Kritiek op ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’

De website ‘Bezinning Man, Vrouw en Ambt’ presenteert zich als een platform met studiemateriaal naar bijbeluitleg, achtergronden en gevolgen van het besluit van de GS Meppel 2017. Ze zeggen van zichzelf dat ze niet zonder meer ‘tegenstanders’ van de vrouw in alle ambten zijn, maar ze verwachten in een besluit om het ambt voor de vrouw in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKv) open te stellen ‘een weloverwogen, evenwichtige en bijbels gezonde argumentatie .., die de toets van de kritiek kan doorstaan.[i]

Je mag verwachten dat het materiaal dat ze zelf presenteren ook aan die eis zal voldoen. De keren dat ik materiaal van deze site geanalyseerd heb, viel het me op dat de argumentatie en het bijbels gehalte daarvan ver onder de maat was. Ik denk dan aan de 15 brieven van Rufus Pos aan zijn kinderen, een artikel van dr. Pieter Boonstra over ‘de priesterlijke lijn’ en meer in het algemeen de opmerking die regelmatig geuit wordt, dat het ‘m/v-besluit’ getuigt van Schriftkritiek.[ii]

In oktober 2018 werden op de site drie video’s van een avond in Haren met dr. Gert van den Brink geplaatst, met als aanbeveling: ‘In deze lezing gaat hij, in een verhelderend en goed te volgen betoog, in op de nieuwe hermeneutiek.[iii]

In deze video’s presenteert Van den Brink zijn kritische visie en beoordeling van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.[iv] Deze bundel verscheen in september 2017 om de manier te verantwoorden waarop aan de TU Kampen vandaag theologie wordt bedreven en het gezag van de bijbel in het onderwijs handen en voeten krijgt. De kern van Van den Brink’s kritiek is dat hij vindt dat in deze bundel in de ethiek afscheid wordt genomen van de normativiteit van Gods woord en dat er in de dogmatiek zoveel verschuift of zal verschuiven, dat hij de retorische vraag stelt of dit nog ‘gereformeerd’ is: ‘Kun je jezelf nog gereformeerd noemen, als je zo’n andere visie hebt op goed en kwaad?

Fundamentele kritiek dus, die de bezinningssite van harte aanbeveelt. Kennelijk vooral, omdat men een samenhang ziet tussen het hermeneutisch denken zoals dat in deze hermeneutiekbundel vanuit Kampen gepresenteerd wordt en de onderbouwing van het besluit in de GKv om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Fundamentele kritiek vereist echter een zorgvuldige onderbouwing. De aangevoerde argumenten en de daaruit afgeleide conclusies moeten wel verantwoord zijn. Daar schort het nogal aan bij dr. Van den Brink. Hoe helder en goed te volgen het betoog ook is, de citaten die hij aanhaalt zijn regelmatig uit het verband gehaald en in de conclusies die hij daar vervolgens aan verbindt, gaat hij behoorlijk met de citaten op de loop om er zijn eigen draai aan te geven.


Een typerend voorbeeld van deze onzorgvuldige manier van redeneren en concluderen is hoe dr. Van den Brink mij als vertegenwoordiger van de ‘nieuwe hermeneutiek’ presenteert.[v]

Laat ik eerst citeren, wat hij zegt:

Gelovigen nu zijn eigenlijk slechts, – volgens de nieuwe hermeneutiek -, alleen gebonden aan de vector, de grote doorgaande lijn, aan de grootste gemene deler, aan de richting waar het opgaat. Die is bepalend. Als je maar in de grote brede stroom van de pijl staat, zit je goed. Nou dat is de vraag, of je dat zo mag zien.

In de HC Zondag 7 staat dat het christelijk geloof alles gelooft wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. Valt dat hier nog binnen? Pathuis – ook een voorstander van de nieuwe hermeneutiek – schrijft op zijn website: “Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.” Als je maar in de grote lijn zit.

Daarmee verschuift de betekenis van wat geloven is. Geloven wordt vooral een levenshouding. Dat ik mijn leven richt in de richting van de grote pijl. Bekering is een perspectiefwisseling. Je gaat anders naar de dingen kijken. Maar mag je bekering daartoe beperken? Niet allereerst de fides quae (inhoud), maar de fides qua: houding, habitus, manier van leven.

Inderdaad kun je van mijn website min of meer de zinsnede citeren: ‘Wij hebben Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis.’ Maar die zinsnede staat wel in een alinea, die begint met: ‘Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving.[vi] Dus ik zeg, dat Paulus’ concrete aanwijzingen over de rol en posities van mannen en vrouwen in de kerk geen cultuur overstijgende normatieve betekenis hebben, omdat ze gerelateerd zijn aan de patriarchale samenleving. Ik beweer niet van Paulus’ aanwijzingen in het algemeen, dat ze ‘geen cultuur overstijgende betekenis’ hebben.

Vervolgens geef ik in die alinea ook een argument voor mijn visie over de wijze waarop de m/v-teksten van Paulus in onze tijd moeten gelden: ‘Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen.’ Dat is de reden, dat ik schrijf dat Paulus’ aanwijzingen over het zwijgen van vrouwen ‘geen cultuur overstijgende normatieve betekenis’ hebben en dat wij ‘de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting [mogen] brengen.

Voor mij hebben Paulus’ aanwijzingen over het gedrag van de vrouw in de gemeente namelijk wel degelijk normativiteit. De vraag is alleen hoe je deze normativiteit in onze huidige westerse cultuur bijbels verantwoord tot uitdrukking brengt. En dat is volgens mij niet, door ze rechtstreeks en ‘een-op-een’ van toepassing te verklaren voor onze situatie.

Ik herken mij dus ook niet in de conclusie, die Van den Brink aan het ‘citeren’ van deze zinsnede uit mijn blog verbindt. Alsof ik de visie heb dat geloven alleen maar een habitus is, zonder inhoudelijke normativiteit. M.i. kun je niet op basis van een uit zijn verband gerukt citaat beweren dat ik de inhoud van HC Zondag 7 niet meer voor mijn rekening zou willen nemen en niet meer alles voor ‘betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft.’

Deze passage over mijn website is maar een klein detail in een groter betoog, waarin alle kritiek gericht is op de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’. Maar tegelijk heeft deze onjuiste weergave van mijn visie wel een dragende grond in de algemene strekking van Van den Brink’s betoog. Hij zaait twijfel aan de integriteit en de confessionele betrouwbaarheid van de auteurs van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.


Een ander typerend voorbeeld is hoe dr. Van den Brink de ethiek van dr. Ad de Bruijne schetst. Eerst stelt hij, dat hij daarin ‘een deugdethiek zonder een gebodsethiek’ aantreft. Daar merkt hij vervolgens over op:

Een deugdethiek gaat over de deugden als zelfbeheersing, geduld, etc. Dat is goed, maar dat kan niet zonder een gebodsethiek. Een gebodsethiek is: ‘gij zult’ en ‘gij zult niet’. Deze gebodsethiek is zover op de achtergrond verdwenen, dat nagenoeg alleen de deugdethiek overgebleven is. Citaat van De Bruijne: “Hun centrale ethische vraag kun je weergeven als: hoe doe je met je leven en met je concrete keuzen recht aan het grote verhaal van Gods werken in Christus”, [geciteerd uit ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’, p. 184). Anders gezegd: hoe moet je als christen leven? Ik zou zeggen met de HC: ´hij leeft de geboden van God na´. Dat is niet wat De Bruijne zegt. Hij heeft het opnieuw over het grote verhaal van God en een christen probeert zo in het leven te staan, dat hij past in die pijl, die vector, die doorgaande lijn. Dan verwijst hij [= De Bruijne] naar Augustinus: ‘de interpretatie die de liefde dient, is altijd de juiste’. Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout. Ik ben niet nagegaan of Augustinus het ook zo zegt, maar ik vind er wel enkele vragen bij te stellen.”

In deze passage suggereert Van den Brink, dat je de ethiek van De Bruijne kunt samenvatten met de richtlijn: ‘Dus als je het maar uit liefde doet, zit je nooit fout.’ Als je de verwijzing naar Augustinus in het hoofdstuk opzoekt, dan zie je dat De Bruijne dat citaat aanhaalt in een passage waarin hij schrijft over de noodzaak van ‘zelfkennis en zelfkritiek’ in je ethische hermeneutiek. Daaraan voegt De Bruijne toe:

Ook leren we met Augustinus dat de interpretatie die de liefde dient altijd de juiste is. Daarmee bedoelt hij [= Augustinus] niet ‘wat voor de ander fijn voelt’, maar wat de ander recht doet op diens plaats voor Gods aangezicht.[vii]

Duidelijk is dat De Bruijne hier een normatieve notie invoert voor het ethisch handelen, die hij via Augustinus terugvoert op de bijbel. De Bruijne keert zich juist tegen een interpretatie van de liefde als een subjectief gevoel die norm zou mogen zijn voor het handelen, wat Van den Brink De Bruijne vervolgens juist in de schoenen schuift door het citaat weer te geven als: ‘Als je het uit liefde doet, zit je nooit fout.’

