Zwijgteksten en scheppingsorde

‘Over man, vrouw en ambt’  –  Fokke Pathuis

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde. Onderstaande tekst is de inleiding zoals uitgesproken. Op mijn weblog staat ook een versie met verantwoording en een aantal excursen over thema’s, die tijdens de bespreking ter sprake kwamen.[i]

Ik mag vanavond een toelichting geven bij het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor vrouwen open te stellen. Een verandering van visie op het thema ‘vrouw en ambt’, waar niet iedereen in onze kerken hetzelfde over denkt.

Daarbij wil ik eerst (1) het punt duidelijk maken wat er veranderd is in de visie op ‘vrouw en ambt’, vervolgens (2) sta ik stil bij hoe het kan dat de bijbel anders gelezen wordt, ten slotte (3) wil ik enkele afrondende opmerkingen maken of dat ook zo mag.


  1. Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

In mijn preek van afgelopen november 2018 heb ik vooral een historisch overzicht gegeven van hoe in de 20e eeuw in de vrijgemaakte kerken de ontwikkeling is geweest naar het openstellen van het ambt voor de vrouw. Die ontwikkeling kun je kort samenvatten in de volgende 2 dia’s, waarbij voor de traditionele visie als referentiekader gekozen is het besluit van de GKv Synode Arnhem 1930 om de vrouw geen kiesrecht toe te kennen en voor de huidige visie het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen:

  Traditionele visie  
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) De vrouw is ondergeschikt aan de man / mag geen gezag over de man voeren

► 1930: de vrouw mag niet stemmen + niet in het ambt dienen  
  Huidige visie
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) Man en vrouw zijn gelijkwaardig  

► 1993: de vrouw mag wel stemmen
► 2017: de vrouw mag ook in het ambt dienen  

Het grote verschil in deze twee visies is, dat wij anders zijn gaan denken over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Wij gaan nu uit van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

In de reacties op het synodebesluit zie je dat naar dit verschil alle aandacht uitgaat. Wat betekent het dat man en vrouw gelijkwaardig zijn? Mag de vrouw wel dezelfde rollen en posities vervullen als de man? Samengevat in twee dia’s zijn dit de argumenten die voor- en tegenstanders uitwisselen:

  Tegenstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – de vrouw heeft een ondergeschikte positie t.o.v. de man
(2) Alleen mannen zijn in de bijbel priester, leerling, apostel en oudste
(3) De NT-ische zwijgteksten verbieden het
(4) Eeuwenlang heeft men in de bijbel gelezen dat de vrouw geen ambt mag dragen
Voorstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – man en vrouw zijn gelijkwaardig
(2) a.  In het OT roept God soms ook vrouwen
(2) b.  In het NT hebben vrouwen belangrijke posities in de gemeente
(3) De NT-ische zwijgteksten moeten niet absoluut opgevat worden
(4) De traditie is niet normatief  

Zoals duidelijk mag zijn, spitst het verschil zich met name toe op een andere interpretatie van de scheppingsorde resp. de zwijgteksten. En dan wordt het spannend: één bijbel en een verschillende uitleg van die bijbel, en daardoor een ander uitkomst op het vraagstuk van ‘Man, vrouw en ambt’. Hoe kan dat?  En: mag dat?


  2. Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Er staan dus twee leeswijzen van de bijbel tegenover elkaar, de traditionele en de huidige. In dit deel van mijn inleiding noem ik vier aspecten, die bij de verandering in visie een rol hebben gespeeld.

a. De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd

We leefden eeuwenlang in een samenleving, waarin de vrouw in het publieke leven geen rol speelde en in het dagelijkse leven op de tweede plaats stond. Denk bijvoorbeeld maar aan de standenmaatschappij in een middeleeuwse samenleving. Daar had iedereen in de maatschappij een positie, waar eigenlijk niet aan getornd mocht worden. Alleen in een vrouwenklooster had de vrouw een eigen zelfstandigheid.   Men beschouwde de standenmaatschappij als de orde die door God gegeven was. Met deze orde verbond men als het over de vrouw ging moeiteloos de algemene idee, – ontleend aan de klassieke filosofen – , dat de vrouw een minderwaardige natuur heeft of dat ze eigenlijk een soort mislukte man is.

