, blijkbaar om de mannen te beschamen, maar ze deed haar werk heel anders dan Samuel en Elia.
  • De toestand van Israel onder Manasse en Amon was zo zondig geworden, dat destijds geen man door God verwaardigd werd om Zijn woord door hem bekend te maken en Hij daarvoor een vrouw uitkoos. Ook al was Jeremia net geroepen, hij was nog te jong en te weinig als profeet bekend. Daarnaast ging Hulda, ook al was ze blijkbaar als profetes bekend, er niet op uit en trad zij ook niet op als b.v. Jeremia later.
  • In het algemeen moet bedacht worden, ‘dat wat God doet om en door de zonde van volk en mensch, geen regel voor een mensch stelt, om daarnaar bepalingen te maken’.

Volgens deputaten is de positie van de vrouw in het Nieuwe Testament dezelfde als in het Oude Testament:

‘Uit deze scheppingsordinantie, die de apostel Paulus duidelijk zien doet, als geldende ook de regeling van het gemeentelijke leven, volgt, dat de Nieuwe bedeeling geene wezenlijke verandering bracht in de positie van de vrouw in de Kerk’.

De man treedt naar voren en de vrouw schuilt als het ware achter de man. Zij heeft geen zelfstandige, op den voorgrond tredende positie en roeping. Als bewijs wordt aangehaald, dat Jezus alleen mannen tot apostelen aanstelt. Vrouwen worden alleen maar ingeschakeld als getuigen van de opstanding, omdat de leerlingen verkeerd gehandeld hebben om niet naar het graf te gaan.

Teksten uit Handelingen of de brieven van Paulus, waaruit blijkt dat vrouwen in het evangelie of in een bepaalde bediening in de gemeente werkzaam zijn, zijn volgens deputaten te weinig specifiek ‘om nauwkeurig te kunnen aangeven, welk karakter die arbeid droeg, in welk verband, en onder welke omstandigheden en verhoudingen hij verricht werd’.

Zij achten het op grond van deze teksten niet mogelijk om regels voor het optreden en de taak van de vrouw in de gemeente af te leiden. Opnieuw doet men een beroep op de door hen gestelde regel, dat ‘we hebben uit te gaan van het duidelijk geopenbaarde, om in het licht daarvan zoo mogelijk het meer duistere te verklaren, en niet omgekeerd. En dat heldere bieden in dezen Schriftuitspraken als 1 Cor. 14:34-35; 1 Tim. 2:11-15’.

Op dezelfde manier behandelen deputaten de tekst uit Gal. 3:28, waarin Paulus o.a. verklaart dat in Christus noch mannelijk, noch vrouwelijk is. Deze tekst spreekt volgens hen niet uit, dat voor het leven in de gemeente het onderscheid van mannelijk en vrouwelijk weggevallen is, zodat men zou mogen concluderen:

‘omdat man en vrouw in het hoogste, de gemeenschap met Christus, gelijk zijn, en daar geen zoodanig onderscheid meer geldt, hoe zou het dan betreffende het mindere, de onderlinge verhouding in het gemeentelijke arbeiden, nog kunnen gelden?’

Het foutieve in die redenering is volgens hen als eerste, dat Paulus niet over volwassen mannen en vrouwen spreekt. In mannelijk en vrouwelijk zijn ook de kinderen begrepen. Het mag duidelijk zijn, dat dan ook kinderen het stemrecht zouden moeten ontvangen. In de tweede plaats blijkt uit de later geschreven passages 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2, ‘zoo uitdrukkelijk, en voor geen misverstand vatbaar, het onderscheid terzake van het gemeentelijke optreden tusschen man en vrouw aangeeft en handhaaft’. En ten derde moeten wij deze minder heldere tekst uit Galaten verklaren vanuit wat helder geopenbaard is in 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2.

Aan het slot van hun meerderheidsrapport wijden deputaten aandacht aan de vraag, of de vrouw misschien zelf in de apostolische of na-apostolische tijd tot een ambt verkozen mocht worden. Als dat het geval zou zijn, zou het een belangrijk argument kunnen zijn dat haar dan ook het actief kiesrecht toegekend zou mogen worden. Tenminste als het geen uitzonderingssituatie is, omdat het een met charismata bijzonder gezegende vrouw betreft.

Teksten die in dit verband genoemd worden zijn Rom. 16:1 en 1 Tim. 3:11 waar over het ambt van diakonessen gesproken zou worden, en 1 Tim. 5:9 waar over het kiezen van weduwen gehandeld wordt. Deputaten zijn van mening, dat ‘wat dienaangaande uit de H. Schrift wordt afgeleid berust op hypothese, of althans op een verkeerde exegese der betreffende plaatsen’.

Zo heeft de Statenvertaling hun inziens terecht het griekse woord diakonos niet vertaald met ‘diakones’, maar als ‘dienares’, op de manier zoals ook in de evangeliën wordt gesproken over een dienaar die zonder enige ambtelijke functie werkt in de dingen van Gods Koninkrijk en zijn gemeente (Matt. 20:26 en 23:11, Marc. 9:35 en 10:43):

‘Waar  het N.T. geen enkele aanwijzing geeft omtrent officieel-ambtelijke functie van eenige vrouw, heeft onze Statenvertaling terecht zulk een woord gekozen, waarin uitkomt dat Phoebe slechts een helpster was, al was haar hulp veel omvattend, zoodat deze zich niet alleen over den dienst der barmhartigheid, maar ook over dien des Evangelies uitstrekte, reden waarom zij ook een voorstandster of patrones en medearbeidster genoemd kon worden (Rom. 16 : 2)’.