Het is mij een raadsel hoe Van den Brink op verantwoorde wijze de conclusie kan trekken, dat bij De Bruijne bijna alleen sprake is van een deugdethiek. Alleen al het citaat dat hij aanhaalt van p. 184 laat zien, dat De Bruijne wel degelijk staat voor de normativiteit van Gods woord in het handelen van een christen. Je moet recht doen aan ‘het grote verhaal van Gods werken in Christus’. Dat is het kader, waarbinnen de apostelen hun ethische instructies geven.

De Bruijne laat vervolgens ook zien, hoe de apostelen dat kader dan verder normatief invullen vanuit Gods openbaring in het onderwijs van Jezus en van Mozes. ‘Jezus’ eigen aardse onderwijs vormt de kern’:

Zoals Mozes Gods Thora gaf aan het oude volk Israël .. zo geeft Jezus een vernieuwde Thora, voor een nieuw Israël uit alle volken ..’, (185).

Daarmee wordt de Thora van Mozes door De Bruijne niet afgeschreven, integendeel:

Wanneer de bergrede centraal staat, wordt daarmee tegelijk Mozes’ Thora een onmisbare bron van christelijk-ethische hermeneutiek’, (186).

Mijn inziens heeft dr. Van den Brink geen enkele grond om te beweren, dat De Bruijne de uitspraak van de Heidelbergse Catechismus niet zou onderschrijven, ‘dat een christen de geboden van God na moet leven.


Toch is dit de manier waarop Van den Brink stelselmatig argumenteert, concludeert en zijn beweringen onderbouwt. Onzorgvuldig lezen en citeren en op basis van halve waarheden en hele onwaarheden conclusies trekken, die suggereren dat de besproken auteurs van het boek ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’ geen recht doen aan de bijbel als Gods woord en dat er getwijfeld moet worden aan hun gereformeerd-confessionele betrouwbaarheid.

Tegelijk is deze manier van presenteren de reden, dat ik protest aanteken tegen het plaatsen van zulk materiaal op de website www.bezinningmvea.nl. Dit is geen waardevolle bijdrage aan het gesprek over het ‘m/v-besluit’ in de GKv, maar het lichtvaardig veroordelen en helpen veroordelen van de goede naam van de TU Kampen.



[i] https://www.bezinningmvea.nl/entry/nieuws

[ii] Over de brieven van Pos, zie:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/, https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/12/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-2/. Over ‘de priesterlijk lijn’, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/14/priester-m-v/. Over de typering van het ‘m/v-besluit’ als Schriftkritiek, zie: https://fpathuis.wordpress.com/2019/03/06/de-gkv-en-de-schriftkritiek/.

[iii] https://www.bezinningmvea.nl/entry/op-zoek-naar-betekenis

[iv] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017.

[v] Ik presenteer mij niet als een vertegenwoordiger van ‘de nieuwe hermeneutiek’. Ik sta voor een gereformeerde hermeneutiek, waarin ook aandacht is voor de vraag hoe je op verantwoorde wijze de normativiteit van de bijbel vandaag tot gelding brengt. Voor deze vraagstelling is in de traditionele ‘gereformeerde hermeneutiek’ te weinig aandacht geweest. Dat vind ik het waardevolle van de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag’.

[vi] https://fpathuis.wordpress.com/2018/06/09/meedenken-met-loonstra-i/

[vii] Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, Ad de Bruijne en Hans Burger (red.), Barneveld, Uitgeverij De Vuurbaak, 2017, p. 191. Het citaat van Augustinus is ontleend aan een van zijn bekendste werken De doctrina Christiana, een boek waarin Augustinus ingaat op de vraag hoe je de bijbel moet lezen.

Advertenties

Paulus en de scheppingsorde

     –  Verhouding m/v in Gen. 1 en 2

Het afgelopen half jaar heb ik een serie van 6 blogs geschreven over verschuivingen in de 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten in de GKV.

Een van mijn conclusies was dat er in de 90-er jaren van de 20e eeuw een consensus ontstaan is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw.

Op basis van de besluitvorming van de GKV Synode Ommen 1993 over het toekennen van het actief kiesrecht aan vrouwen in onze kerken formuleerde ik deze consensus zo:[i]

‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.’

 

      – Beroep op Paulus bij Rufus Pos

Nu we 25 jaar verder zijn, doet zich het interessante verschijnsel voor dat deze consensus aangevochten wordt door degenen die zich niet kunnen verenigen met het besluit van de GKV Synode Meppel 2017 om nu ook de ambten in de kerk voor vrouwen open te stellen.

Rufus Pos voert in een serie brieven geplaatst op de website van de over dit besluit verontruste GKV-ers  www.bezinningmvea.nl een pleidooi voor een interpretatie van Genesis 1-3, waaruit zou blijken dat er al bij de schepping sprake was van een relatie tussen Adam en Eva van ‘gezag en onderworpenheid’.

Exegetisch gezien is de in de jaren ’90 ontstane consensus gebaseerd op de overweging dat een absoluut opgevatte uitleg van de zgn. zwijgteksten niet – zoals men dat eeuwenlang gewoon was – als interpretatiekader voor de exegese van Genesis 1-3 gebruikt mag worden. Wil men aan deze hoofdstukken recht doen, dan moeten ze allereerst in hun eigenheid uitgelegd dienen te worden.

Gezien wat Pos wil betogen is het niet verwonderlijk, dat hij ter ondersteuning van zijn exegese weer een beroep wil doen op die oude manier van het inlezen van de onderdanigheid van man en vrouw in het scheppingsverhaal. Toch zou hij het gesprek over m/v verder helpen, wanneer hij niet alleen die verouderde exegeses van stal haalt, maar ook zou toelichten hoe hij die ten opzichte van de thans gangbare exegeses verantwoordt. Anders blijft het gewoon een ‘welles-nietes’ debat.

 

     – ‘Hoofd’ in Efeziers 5 : 22 – 33

Veel van de argumenten voor de door Pos voorgestane exegeses van de teksten van Paulus hebben het niveau van: ‘het staat er toch!’, en dan denk ik: ‘hoezo staat dat daar?’

Typerend voorbeeld is zijn exegese van Ef. 5:22-33. Wie de commentaren er op na slaat weet, dat één van de belangrijkste exegetische vragen is: wat betekent het begrip ‘hoofd’ hier?

Wat die vraag betreft schrijft Pos: “De man is het hoofd van zijn vrouw. Daar hoor je iets in van verantwoordelijkheid. En als je nu wil weten wat dat precies inhoudt dan moet je letten op de vergelijking die Paulus maakt. De man is het hoofd van zijn vrouw zoals Christus het Hoofd is van zijn gemeente. Zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen.”

Vervolgens verwijst hij kort naar de uitleg van deze tekst in synoderapporten en -besluiten terzake van het vrouwenkiesrecht en het huwelijksformulier, waarin het ‘hoofd-zijn’ omschreven wordt als ‘dienend gezag of liefdevolle leiding’. Op zichzelf kan hij daarmee instemmen. Het ook wel in dit verband gehanteerde beeld van een ‘koppositie’ -hebben vindt hij maar niets, omdat dat te vrijblijvend is en daarin elke normatieve betekenis ontbreekt. Waaraan hij toevoegt: ‘Paulus roept de vrouw op het gezag van haar man te erkennen, omdat de man het hoofd is van zijn vrouw. Kan het duidelijker!?

In zijn hele betoog stelt Pos zich niet de vraag, wat het begrip ‘hoofd’ betekent. Hij gaat er gewoon vanuit dat het ‘hoofd-zijn’ van de man betekent dat de man gezag over de vrouw heeft, maar hij doet geen enkele poging om dat te beargumenteren.[ii]

 

     –  De term ‘gezag’ bij Paulus

Bijzonder in dit verband vind ik de suggestie die Pos op een gegeven moment doet: ‘Waarom niet de termen gebruiken die we in de Bijbel tegenkomen? Het gaat immers gewoon over gezag!’

Als hij zijn eigen advies opgevolgd zou hebben, zou hij ontdekt hebben dat je er niet vanzelfsprekend vanuit kunt gaan, dat overal waar in de nederlandse vertaling ‘gezag’ staat, griekse woorden of termen gebruikt worden die staan voor ‘zeggenschap hebben over een persoon in een onderdanige positie.’