Maar dan komt vanaf de 20e eeuw de persoonlijke ontwikkeling van de vrouw goed op gang. Ze volgt onderwijs. Ook komt ze in andere sectoren te werken als alleen de verzorgende beroepen of de productie. Ze krijgt leidinggevende posities op het terrein van de politiek, het bestuur, de samenleving en de wetenschap. Dan komt de vraag op: is de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man nog wel (bijbels) te verantwoorden?

In de jaren ’90 komt er in de GKv een nieuw huwelijksformulier, waarin vooral de nadruk ligt op de gelijkwaardigheid van man en vrouw en op hun eenheid in het huwelijk. Ook wordt erkend dat de vrouw in de samenleving een rol kan vervullen door zich op de arbeidsmarkt te begeven en dat ze zo samen met de man voor het gezinsinkomen mag zorgen.

Daarnaast gaat de vrouw eind 20e eeuw ook taken in de kerk vervullen, die lang alleen door de man vervuld zijn. In het diaconaat was ze al actief als vrijwilliger, maar nu wordt ze ook actief op het gebied van pastoraat, onderwijs, leiding geven en bestuur. Kan dat wel, als de vrouw in de kerk moet zwijgen?

De synode van 2005 stelt voor het beantwoorden van die vraag een deputaatschap in, wat er toe leidt dat de synode in 2017 de uitspraak doet, dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent dat ook de vrouw op al die terreinen een taak of ambt mag bekleden.

b. Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst

Maar het staat toch duidelijk in 1 Tim 2:11-12, dat de vrouw moet zwijgen in de kerk? Dat klopt. Het staat er als je puur naar de betekenis op zinsniveau kijkt.

Maar de betekenis van een tekst wordt niet alleen bepaald door een taalkundige analyse van de zinnen zelf. De context bepaalt mede hoe de tekst opgevat moet worden.

Een klein voorbeeld. Wanneer ik tegen iemand zeg ‘Ik heb het koud’, dan kan ik afhankelijk van de context waarin ik deze zin uitspreek bedoelen: dat ik koorts heb, of dat ik vind dat de verwarming hoger moet, of dat ik aan die ander duidelijk maak of zelfs de opdracht geef, dat hij de deur die daar open staat, dicht moet doen.

Zo is het ook bij de 1e brief van Paulus aan Timoteüs. We weten nu meer over de maatschappelijke context, waarin Paulus deze brief schrijft. Daarnaast brengen wij sterker in rekening, dat de Paulus de brief schrijft om Timoteüs aan te sporen de dwaalleraars te bestrijden. Als je deze gegevens bij je exegese betrekt, kun je tot een andere conclusie komen over wat de bedoeling en strekking van deze zwijgtekst is. Binnen die context zegt Paulus dat vrouwen moeten zwijgen en zich rustig moeten laten onderwijzen, omdat ze zich hebben laten inpalmen door dwaalleer. Het is geen absoluut gebod, want zijn instructie is nauw verbonden met de context van dwaalleer in de gemeente te Efeze.

Hetzelfde geldt voor de exegese van Gen. 2 en 3. Traditioneel is met een beroep op de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 11 en 14, 1 Tim. 2 en Ef. 5 betoogd dat we in Gen. 2 en 3 een scheppingsorde kunnen ontdekken. Volgens die orde zou de vrouw ondergeschikt zijn aan de man en heeft de man als hoofd gezag over de vrouw.

Allereerst hebben we leren zien dat men in de traditionele visie, die ook terug te vinden is in het oude huwelijksformulier, onjuiste conclusies aan elementen uit het scheppings- en zondeval-verhaal verbond. Zo kun je het ‘hulp’-zijn van de vrouw niet interpreteren als ondergeschiktheid en is de straf voor de vrouw geen gebod voor de man is om over haar te heersen.