Op dezelfde manier spreekt Paulus in 1 Kor. 16:15 over Stefanas en zijn huisgezin en in Fil. 4:3 over Euodia en Syntyche als medestrijders in het evangelie en moeten wij de hulpdienst van Priscilla en Aquila verstaan, eerst te Rome en later in Efeze:

‘Zelfs voor zooverre het hier geldt eenige medewerking in de verkondiging des Evangelies is er alleen maar sprake van niet-ambtelijke hulp uit liefde tot Christus vrijwillig en gewillig ten dienste van het apostolaat gesteld’.

Vast en zeker een medewerking die van groot nut geweest is voor de verbreiding van het evangelie, maar die zich ‘ongetwijfeld bepaald (zal) hebben tot eenige onderwijzing privatim aan de huizen en niet in openbare samenkomsten’ en tot andere diensten als b.v. gastvrijheid.

In 1 Tim. 3:11 schijnt Paulus het diakonessenambt te impliceren, wanneer hij voor de vereisten van het diakenschap ook vrouwen daarbij betrekt. Deputaten sluiten zich in de exegese aan bij Calvijn, die hierbij denkt aan de vrouwen van diakenen. Daarnaast zijn ze van mening, dat al zou hier sprake zijn van diakonessen, daarmee niet gezegd is dat ze ambtsdragers waren:

‘Hoogstens wordt hier aan de vrouw, zij het dan ook de vrouw van een diaken, een zekere werkkring in de gemeente toegekend, die niet meer geheel het karakter van vrijwillige liefdearbeid draagt, maar de vrouw als behulpsel naast de diakenen doet optreden’.

De exegese van 1 Tim. 5:9 levert volgens deputaten meer moeite op. Toch is hier geen sprake van een ambt in eigenlijke zin. Ook al wordt in de vertaling het woord ‘gekozen’ gebruikt, het griekse woord katalegestho betekent niet anders als dat een bepaalde klasse weduwen op een lijst wordt geplaatst. Het kan zijn dat zij een taak hadden op het gebied van de diaconale verzorging of dat zij de ouderlingen als helpsters hebben gediend, in het bijzonder bij het vrouwelijke deel van de gemeente.

Op basis hiervan concluderen deputaten dat ‘noch bij de diakonessen noch bij het viduaat of den weduwdienst van een eigenlijk gezegd kerkelijk ambt sprake is geweest’. Waar in de na-apostolische tijd toch van een diakonessenambt sprake is heeft men ongetwijfeld ‘deze schriftuurlijke gegevens in de ontwikkeling van het kerkelijk leven niet steeds voor ogen gehouden’.

 

Conclusie en beoordeling 

In de exegese van de m/v-teksten is de overgrote consensus in 1930 dat er in de bijbel een absolute onderschikking van de vrouw aan de man wordt geleerd en dat de vrouw dus in de gemeente te allen tijde behoort te zwijgen.

Bijzondere punten die in de fundering van deze exegese opvallen zijn:

  • De man wordt gezien als het beeld van God, de vrouw als het beeld van God in een van de man afgeleide en afhankelijke zin. Haar wezen, aard en roeping is er op gericht, dat zij de helper van de man is. Het ‘tegenover hem’ functioneert in de praktijk vooral als ‘aan hem’ ondergeschikt zijn.
  • De onderschikking van de vrouw aan de man geldt niet alleen in het huwelijk, maar in de hele samenleving en (dus) ook in de kerk.
  • De exegese van de schepping van de vrouw in Genesis 2 wordt volledig bepaald door de uitkomsten van de interpretatie die deputaten geven van de aanwijzingen die Paulus over de vrouw geeft in 1 Kor. 11, 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. Ze labelen de uitkomst van hun exegese als ‘de scheppingsordinantie’.
  • Genesis 1 en 3 spelen in de discussie nauwelijks rol. Alle aandacht gaat uit naar de implicaties van Genesis 2 voor de verhouding tussen man en vrouw.
  • C. Lindeboom probeert vanuit Genesis 1:27-28 te laten zien, dat man en vrouw op gelijke wijze het beeld van God vormen. Van daaruit voert hij een pleidooi voor het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in de gemeente.
  • De uitleg van de positie van de vrouw in het Oude en Nieuwe Testament wordt op een zelfde manier bepaald door de uitleg van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. Deze teksten zijn de norm, waaraan andere teksten in de bijbel over de positie van de vrouw gemeten worden. Wanneer de inhoud van die teksten strijdig is met de veronderstelde ‘scheppingsordinantie’, worden deze teksten zo verklaard dat de tegenstrijdigheid opgelost is.
  • Wanneer vrouwen in de bijbel een leidende rol spelen of in een positie verkeren dat zij gezaghebbend spreken, dan kan het niet anders zijn dan een uitzondering op de veronderstelde norm van de onderdanigheid van de vrouw en van de regel dat vrouwen geen gezag mogen uitoefenen over de man.