Zo is de enige keer waarin het meest gebruikelijke griekse woord voor gezag (exousia) in het Nieuwe Testament in relatie tot de verhouding man/vrouw gebruikt wordt 1 Kor. 7:4: ‘Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over zijn lichaam, maar zijn vrouw.’ Ik ben wel benieuwd hoe Pos deze tekst verbindt met zijn visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig moet zijn.

Ook als Pos de zgn. zwijgteksten aanhaalt, gaat hij niet na welke termen of omschrijvingen Paulus precies voor ‘gezag’ gebruikt en hoe die bij hem functioneren. Het enige dat hij doet is ze te citeren:

  • 1 Korinte 11 spreekt Paulus over het ‘hoofd-zijn’ van de man en verwijst dan naar de volgorde waarin man en vrouw geschapen zijn.”
  • Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt (submissive) blijven” (1 Kor. 14)
  • Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen etc.” (1 Tim. 2:12vv).

Het belangrijkste voor Pos is niet de exegese van deze teksten, – die is voor hem kennelijk evident – , maar de conclusie die hij daaraan wil verbinden: “[Paulus] grijpt onbekommerd en uit volle overtuiging telkens terug naar de eerste hoofdstukken van Genesis.

Als we dan de griekse woorden nagaan die in de NBV in relatie met de verhouding m/v met ‘gezag’ vertaald worden, zijn dat de werkwoorden ‘authentein’ en hupotassein’.

Over ‘authentein’ kan ik kort zijn. Dat is een woord dat alleen in 1 Tim. 2:12 voorkomt. Het heeft niet de normale betekenis van ‘gezag hebben’, maar de klankkleur van ‘domineren, willen overheersen, de macht grijpen’. Dat is wat Paulus de vrouwen verbiedt. Maar met dit verbod is niet gezegd dat vrouwen niet met gezag zouden mogen spreken.

Hupotassein’ betekent 1. aktief: ‘iemand onderwerpen’, 2. passief: ‘onderworpen worden’ en 3. mediaal: ‘zich onderwerpen aan’ / ‘zich schikken naar’ / ‘zich voegen onder’. Vanuit de context zal duidelijk moeten worden op grond waarvan én de wijze waarop men zich dient te ‘onderschikken’. Je kunt er niet automatisch vanuit gaan, dat overal waar Paulus deze term gebruikt hij naar een veronderstelde scheppingsorde verwijst als reden waarom de vrouw zich dient te ‘onderwerpen’.

 

     –  Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal

Aan de vraag hoe de elementen die Paulus aan het scheppingsverhaal ontleent, binnen de context van Paulus’ betoog verstaan dienen te worden, besteedt Pos geen aandacht. Hij denkt kennelijk te weten, dat het over gezag en onderdanigheid gaat, en op basis daarvan voelt hij zich gerechtigd om die veronderstelde ‘gezag- en onderdanigheidsrelatie’ in het verhaal in Genesis 1-3 in te lezen.

Als ik echter lees op welk moment Paulus in Efeziërs 5 een beroep doet op het scheppingsverhaal, dan is dat in het gedeelte dat aan de man gericht is om de mannen er op te wijzen, dat zij hun vrouw moeten liefhebben als hun eigen lichaam. Paulus haalt juist die nauwe eenheid en verbondenheid van man en vrouw uit het scheppingsverhaal naar voren met zijn beroep op Gen. 2:24: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die zullen tot één lichaam zijn’. En Paulus zijn conclusie is dan: ‘Daarom geldt voor elk van u [= mannen] dat ieder zijn vrouw moet liefhebben als zichzelf, en dat een vrouw ontzag moet hebben voor haar man’.

Paulus beargumenteert dus met dit beroep op de schepping helemaal niet de onderdanigheid van de vrouw aan de man, maar hij fundeert daarmee de totale eenheid en liefdevolle verbondenheid van man en vrouw aan elkaar. Als Paulus hier het Griekse woord gebruikt dat in de NBV vertaald wordt met ‘ontzag’ (phobos), dan heeft dat de betekenis van ‘respect’ en ‘eren’ in zich en totaal niet de connotatie van ‘onderdanigheid’, zoals Pos het daar iedere keer over heeft. Paulus neemt hier het woord op, dat hij ook in 5:21 gebruikt: ‘Aanvaard elkaars gezag uit eerbied [phobos] voor Christus’, (NBV).

 

     –  ‘Onderdanig’-zijn bij Paulus

Om op dit punt het verhaal rond te maken nog een enkele opmerking over de manier waarop Paulus het werkwoord ‘hupotassein’ fundeert en gebruikt. Want Paulus heeft het natuurlijk wel over het ‘onderdanig’ zijn van de vrouw aan de man. Het punt is echter dat hij die onderdanigheid niet fundeert op de scheppingsorde, zoals Pos dat veronderstelt.

Ook al kun je je niet beroepen op de scheppingsorde zoals Pos doet, daarmee is niet ontkend, dat er in het christelijke leven en in de kerk – en ook op een vernieuwde aarde – wel van gezag sprake is. Ook is daarmee niet gesteld, dat ‘dat ‘gezag’ en ‘autoriteit’ niet uitsluitend bestaan vanwege de zonde’, zoals Pos uitentreure over visies beweert, waar hij het niet mee eens is. De vraag is wel, waar dat gezag op gebaseerd is, aan wie het verleend wordt en hoe dat ‘gezag oefenen’ dan functioneert. Wat dit betreft vind ik dat Pos tegen windmolens ten strijde trekt en karikaturen bestrijdt, die hij eerst zelf opgeroepen heeft.[iii]

Als het om het functioneren van het werkwoord ‘hupotassein’ bij Paulus gaat zijn er twee parameters te herkennen, die de betekenis bij hem bepalen.

Allereerst is er de context van een samenleving die gebouwd is op een honor/shame-cultuur en een patronagesysteem van ‘patron’ en ‘client’, waarbij de client zich schikt naar de ‘patron’ en die eer betoont, terwijl de ‘patron’ als ‘benefactor’ (weldoener) gunsten en zorg aan de ‘client’ besteedt.

Als tweede wordt dit werkwoord echter inhoudelijk bepaald en ingevuld door het voorbeeld van Christus, zoals Paulus dat in Ef. 5:1-2 aan de kerk in Efeze ten voorbeeld stelt: ‘Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God’. Vandaar dat Paulus de zgn. huistafels over de relatie tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, en tussen heren en slaven, ook begint met de algemene aansporing: ‘Onderwerp u aan elkaar uit eerbied voor Christus’, (GNB 1996 Ef. 5:21).

Pos meent deze uitleg te kunnen bestrijden met het argument, dat:

‘als je het woord ‘elkaar’ in deze tekst [Ef. 5:21] op bovenstaande manier uitlegt, loopt het begrip ‘gezag’ helemaal leeg. Wat blijft er van ‘gezag’ over als ik jouw gezag moet aanvaarden en jij mijn gezag? Deze tekst kan m.i. daarom echt niet anders betekenen dan dat je, hoewel allemaal kind van God en dus voor Hem gelijk, toch het door God aan sommigen gegeven gezag zult moeten aanvaarden. Gelijkwaardigheid ontslaat je niet van de plicht om legitiem gezag te erkennen.’

Eerlijk gezegd begrijp ik niet, wat Pos bedoelt met het ‘leeglopen’ van het begrip ‘gezag’. ‘Hupotassein’ gaat niet over het begrip gezag of over het schikken naar een scheppingsorde. Dat is m.i. pure inlegkunde van Pos vanuit een voorbije christelijke cultuur waarin orde en gezag op een patriarchale wijze ingevuld werden. De standaard voor gezag is niet de ‘patron’ tegenover zijn ‘client’, maar de standaard is Christus die zijn leerlingen heeft voorgedaan wat het betekent om in liefde elkaar te dienen. Elk vorm van gezag en van gezaghebbend spreken in de christelijke gemeente is op hem gefundeerd en van hem afgeleid.

 

     –  Conclusie

Samenvattend is mijn conclusie, dat Rufus Pos in zijn brieven er ongefundeerd en onterecht vanuit gaat dat hij Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal kan gebruiken om in Gen. 1-3 te lezen, dat de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Paulus gaat niet uit van de door Pos veronderstelde scheppingsorde met betrekking tot man en vrouw.

 

[i] Zie de betreffende blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[ii] Zie in dit verband de waarschuwing van Alan Johnson: ‘Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen’, mijn vertaling in de blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/23/alan-johnson-over-cultuur-en-bijbellezen/.

[iii] Zie mijn eerdere blog over de wijze waarop Pos de inzichten van Ad de Bruijne weergeeft: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.