Daarnaast is het de vraag, op welke wijze je aan verhalende teksten normatieve uitspraken over de inrichting van de maatschappij kunt verbinden. Uit de historische gegevens dat Abraham, Jakob, David en Salomo veel meer vrouwen hebben, ontlenen wij ook niet dat polygamie de norm is. Je kunt dus niet zo maar, als dat er niet expliciet staat, aan de manier waarop het verhaal in Gen. 2 en 3 verteld wordt, normatieve conclusies verbinden over de onderlinge verhouding tussen man en vrouw.

c. Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen

Traditioneel werd de vraag of de vrouw in het ambt mag, beantwoord door een serie bijbelteksten te verzamelen en daar dan een lijn in aan te brengen, waarna een conclusie werd getrokken. De bijbel als een bron voor bewijsteksten.

Tegenwoordig is er meer aandacht voor, dat je je visie niet met een louter beroep op bijbelteksten kunt verantwoorden. Ook is er het besef dat je niet zomaar één op één allerlei normen die in de bijbel gelden, kunt overzetten naar vandaag. Dat doen we niet met het sabbatsgebod, met het verbod voor vrouwen om mannenkleren te dragen, met de sluier voor vrouwen uit 1 Kor. 11, met het opheffen van de handen of het elkaar groeten met de heilige kus. Dit geldt ook voor het vraagstuk van de vrouw en het ambt. De vraag is: op welke wijze trek je verantwoord de lijnen van de schepping via het Nieuwe Testament naar vandaag?

Een beroep op de zwijgteksten is dan niet alles beslissend. Al was het alleen maar om het feit, dat het in de zwijgteksten niet over het ambt gaat, maar dat die vooral betrekking hebben op situaties zoals die toen gangbaar waren in de eredienst, de liturgie of het huwelijk. En wanneer je dan toch die specifieke situaties algemeen wil maken naar het ambt, dan moet je dat zorgvuldig beargumenteren.

Ook is een beroep op een zgn. scheppingsorde niet overtuigend. Allereerst omdat in Gen. 2 en 3 de ondergeschiktheid van de vrouw niet als norm wordt gegeven. Verder niet, omdat men in dit beroep op de scheppingsorde niet consistent is. Men pleit voor verschillende rollen en verantwoordelijkheden voor man en vrouw, maar de reikwijdte daarvan beperkt men vandaag tot de kerk en het huwelijk, want het geldt niet voor de samenleving. Als argument daarvoor voert men aan:

 ‘dat God ons voor de relaties in het huwelijk en in de kerk expliciet voorschriften heeft gegeven; voor de man-vrouwrelatie verder in de samenleving niet.

Dit lijkt me een vorm van onvervalst biblicisme. Mijns inziens is het oordeel van ds. Pieter Niemeijer over zo’n argumentatie terecht:

‘Wie uit 1 Timoteüs een scheppingsorde afleidt waarin een vrouw geen gezag mag uitoefenen over de man, zal duidelijk moeten maken waarom deze orde voor de schepping (!) dan niet zou gelden voor de hele schepping, en dus ook voor de samenleving! Waarom aanvaarden we het in het bedrijfsleven, de politiek en de rechterlijke macht wel dat vrouwen met gezaghebbende verhalen en uitspraken komen?

  d. Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

Maar Paulus bedoelt toch met zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 zijn uitspraak over het zwijgen van vrouwen in de kerk normatief te funderen vanuit de onderdanigheid van de vrouw aan de man?

Als Paulus over de functie van het Oude Testament en het beroep daarop schrijft, blijkt dat hij daar heel genuanceerd naar kijkt. In 2 Tim. 3:16 schrijft hij dat elke schrifttekst gebruikt kan worden ‘om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven’.

Voor hem geldt verder dat niet alles wat in het Oude Testament geschreven is, ook nog normatief is. Met een beroep op het evangelie kan hij in zijn brief aan de Galaten zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant schuiven als niet meer van betekenis. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van die wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, n.l. die van Christus en van de Geest.

Dat is ook de manier waarop wij de bijbel hebben te lezen. Niet alles heeft hetzelfde normatieve soortelijk gewicht. Er is een ontwikkeling in de heilsgeschiedenis, waardoor zaken die onder het oude verbond normatief waren onder het nieuwe verbond die normativiteit kwijt zijn geraakt en voor ons niet meer van toepassing zijn. Kort geformuleerd: ‘Het gezag van de hele Schrift geldt voor alle eeuwen, maar niet elke tekst is bedoeld voor elke situatie of tijd.’