 

 

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (4) – 1993

Algemeen

Besloot de GKv synode van Groningen-Zuid in 1978 nog met een ruime meerderheid de gangbare praktijk te handhaven, dat vrouwen niet mee mogen stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers, in 1993 besluit zij unaniem om deze uitspraak vervallen te verklaren. Vervolgens besluit zij bijna unaniem (er was 1 onthouding) ‘uit te spreken dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’.

Samengevat zijn de gronden daarvoor:

  • de stemming is een onderdeel van de verkiezing van ambtsdragers en kan getypeerd worden als meewerken aan de opbouw van de gemeente;
  • bij verkiezing en stemming gaat het niet om een eigen individuele stem, maar om de stem van de gemeente; de zusters vormen samen met de broeders de stem van de gemeente;
  • de stemming vindt plaats binnen de verantwoordelijkheid van de kerkenraad;
  • de Schrift geeft geen algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente;
  • het verkiezen door de gemeente heeft niet het karakter van uitoefenen van gezag of macht over de kerkenraad of de gekandideerden.

In 1987 lag er op de synodetafel al een revisieverzoek van het besluit over het vrouwenkiesrecht uit 1978 door een kerklid, maar dat werd niet ontvankelijk verklaard, omdat het een nieuwe zaak zou zijn en niet volgens de kerkelijke weg ingediend was.

In 1993 ontving de synode een tiental verzoeken, waaronder van vier Particuliere Synoden (Groningen, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland), om het besluit uit 1978 te herzien en vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen.

De voornaamste reden dat de synode in kan stemmen met het vrouwenkiesrecht is een kerkrechtelijke. Men interpreteert het karakter van een stemming zodanig, dat de vraag of vrouwen daarin gezagvol spreken over mannen niet meer van belang is, omdat het stemmen sowieso niet meer gezien wordt als het uitoefenen van gezaghebbend of leidinggevend spreken.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Omdat het in de argumentatie op de synode van 1993 vooral gaat om de kerkrechtelijke vraag naar het karakter van het stemmen, wordt er minder ingegaan op specifieke m/v-teksten. In de exegese richt men zich vooral op het thema van de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente.

Een belangrijke veronderstelling in de argumentatie van de synode van 1978 tegen het vrouwenkiesrecht is, dat de vrouw aan de man onderdanig behoort te zijn. Daarbij verwees men vooral naar de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 14:34-35 (opgevat als een algemeen zwijggebod) en 1 Tim. 2 (opgevat als een zich onderschikken aan de man en geen gezag over hem mogen uitoefenen).

Tegenover deze visie spreekt de synode van 1993 uit dat daarin te weinig rekening wordt gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Hiermee neemt de synode een lijn op, die in het commissierapport ingezet wordt. ‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen’.

Volgens het commissierapport leren de brieven in het Nieuwe Testament ‘de gelijkwaardigheid van man en vrouw (wat iets anders is dan de gelijkheid)’, en daarnaast leert het Nieuwe Testament óók ‘de onderdanigheid van de vrouw ten opzichte van de man, allereerst in het huwelijk; dit onderscheid werkt door in de gemeente, voor getrouwden en niet (meer) getrouwden; daarom wordt zij buitengesloten van het leer- en regeerambt’.

Een beroep op 1 Kor. 14:34-35 kan volgens de synode een algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente niet ondersteunen, omdat het daarin alleen gaat over het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst. Ook heeft het verbod in 1 Tim. 2:11-15 betrekking op het gezag oefenen over de man door ‘leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst ’.  Vandaar dat de conclusie wordt getrokken, dat deze teksten uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 niet gebruikt kunnen worden voor een verbod voor vrouwen om een stem uit te brengen tijdens de verkiezing van ambtsdragers.

Integendeel: met een verwijzing naar Hand. 2:17-18, Hand. 21:9 en 1 Kor. 11:5 is de synode van mening dat de vrouw in de gemeente wel degelijk een eigen, zelfstandige stem mag hebben. Die vloeit voort uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw, die blijkt uit het gegeven dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk.

Als het gaat over de positie van de vrouw in de kerk moeten namelijk niet alleen 1 Kor. 14:34 en 1 Tim 2:11v ter spraken komen. Andere teksten in het Nieuwe Testamant laten zien, dat mannen én vrouwen delen in de gaven van de profetie, terwijl vrouwen ook mogen bidden en profeteren in de gemeente, mits het gebeurt op een manier die met haar positie in overeenstemming is. In de vroeg-christelijke gemeenten zijn vrouwen actief betrokken bij èn worden ze ingeschakeld voor de dienst aan het evangelie. Ze worden net als mannen opgeroepen om mee te werken aan de opbouw van de gemeente. Op dezelfde wijze mogen vrouwen daarom wel degelijk een inbreng hebben bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente.

Duidelijk is dat er voor de synode in 1993 in het betrekken van vrouwen voor taken in de gemeente wel een grens is. Op grond van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11-15 concludeert zij dat de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente betekent dat ze ‘geen leer- of regeerambt in de gemeente mag vervullen’.  Expliciet wordt dat nog in de laatste grond voor het besluit verwoord: ‘omdat stemmen niet beschouwd mag worden als een vorm van (mee)regeren, mag het toekennen van stemrecht aan de zusters niet gezien worden als een eerste stap op weg naar het leer- en regeerambt van de zusters’.

 

Onderdanigheid en gelijkwaardigheid

Het is interessant om de exegese van de m/v-teksten in 1993 te vergelijken met die in 1978. Dan wordt zichtbaar, dat de synode een nieuwe richting kiest door in de bijbel expliciet twee lijnen in de verhouding tussen man en vrouw aan te wijzen: naast die van de onderdanigheid van de vrouw aan de man, ook die van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Ook al wordt ook in het meerderheidsrapport uit 1978 de gelijkwaardigheid van man en vrouw als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, deze wordt meteen in dezelfde zin gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen: ‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden.’ De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man. Dit ‘ondergeschikt’-zijn is verder bepalend voor de verdere invulling van de relatie tussen man en vrouw. Ook al wordt er gesproken over ‘de kompetentie van de zusters als mondige kerkleden’, van het belang is wel dat zij deze ‘kompetentie’ uitoefent binnen het zich onderschikken aan de man.

Het verrassende in de exegese in 1993 is, dat deze allesbeheersende dominantie van de ‘onderschikking’ ten opzichte van de ‘gelijkwaardigheid’ opgeheven wordt en dat man en vrouw ook als gelijkwaardig ten opzichte van elkaar gezien worden.

Met een beroep op Gen. 1 wordt betoogd, dat Adam en Eva beiden ‘naar Gods beeld geschapen zijn, in volkomen gelijkwaardigheid, met een gemeenschappelijke taak’. Het eerst geschapen zijn van Adam betekent wel, dat Adam is ‘het hoofd van zijn vrouw en de taak heeft voorop te gaan en leiding te geven’ (met een beroep op 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2), maar dat betekent niet dat Adam méér is dan Eva: in Gen. 2:18 krijgt de wederkerigheid juist het accent. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Men beseft dat het met name het Nieuwe Testament is, dat spreekt over de onderdanigheid van de vrouw aan de man. Maar men wijst er dan op, dat met die onderdanigheid ‘in de eerste plaats gezien wordt op de relatie van man en vrouw in het huwelijk’. Daarom kan ‘moeilijk ‘in abstracte zin’ gesproken worden over ‘de’ man en ‘de’ vrouw bij de schepping of over de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw in het algemeen’.

Wel voegt men er aan toe, dat ‘zoals het onderscheid tussen man en vrouw in het huwelijk niet wordt uitgewist’, dat ‘evenmin in de gemeente’ gebeurt. Het ‘leren’ en ‘regeren’ is niet aan de vrouwen opgedragen, terwijl vrouwen en mannen een onderscheiden plaats innemen. Maar dat betekent dus niet, dat aan vrouwen elke vorm van spreken verboden wordt of dat zij van elke activiteit uitgesloten wordt.

De mogelijkheid daartoe ligt in een andere exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. In 1978 worden deze teksten opgevat als een algemeen zwijggebod voor vrouwen, in 1993 wordt de reikwijdte van het verbod beperkt tot de eredienst en dan ook alleen tot die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Wel is men net als in 1978 van mening, dat in deze teksten vrouwen verboden wordt een ‘leer- of regeerambt te vervullen’.

Het grote verschil in uitkomst van het uiteindelijke synode besluit ligt in de vraag, of het stemmen kerkrechtelijk gezien valt onder de reikwijdte van het verbod om te spreken in de gemeente. In 1978 zei men ‘ja’, in 1993 ‘nee’.

Deze andere taxatie in 1993 is aanvaardbaar, omdat men op grond van een andere exegese van de m/v-teksten met een grotere nadruk op de gelijkwaardigheid van man en vrouw de mogelijkheid gecreëerd had om de bijdrage van vrouwen in de gemeente positief te waarderen. Het is denk ik niet zonder reden, dat de rapporteur van de commissie benadrukte dat Gal. 3:28, waarin het gaat over de gelijkwaardige positie van man en vrouw in Christus, ‘weliswaar niet doorslaggevend voor het vrouwenstemrecht (is), maar er wel iets over te zeggen (heeft)’ en daarom ook in het besluit opgenomen diende te worden.

 

Conclusie en beoordeling

Aan het besluit van 1993 ligt een veranderde visie op de m/v-teksten ten grondslag doordat men in de exegese niet meer het perspectief van de onderdanigheid van de vrouw aan de man laat domineren, maar ook principieel ruimte biedt voor de onderlinge gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Bijzondere punten die in de argumentatie en in de exegese van de m/v-teksten opvallen zijn:

  • De inzet van het nadenken over de verhouding tussen man en vrouw bij de gelijkwaardigheid met een beroep op Gen. 1 en 2, waardoor het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk is geworden.
  • De visie dat het ‘onderdanig-zijn’ van de vrouw aan de man in eerste instantie betrekking heeft op de relatie van de man en vrouw in het huwelijk en dat dit niet zo maar veralgemeniseerd kan worden tot een scheppingsordening of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw.
  • Voor het eerst vindt er een erkenning plaats dat vrouwen in de gemeente mogen profeteren en bidden. Dat is een belangrijk motief om in de exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 het zwijggebod niet algemeen op te vatten, maar slechts te interpreteren als een verbod om leidinggevend te onderwijzen.

 

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (2) – 1930

Algemeen

De synode van de Gereformeerde Kerken in Arnhem bijeen besluit in 1930 om de vrouw het kiesrecht niet toe te kennen. Zakelijk samengevat zijn de gronden daarvoor:

  1. de verkiezing tot het ambt is een daad van algemene regeermacht;
  2. ook al heeft de vrouw het ambt van gelovige, toch volgt daaruit niet dat zij aan de verkiezing mag deelnemen;
  3. want het overtuigend bewijs dat de Schrift het vrouwenkiesrecht eist is niet geleverd;
  4. terwijl de gegevens die de Schrift biedt veeleer pleiten tegen de deelname van de vrouw aan de verkiezing.

Dit besluit wordt eenparig genomen, met de aantekening dat de opsteller van een minderheidsnotitie, ds. C. Lindeboom, zich tegen dit besluit heeft verklaard.

In deze blog concentreer ik mij op de exegetische onderbouwing van dit besluit. Daarbij ga ik met name in op twee zaken, te weten hoe men vanuit deze exegese aankijkt tegen:

  • de onderdanigheid van de vrouw;
  • de positie van de vrouw in de bijbel.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Als het om de verhouding m/v gaat komen deputaten in een meerderheidsrapport tot de conclusie, dat het ‘volgens de scheppingsordinantie’ de roeping van de vrouw is een hulp voor haar man te zijn:

‘Uit deze beschikking Gods blijkt, dat niet alleen in het huwelijksleven, maar ook in het gezinsleven, in het opgroeien der geslachten met elkander, en in de maatschappelijke samenleving, de plaats van de vrouw is hulpe des mans. .. Beiden, man en vrouw zijn dragers van het beeld Gods, maar de man is daarin boven de vrouw verheven, dat hij de drager der heerschappij is, en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.’

Vanuit een interpretatie van 1 Cor. 11 : 3 en 7-9 leest men in het verhaal van Genesis 2 dat Adam en Eva op verschillende wijze naar Gods beeld geschapen zijn:

God heeft Adam naar Zijn beeld geschapen a.h.w. enkel naar hetgeen Hem desbetreffend in Zijn Goddelijk denken voor oogen stond. Maar Hij schiep de vrouw den man tot eene hulpe, die als tegen hem over zou zijn, Gen. 2 : 18. Daarin ligt dus dat de vrouw in heel haar wezen en aard en roeping bepaald is mede naar den man.’

Dit wordt vervolgens met een verwijzing naar Calvijn zo uitgelegd, dat de vrouw ‘secundo gradu’, in tweede instantie, naar Gods beeld geschapen is:

Zij is niet het beeld van den man in dien zin, dat zij zijne gelijkenis vertoont; in zekeren zin is zij zijn tegenbeeld. En dat betreft niet alleen het lichamelijke. Lichaam en geest hangen ten nauwste samen. God schiep beide in volle harmonie. Naar het lichamelijke was daarom oorspronkelijk ook het geestelijke. Is de vrouw daarom niet minder dan de man geschapen naar het beeld Gods, dat beeld is bij haar toch a.h.w. gemodelleerd en genuanceerd in samenhang met den man, op zoodanige wijze, dat zij kan zijn eene hulpe voor den man en als tegenover hem.’

Behalve dat de vrouw naar de man geschapen is, betogen deputaten uitgebreid dat zij ook ten tweede om de man hem ‘ter hulpe’ geschapen is, ten derde na hem, en ten vierde uit hem en hem tegenover. Samengevat:

‘De vrouw als zoodanig is dus door de wijze van hare schepping in wezen en aard en roeping bepaald naar den man, a.h.w. in afhankelijkheid van hem. Wel ook Gods beeld, evenzeer als Adam, maar toch op andere wijze, en als geboetseerd met het oog op den man, om hem tot eene hulpe als tegenover hem te zijn.’

De conclusie die men daaraan verbindt is, dat:

‘de vrouw als vrouw (niet alleen als echtgenoote) in den man als man (en niet alleen als echtgenoote) een in wezen en bestaan, naar lichaam en ziel bepalende macht heeft, zoodat de vrouw, wanneer zij op het terrein van den man optreedt, zoowel in strijd handelt met de door God gestelde verhouding tusschen man en vrouw, als ook ontrouw wordt aan haar bestaanswijze of natuur’.

Op basis daarvan gaat men er vanuit dat de vrouw niet zelf mag bepalen, welke functie zij wil uitoefenen en vinden deputaten dat ook de kerk of de overheid niet willekeurig de taak en de roeping van de vrouw mag bepalen. De vrouw moet haar taak toegewezen worden in overeenstemming met de plaats en de roeping die haar door de Schepper is verordineerd.

Als het vervolgens gaat om de vraag welke taak en roeping de vrouw in de gemeente heeft, beroept men zich uitdrukkelijk op wat Paulus schrijft in 1 Cor. 14:34-35 en 1 Tim. 2:15:

‘Omdat dit wel duidelijk is, dat de apostel in het gemeentelijke leven aan de vrouw geenerlei leidende, noch onderwijzende positie of werkzaamheid toestaat, en dat hij argumenteert uit het verhaal van Gen. 1-3 over de schepping en den zondeval des menschen. Wat hij desbetreffend zegt, en eenerzijds verbiedt, en andererzijds gebiedt, geldt zoowel de ongehuwde vrouw als de gehuwde, de vrouw ook als vrouw.’

Zelfs als zou stemmen alleen maar een advies zijn, dan zou de toekenning aan en uitoefening van het stemrecht door de vrouw, nog in strijd komen met dit ‘sterke woord van den apostel in 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2’.

In een minderheidsnotitie uit 1927 had ds. C. Lindeboom er op gewezen, dat volgens 1 Cor. 11 de vrouwen mochten bidden en profeteren in de samenkomsten van de gemeente. ‘Paulus veroordeelt dit hier niet, maar keurt alleen de wijze af, waarop het geschiedde, namelijk met ongedekten hoofde’. Voor hem is dat een argument, dat de door de meerderheid van deputaten geformuleerde regel „Dat uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen” niet absoluut is, maar uitzonderingen kent.

In verband daarmee wijst Lindeboom ook op 1 Cor. 14:34, waar volgens hem geen absoluut zwijggebod gegeven wordt, maar alleen een verbod om te profeteren. Hij suggereert met een beroep op het redebeleid in hoofdstuk 14 dat deze uitspraak te maken heeft – net zoals de aanwijzingen over de omgang met glossalie  – met de misbruiken, die ingeslopen waren.

Zijn mededeputaten zijn echter van mening, dat er tussen 1 Cor. 11 en 1 Cor. 14 geen tegenstrijdigheid is. 1 Cor. 11:2-16 gaat volgens hen niet over samenkomsten van de gemeente, maar over de wijze waarop in het huisgezin gesproken en gebeden moet worden. Maar ook al zou er een tegenstrijdigheid zijn, dan moet men de regel toepassen dat ‘we van het duidelijke moeten uitgaan, en ons daaraan houden. Wat we dan van het minder duidelijke niet kunnen doorzien, blijve rusten. Ons oordeel en gedrag dienen we allereerst te bepalen naar hetgeen waaromtrent geen twijfel kan bestaan.’ En voor hen is evident wat dat ‘duidelijke’ is:

‘Er is dus geenerlei reden voor de gedachte, dat de apostel in 1 Cor. 11 aan de vrouw zou toestaan, wat hij haar in 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2 volstrekt verbiedt’.