Wanneer Paulus in 1 Tim. 2 naar Adam en Eva verwijst gebruikt hij deze geschiedenis als een voorbeeld en analogie voor wat zich in Efeze afspeelt. Zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen.


3. Mag je de bijbel zo anders lezen?

Ik heb in het eerste deel van mijn inleiding het punt van verschil tussen de traditionele en de huidige visie op vrouw en ambt laten zien, namelijk de vraag wat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent. Daarna heb ik in het tweede deel aan de hand van vier aspecten laten zien, hoe dat verschil onderbouwd is. Nu als derde punt de vraag: mag dat? Doe je dan nog wel recht aan het gezag van de bijbel? Daar wil ik een drietal dingen over zeggen.

  a. Gewoon gereformeerde hermeneutiek

Sommigen zeggen: ‘dat we de bijbel anders lezen komt omdat wij ons laten leiden door de tijdgeest.’ De synode heeft een nieuwe manier van het lezen van de Schrift omarmd en heeft zich uitgeleverd aan de overheersende gelijkheidscultuur van onze tijd, die bepalend is voor de uitkomst van de nieuwe visie op vrouw en ambt. Met als gevolg dat het gezag van de bijbel wordt ondermijnd en ontkend.

Inderdaad is het zo, dat wij juist vanuit onze huidige cultuur herkennen hoezeer de uitleg van de bijbel in de voorgaande eeuwen mede bepaald is geweest door de toen heersende cultuur.

Eeuwenlang is de slavernij verdedigd met de bijbel in de hand en nog niet zo lang geleden de apartheid in Zuid-Afrika. Ook in onze eigen recente kerkgeschiedenis zijn allerlei waarheden gesneuveld: over de ware kerk, over de zondagsbesteding, en nu dus ook over de vrouw in het ambt. Ik besef dat dat een ongemakkelijk gevoel geeft. Maar ook al lezen we de bijbel anders, de norm blijft nog steeds de bijbel en de overtuiging dat God ons via de bijbel aanspreekt. Een andere leeswijze betekent niet automatisch een andere hermeneutiek. Deze leeswijze kan gewoon met de regels van de gereformeerde hermeneutiek verantwoord worden. 

Natuurlijk is er het gevaar, dat je uit de bijbel haalt, wat je graag wilt. Maar waar wij als gereformeerde kerk op aan te spreken zijn, is dat de tekst van de bijbel in zijn geheel gezaghebbend is en blijft.

De vraag is niet of Paulus’ voorschriften voor ons normatief zijn: dat zijn ze. De vraag is op welke wijze zijn voorschriften, gegeven in een bepaalde cultuur en binnen een bepaalde context, normatief zijn voor onze cultuur en voor onze manier van kerk-zijn vandaag. Daarmee kom ik op mijn tweede opmerking.

  b. De patriarchale samenleving is niet normatief.

In de bijbel vinden wij de openbaring van God, zoals Hij zich in aansluiting bij een bepaalde cultuur en in een bepaalde tijd bekend heeft gemaakt. De vraag is, of God door zich aan te sluiten bij een bestaande cultuur ook die cultuur zelf normatief heeft verklaard.

Het verschil van mening tussen de voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt spitst zich toe op de vraag, of wij ons los mogen maken van de patriarchale cultuur die verondersteld is in allerlei gebruiken en geboden in de bijbel. In een patriarchale cultuur is de vrouw ondergeschikt aan de man en krijgen man en vrouw verschillende rollen en verantwoordelijkheden toebedeeld. Mag je daar aan tornen?