Daarom zijn ze van mening, dat als je zegt dat volgens 1 Cor. 11 : 5v.v. het voorschrift van 1 Cor. 14:34-35 in beperkte zin moet worden verstaan en uitzonderingen toelaat, dat niet anders is dan dat je ‘dat duidelijke, later door den apostel in 1 Tim. 2: 1 v.v. herhaalde, gebod of verbod’ krachteloos maakt en van zijn betekenis berooft. Feitelijk beweer je dan, voegen ze er aan toe, ‘dat ook vrouwen wel mogen optreden in de bediening des Woords en tot het predikambt toegelaten mogen worden’.

 

De positie van de vrouw in de bijbel

Als het om de positie van de vrouw in het Oude Testament gaat zijn deputaten er van overtuigd, dat God in overeenstemming met de scheppingsordinantie de vrouw niet openlijk laat optreden en haar ook geen leidende positie geeft of als profetes laat optreden, zoals b.v. Mozes of Jesaja:

‘De leidslieden, die God aan Zijn volk Israel gaf, waren allen mannen. Het waren ook alleen maar mannen, die Hij tot Zijne profeten stelde, om openlijk op te treden voor het volk, en van wie wij profetische geschriften hebben’.

Duidelijke tegenvoorbeelden voor dit standpunt, zoals Mirjam, Debora en Hulda, worden (weg) verklaard met argumenten als:

  • Wij weten niet wat Mirjam als profetes deed en toen zij zelf eens tegenover Mozes als mond van God wilde optreden, sloeg de Heer haar met melaatsheid.
  • Debora wordt richteres, blijkbaar om de mannen te beschamen, maar ze deed haar werk heel anders dan Samuel en Elia.
  • De toestand van Israel onder Manasse en Amon was zo zondig geworden, dat destijds geen man door God verwaardigd werd om Zijn woord door hem bekend te maken en Hij daarvoor een vrouw uitkoos. Ook al was Jeremia net geroepen, hij was nog te jong en te weinig als profeet bekend. Daarnaast ging Hulda, ook al was ze blijkbaar als profetes bekend, er niet op uit en trad zij ook niet op als b.v. Jeremia later.
  • In het algemeen moet bedacht worden, ‘dat wat God doet om en door de zonde van volk en mensch, geen regel voor een mensch stelt, om daarnaar bepalingen te maken’.

Volgens deputaten is de positie van de vrouw in het Nieuwe Testament dezelfde als in het Oude Testament:

‘Uit deze scheppingsordinantie, die de apostel Paulus duidelijk zien doet, als geldende ook de regeling van het gemeentelijke leven, volgt, dat de Nieuwe bedeeling geene wezenlijke verandering bracht in de positie van de vrouw in de Kerk’.

De man treedt naar voren en de vrouw schuilt als het ware achter de man. Zij heeft geen zelfstandige, op den voorgrond tredende positie en roeping. Als bewijs wordt aangehaald, dat Jezus alleen mannen tot apostelen aanstelt. Vrouwen worden alleen maar ingeschakeld als getuigen van de opstanding, omdat de leerlingen verkeerd gehandeld hebben om niet naar het graf te gaan.

Teksten uit Handelingen of de brieven van Paulus, waaruit blijkt dat vrouwen in het evangelie of in een bepaalde bediening in de gemeente werkzaam zijn, zijn volgens deputaten te weinig specifiek ‘om nauwkeurig te kunnen aangeven, welk karakter die arbeid droeg, in welk verband, en onder welke omstandigheden en verhoudingen hij verricht werd’.

Zij achten het op grond van deze teksten niet mogelijk om regels voor het optreden en de taak van de vrouw in de gemeente af te leiden. Opnieuw doet men een beroep op de door hen gestelde regel, dat ‘we hebben uit te gaan van het duidelijk geopenbaarde, om in het licht daarvan zoo mogelijk het meer duistere te verklaren, en niet omgekeerd. En dat heldere bieden in dezen Schriftuitspraken als 1 Cor. 14:34-35; 1 Tim. 2:11-15’.

Op dezelfde manier behandelen deputaten de tekst uit Gal. 3:28, waarin Paulus o.a. verklaart dat in Christus noch mannelijk, noch vrouwelijk is. Deze tekst spreekt volgens hen niet uit, dat voor het leven in de gemeente het onderscheid van mannelijk en vrouwelijk weggevallen is, zodat men zou mogen concluderen:

‘omdat man en vrouw in het hoogste, de gemeenschap met Christus, gelijk zijn, en daar geen zoodanig onderscheid meer geldt, hoe zou het dan betreffende het mindere, de onderlinge verhouding in het gemeentelijke arbeiden, nog kunnen gelden?’

Het foutieve in die redenering is volgens hen als eerste, dat Paulus niet over volwassen mannen en vrouwen spreekt. In mannelijk en vrouwelijk zijn ook de kinderen begrepen. Het mag duidelijk zijn, dat dan ook kinderen het stemrecht zouden moeten ontvangen. In de tweede plaats blijkt uit de later geschreven passages 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2, ‘zoo uitdrukkelijk, en voor geen misverstand vatbaar, het onderscheid terzake van het gemeentelijke optreden tusschen man en vrouw aangeeft en handhaaft’. En ten derde moeten wij deze minder heldere tekst uit Galaten verklaren vanuit wat helder geopenbaard is in 1 Cor. 14 en 1 Tim. 2.

Aan het slot van hun meerderheidsrapport wijden deputaten aandacht aan de vraag, of de vrouw misschien zelf in de apostolische of na-apostolische tijd tot een ambt verkozen mocht worden. Als dat het geval zou zijn, zou het een belangrijk argument kunnen zijn dat haar dan ook het actief kiesrecht toegekend zou mogen worden. Tenminste als het geen uitzonderingssituatie is, omdat het een met charismata bijzonder gezegende vrouw betreft.

Teksten die in dit verband genoemd worden zijn Rom. 16:1 en 1 Tim. 3:11 waar over het ambt van diakonessen gesproken zou worden, en 1 Tim. 5:9 waar over het kiezen van weduwen gehandeld wordt. Deputaten zijn van mening, dat ‘wat dienaangaande uit de H. Schrift wordt afgeleid berust op hypothese, of althans op een verkeerde exegese der betreffende plaatsen’.

Zo heeft de Statenvertaling hun inziens terecht het griekse woord diakonos niet vertaald met ‘diakones’, maar als ‘dienares’, op de manier zoals ook in de evangeliën wordt gesproken over een dienaar die zonder enige ambtelijke functie werkt in de dingen van Gods Koninkrijk en zijn gemeente (Matt. 20:26 en 23:11, Marc. 9:35 en 10:43):

‘Waar  het N.T. geen enkele aanwijzing geeft omtrent officieel-ambtelijke functie van eenige vrouw, heeft onze Statenvertaling terecht zulk een woord gekozen, waarin uitkomt dat Phoebe slechts een helpster was, al was haar hulp veel omvattend, zoodat deze zich niet alleen over den dienst der barmhartigheid, maar ook over dien des Evangelies uitstrekte, reden waarom zij ook een voorstandster of patrones en medearbeidster genoemd kon worden (Rom. 16 : 2)’.

Op dezelfde manier spreekt Paulus in 1 Kor. 16:15 over Stefanas en zijn huisgezin en in Fil. 4:3 over Euodia en Syntyche als medestrijders in het evangelie en moeten wij de hulpdienst van Priscilla en Aquila verstaan, eerst te Rome en later in Efeze:

‘Zelfs voor zooverre het hier geldt eenige medewerking in de verkondiging des Evangelies is er alleen maar sprake van niet-ambtelijke hulp uit liefde tot Christus vrijwillig en gewillig ten dienste van het apostolaat gesteld’.

Vast en zeker een medewerking die van groot nut geweest is voor de verbreiding van het evangelie, maar die zich ‘ongetwijfeld bepaald (zal) hebben tot eenige onderwijzing privatim aan de huizen en niet in openbare samenkomsten’ en tot andere diensten als b.v. gastvrijheid.

In 1 Tim. 3:11 schijnt Paulus het diakonessenambt te impliceren, wanneer hij voor de vereisten van het diakenschap ook vrouwen daarbij betrekt. Deputaten sluiten zich in de exegese aan bij Calvijn, die hierbij denkt aan de vrouwen van diakenen. Daarnaast zijn ze van mening, dat al zou hier sprake zijn van diakonessen, daarmee niet gezegd is dat ze ambtsdragers waren:

‘Hoogstens wordt hier aan de vrouw, zij het dan ook de vrouw van een diaken, een zekere werkkring in de gemeente toegekend, die niet meer geheel het karakter van vrijwillige liefdearbeid draagt, maar de vrouw als behulpsel naast de diakenen doet optreden’.

De exegese van 1 Tim. 5:9 levert volgens deputaten meer moeite op. Toch is hier geen sprake van een ambt in eigenlijke zin. Ook al wordt in de vertaling het woord ‘gekozen’ gebruikt, het griekse woord katalegestho betekent niet anders als dat een bepaalde klasse weduwen op een lijst wordt geplaatst. Het kan zijn dat zij een taak hadden op het gebied van de diaconale verzorging of dat zij de ouderlingen als helpsters hebben gediend, in het bijzonder bij het vrouwelijke deel van de gemeente.

Op basis hiervan concluderen deputaten dat ‘noch bij de diakonessen noch bij het viduaat of den weduwdienst van een eigenlijk gezegd kerkelijk ambt sprake is geweest’. Waar in de na-apostolische tijd toch van een diakonessenambt sprake is heeft men ongetwijfeld ‘deze schriftuurlijke gegevens in de ontwikkeling van het kerkelijk leven niet steeds voor ogen gehouden’.

 

Conclusie en beoordeling 

In de exegese van de m/v-teksten is de overgrote consensus in 1930 dat er in de bijbel een absolute onderschikking van de vrouw aan de man wordt geleerd en dat de vrouw dus in de gemeente te allen tijde behoort te zwijgen.

Bijzondere punten die in de fundering van deze exegese opvallen zijn:

  • De man wordt gezien als het beeld van God, de vrouw als het beeld van God in een van de man afgeleide en afhankelijke zin. Haar wezen, aard en roeping is er op gericht, dat zij de helper van de man is. Het ‘tegenover hem’ functioneert in de praktijk vooral als ‘aan hem’ ondergeschikt zijn.
  • De onderschikking van de vrouw aan de man geldt niet alleen in het huwelijk, maar in de hele samenleving en (dus) ook in de kerk.
  • De exegese van de schepping van de vrouw in Genesis 2 wordt volledig bepaald door de uitkomsten van de interpretatie die deputaten geven van de aanwijzingen die Paulus over de vrouw geeft in 1 Kor. 11, 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. Ze labelen de uitkomst van hun exegese als ‘de scheppingsordinantie’.
  • Genesis 1 en 3 spelen in de discussie nauwelijks rol. Alle aandacht gaat uit naar de implicaties van Genesis 2 voor de verhouding tussen man en vrouw.
  • C. Lindeboom probeert vanuit Genesis 1:27-28 te laten zien, dat man en vrouw op gelijke wijze het beeld van God vormen. Van daaruit voert hij een pleidooi voor het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw in de gemeente.
  • De uitleg van de positie van de vrouw in het Oude en Nieuwe Testament wordt op een zelfde manier bepaald door de uitleg van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. Deze teksten zijn de norm, waaraan andere teksten in de bijbel over de positie van de vrouw gemeten worden. Wanneer de inhoud van die teksten strijdig is met de veronderstelde ‘scheppingsordinantie’, worden deze teksten zo verklaard dat de tegenstrijdigheid opgelost is.
  • Wanneer vrouwen in de bijbel een leidende rol spelen of in een positie verkeren dat zij gezaghebbend spreken, dan kan het niet anders zijn dan een uitzondering op de veronderstelde norm van de onderdanigheid van de vrouw en van de regel dat vrouwen geen gezag mogen uitoefenen over de man.

 

Zwijgteksten

Kun je trouw aan de bijbel zijn en toch de vrouw in het ambt toelaten? Doe je dan wel recht aan de zogenaamde zwijgteksten van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2? Daar staat toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente?

Maar dit is dus waar het om gaat: staat er wel wat er zo op het eerste gezicht schijnt te staan en wat we altijd vanuit de traditie hebben aangenomen?

Teksten worden altijd gelezen vanuit bepaalde vooronderstellingen, anders krijgen ze geen betekenis. Dat is de grote ontdekking geweest van de hermeneutische filosofie in de 20e eeuw. De vraag bij elke interpretatie of exegese is of je bereid bent om je vooroordelen ter discussie te laten stellen door de tekst zelf.

Anders gezegd: ben je bereid om door het lezen van een tekst een schifting aan te brengen tussen je terechte en je onterechte vooroordelen? En dan je onterechte vooronderstellingen los te laten om zo tot een ander verstaan van de tekst te komen? Mag de tekst werkelijk het laatste woord hebben, ook al zal dat laatste woord zich alleen in de interpretatie van de tekst zelf door kunnen zetten?

Een tekst wordt altijd op een bepaalde manier waargenomen. Het woord is een tegenover, maar kan pas als een tegenover bestaan wanneer het gelezen en geïnterpreteerd wordt. Ben je bereid om de bril die je onvermijdelijk altijd op hebt, scherper te stellen zodat de tekst zelf ook echt zijn gezag kan uitoefenen?

Juist bij teksten die een beschrijving geven van een historische situatie is het te verwachten, dat er in de loop van de tijd nieuwe interpretaties zullen komen. De brieven van Paulus zijn geschreven in een bepaalde tijd, aan specifieke gemeenten en personen en vaak naar aanleiding van concrete situaties, die wij niet direct kennen en daarom bij het uitleggen van de brieven moeten invullen om tot een coherente lezing van de tekst te komen. Doordat wij vooral de laatste vijftig jaar veel meer zicht hebben gekregen op de historische, culturele, sociale, religieuze en politieke context waarin Paulus en de vroeg-christelijke gemeenten hun weg moesten vinden, is het niet verwonderlijk dat er ook nieuw licht op de brieven van Paulus gevallen is.

Als het gaat om m/v en het ambt denk ik met name aan de informatie over èn de betekenis van onderwerpen als ‘eer en schande’, het patronagesysteem in de Grieks-Romeinse samenleving, de rol van de vrouw in het publieke leven en binnen de huiselijke sfeer, de samenstelling van het huis en de ‘household’, dat niet alleen uit een kern-gezin bestaat, maar uit een ‘extended family’, waar ook andere familieleden en slaven deel van uitmaakten. Al deze informatie helpt ons om een beter zicht te krijgen op het functioneren van de huisgemeenten en op de context waarin Paulus zijn aanbevelingen over de positie van de vrouw in de gemeente doet.[i]

De vraag is of je op basis van deze nieuwe informatie bereid bent om de bestaande vooronderstellingen in de traditionele exegese van de zwijgteksten opnieuw onder ogen te zien en te schiften tussen houdbare en niet-houdbare vooronderstellingen? Zelfs al zal dat leiden tot een andere uitleg van deze teksten en tot het openstellen van de ambten voor de vrouw in de GKV?

Dat is de uitdaging waar wij als gereformeerden voor staan. Tenminste dat lijkt me logisch, willen we werkelijk trouw aan de boodschap van de bijbel zijn.

[i] Goed leesbare standaardwerken zijn nog altijd Wayne A. Meeks, The First Urban Christians. The Social World of the Apostle Paul, Yale University, 1983 en Robert J. Banks, Paul’s Idea of Community. The Early House Churches in Their Cultural Setting, Hendrickson Publishers, 2007, revised edition. Voor een specifieke toepassing op het onderwerp m/v en de vroege kerk verwijs ik naar Cynthia Long Westfall, Paul and Gender. Reclaiming the Apostle’s Vision for Men and Women in Christ, Baker Acadamic, 2016.

De schrijftafel van Lukas

Je ziet Lukas aan zijn schrijftafel zitten. Allerlei boekrollen bij de hand, gespreksverslagen en andere aantekeningen. Hij is begonnen met het schrijven van zijn tweede boek, nadat hij de evangeliegeschiedenis van Jezus voltooid heeft. Hij wil een vervolg schrijven, waarin hij de gang van de evangelieverkondiging wil tekenen: van Israël naar de heidenen, van Jeruzalem naar Rome.

Het is in de jaren ’70 van de 1e eeuw. Het is ruim 40 jaar na de gebeurtenissen rond het sterven en de opstanding van Jezus. Jeruzalem is na een belegering door Titus ingenomen en volledig in de as gelegd. Ook de tempel ging in vlammen op. Allerlei speculaties over het einde der tijden deden de ronde. De verhoudingen tussen de mensen van de Weg en de religieuze leiders van het joodse volk hebben nog nooit zo op scherp gestaan.

Lukas is een volgeling en metgezel van Paulus geweest, maar die leeft niet meer. Zo’n 10 jaar geleden is hij waarschijnlijk in Rome ter dood gebracht. Wat overgebleven is zijn een groot aantal brieven en de verhalen. Maar zoals Paulus tijdens zijn leven al een controversieel figuur was, na zijn dood is het niet anders. Er zijn niet veel mensen die een neutrale houding tegenover hem kunnen innemen. Je bent voor of tegen deze verkondiger en zijn vertolking van het evangelie. Zelfs onder de volgelingen van Jezus zijn er tijdens zijn leven al grote meningsverschillen over zijn boodschap uitgevochten.

Hoe zal hij zijn verhaal opzetten? Welke gegevens vermelden of weglaten als van minder belang voor zijn boodschap? Welke lijnen en accenten zal hij leggen? Lukas pakt zijn schrijfstift op en begint te schrijven: “In mijn eerste boek, Theophilus, …”

Zo zal het ongeveer gegaan zijn. Zo hebben wij het bijbelboek Handelingen gekregen. Zo hebben we een eerste kerkgeschiedenis gekregen, die leest als een roman en tegelijk een verdediging is van het levenswerk en de theologische drive van Paulus. Net als de evangeliën een bijbelboek waarin de historische, literaire en theologische presentatie nauw met elkaar verweven is.

Om zijn boodschap effectief te laten zijn zet Lukas de nodige retorische middelen in. Als je daar op let, dan is het boek Handelingen fascinerende lectuur. Want hoe zorg je ervoor, dat je lezers toch enthousiast over Paulus worden en hem als een betrouwbaar getuige van Christus aanvaarden? Je kunt hem toch niet echt een oog- en oorgetuige van het leven van Jezus noemen.

Lukas wikt en weegt hoe hij zijn verhaal onder woorden zal brengen. Al die interne conflicten waar Paulus in verwikkeld is geraakt, laat hij er zorgvuldig buiten. Ook al betekent dit dat hij niet naar de vele brieven van Paulus kan verwijzen. Dat zou maar afbreuk doen aan zijn portret van Paulus als verdediger van het apostolisch evangelie.

Want dat is toch wat hij vooral duidelijk wil maken: Paulus is geen nieuwlichter geweest. Dat het evangelie ook aan heidenen verkondigd is, is niet iets wat hij verzonnen heeft. Nee, Paulus is daarin een navolger van Petrus geworden. En dat Paulus zich van de Thora niets meer wilde aantrekken, ligt ook wel wat genuanceerder dan de karikatuur die ze van Paulus gemaakt hebben. Nee, Paulus is de verkondiger geworden van het Koninkrijk van God. Dat was de opdracht van Jezus voor zijn leerlingen. Na zijn opstanding heeft Jezus hen daar uitgebreid zijn instructies voor gegeven. Daarin heeft Paulus in zijn vertolking van het evangelie op een lijn met de apostelen gestaan.

Zo zit Lukas aan zijn schrijftafel. Hij pakt de correspondentie van Paulus er nog maar eens bij. Al lezend noteert hij een aantal aandachtspunten en thema’s die in ieder geval aan de orde moeten komen: relatie met Petrus, Apostelconvent, collecte voor Jeruzalem, de vrijheid van een christen, het beroep op de Thora en profeten, o ja, vooral het werk en de leiding van de Geest niet vergeten. Misschien goed om dat als leidraad te nemen om zijn verhaal te vertellen: het verhaal van de apostelen, van de eerste gemeente en dat van Paulus als de handelingen van de Geest.

Lukas pakt zijn schrijfstift weer op en zijn woorden wegend schrijft hij verder tot Paulus in Rome aankomt en Lukas nog éénmaal onderstreept waar het hem om te doen is geweest: ‘Van de ochtend tot de avond legde Paulus getuigenis af en sprak hij uitvoerig met hen over het koninkrijk van God, terwijl hij hen op grond van de Wet van Mozes en de Profeten voor Jezus probeerde te winnen’.

 

(Mede n.a.v. Arie W. Zwiep, Christ, the Spirit and the Community of God, Mohr Siebeck, 2010, m.n. hoofdstuk 8: ‘Putting Paul in Place with a Trojan Horse. Luke’s Rhetorical Strategy in the Acts of the Apostles in Defence of the Pauline Gospel’, p. 157-175.)

Paulus recht doen

We zullen in de discussie over m/v in de kerk meer recht moeten doen aan Paulus. Dat was de boodschap van een groot aantal sprekers op de GKV Synode Ede afgelopen zaterdag.

Ik vermoed dat deze sprekers bedoelden tot uitdrukking te brengen, dat zij de zgn. zwijgteksten van Paulus zo opvatten, dat ze een absoluut verbod zijn om vrouwen het recht van spreken in de gemeente te geven. De relatie tussen mannen en vrouwen is zodanig, dat vrouwen ondergeschikt zijn aan de man, wat in de kerk tot uiting moet komen, dat zij geen gezag over de man mogen hebben. Daarom zullen ze niet in het ambt mogen dienen.

Op een bepaalde manier kan ik mij deze positie voorstellen, omdat men zo recht wil doen aan het gezag van Gods woord en het verwijt van Schriftkritiek wil voorkomen. Tegelijk vind ik dat het geen oplossing biedt voor het probleem waar wij als GKV kerken voor staan en dat deputaten in hun rapport zo verwoord hebben:

‘Steeds meer wordt door kerkleden een spanning ervaren tussen de mogelijkheden voor vrouwen in het maatschappelijke leven en de in vergelijking daarmee beperkte ruimte voor vrouwen in het kerkelijke leven. Waarbij tevens spanning wordt ervaren tussen ‘de leer’, dat wil zeggen het officiële standpunt aangaande de geslotenheid van de ambten voor vrouwen, en ‘het leven’, dat wil zeggen de manier waarop vrouwen momenteel in de kerken hun gaven inzetten en daarbij ook leidinggevend en onderwijzend optreden’, (Rapport Deputaten M/V in de kerk, p. 5).

Ik ben benieuwd, of genoemde sprekers met evenveel verve met een beroep op Paulus’ inzichten zullen verdedigen dat wij ook in het huidige maatschappelijke en persoonlijke leven recht zullen moeten doen aan de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man. Ik vind dat je dat mag verwachten, wil dit beroep op het gezag van de bijbel consistent en geloofwaardig zijn.

Paulus honoreren betekent m.i., dat je ook recht zult moeten doen aan zijn manier van interpreteren en argumenteren. En dat je daarnaast in rekening moet brengen, op welke wijze hij zelf vrouwen inschakelde in de verkondiging van het evangelie. Paulus inzichten zijn, – getuige het volgende citaat -, niet altijd zo eenduidig als ze op het eerste gezicht lijken:

“One of the largest stumbling blocks for many hierarchists is Paul’s teaching about women in texts like 1 Timothy 2:11–15 and 1 Corinthians 11. The exegetical debates between hierarchical and egalitarian interpreters seem endless, the details of which I cannot explore here. The larger question, in my view, is why do hierarchists employ these passages as controlling texts? Why not make Galatians 3:26–29 the dominant text, or, for that matter, the many other examples in Scripture of women exercising leadership gifts? This demonstrates that a hermeneutical and theological decision precedes and impacts the exegesis of the passages, informing their debate about women in ministry. My own approach to reconciling these passages is that the New Testament prioritizes the sovereignty of the Holy Spirit and Spirit gifting, except in particular circumstances where specific problems in the church (1 Tim. 1–2; 1 Cor. 11) or the integrity of witness (1 Pet. 2–3) call for more controlled measures. For Paul, the priority is always the integrity of the gospel message and the people who proclaim it. Consequently, he can be extremely pragmatic when it comes to particular circumstances demanding a unique application. Examples of this include his discussion of conscience in Romans 14, his instructions concerning eating meat sacrificed to idols in 1 Corinthians 8 (compare his comments with Acts 15:20 and 21:25), his decision to circumcise Timothy in Acts 16, and his exhortations to women and slaves in Ephesians 5–6 and Colossians 3. While in some cases Paul restricts the activities of women, in other cases he radically affirms them, as with Phoebe (a deacon), Junia (an apostle), Lydia (a businesswoman and house church leader), Euodia and Syntyche (who partnered with him in the cause of the gospel), and his inclusion of women in congregational (public) praying and singing.”

Patrick S. Franklin, ‘Women Sharing in the Ministry of God: A Trinitarian Framework for the Priority of Spirit Gifting as a Solution to the Gender Debate’, in: Priscilla Papers, Vol. 22, No. 4 (Autumn 2008), p. 17.