Ja, zegt de synode: de patriarchale verhoudingen zijn niet normatief, d.w.z. het biologische onderscheid tussen man en vrouw en de manier waarop daar in de bijbelse tijd een sociale en culturele betekenis werd toegekend, is niet bepalend voor de vraag of de vrouw in het ambt mag dienen. Nee, zeggen de tegenstanders met een beroep op de traditionele leeswijze, die juist gefundeerd is op de acceptatie van de patriarchale samenleving inclusief de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

In mijn preek in november 2018 ben ik daar uitgebreider op ingegaan. Mijns inziens staat Paulus in Gal. 3:28 niet toe, dat in de kerk Jood of heiden, heer of slaaf, man of vrouw, anders worden behandeld: in Christus is er geen onderscheid. Er zijn wel verschillen, maar die zijn bedoeld om elkaar op te bouwen en samen met de specifieke gaven die ieder heeft van betekenis voor elkaar te zijn en elkaar te dienen.

  c. Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

Tenslotte: vrouwen kunnen gezag hebben, – ook over mannen – , omdat het gezag niet in hun persoon-zijn ligt, maar in de boodschap die zij brengen en in God die hen zendt.

Wanneer zij gaven van God ontvangen hebben om leiding te geven, om voor te gaan of om in het ambt te dienen, dan mogen zij die inzetten. Dat is de visie van de synode om ook vrouwen tot het ambt in de gemeente toe te laten.

Binnen de patriarchale samenleving, zoals die in de bijbelse tijd functioneerde, heeft Paulus specifieke opdrachten voor de organisatie van het gemeenteleven gegeven. Wij mogen in onze situatie en binnen onze samenleving die opdrachten handen en voeten geven, niet door ze letterlijk toe te passen, maar door de strekking en de bedoeling daarvan tot uitdrukking te brengen.


[i] Zie: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

Advertenties

Gen. 2-3 en de scheppingsorde

Excurs 2 – Gen. 2-3 en de zgn. scheppingsorde

Als belangrijk argument voor de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man wordt genoemd, dat God Adam als eerste ter verantwoording roept, hoewel Eva als eerste van de vrucht gegeten heeft. Vanuit dit detail in het verhaal pleit men er voor om er vanuit te gaan dat ook in Gen. 2 een verschil in positie en verantwoordelijkheid van man en vrouw verondersteld wordt, waarbij de volgende elementen uit het verhaal als argumenten worden aangevoerd:

  • de man is uit de aarde geschapen, de vrouw vanuit de man;
  • alleen Adam krijgt de opdracht om de dieren namen te geven;
  • Eva weet van het gebod van God, omdat Adam haar dat verteld moet hebben;
  • de vrouw wordt aan de man als hulp gegeven;
  • de straf voor de vrouw is dat de man over haar moet heersen.

Maar als je inzoomt op de context van de geschiedenis van Gen. 2-3 is het de vraag of deze leeswijze houdbaar is. Er zijn namelijk fundamentele vragen bij te stellen.

Een belangrijke is: in hoeverre kun je aan elementen uit verhalende teksten normatieve uitspraken ontlenen?

Daarnaast: doe je met deze leeswijze wel recht aan de strekking van Gen. 2-3?  Kort gezegd is de strekking van deze hoofdstukken om te laten zien hoe de zonde de wereld in is gekomen en hoe God herstel en redding belooft. Herstel dat plaats zal vinden via het volk Israël.

Zo heeft Gen. 2-3 een functie in het grotere geheel van Gen. 1-11 als voorgeschiedenis van de geschiedenis van het volk Israël, dat in Gen. 12 begint met de roeping van Abraham. Gen. 2 kan wel gebruikt worden om een visie op het huwelijk te ontwikkelen, maar het is een overvragen van de geschiedenis in Gen. 2-3 om daar een maatschappijvisie in de vorm van een scheppingsorde op te willen bouwen.

De genoemde elementen zijn op basis van een analyse van Gen. 2 en 3 logisch te verklaren uit de wijze waarop de verteller het verhaal literair opgebouwd heeft. Van uit deze analyse is het ook aantoonbaar dat men op basis van allerlei onhoudbare veronderstellingen en zonder enige fundering in de tekst zelf de visie op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in de uitleg van deze verhalen inleest. Een interpretatie die men verder probeert te onderbouwen met een onjuiste uitleg van Paulus’ spreken over het ‘hoofd’-zijn van de man.[i]

Verder: als het over normativiteit gaat is de enige norm die gesteld wordt, dat de mens niet van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad mag eten. Daarnaast krijgt de mens de opdracht om de tuin van Eden te bewerken en er over te waken. De zonde van Eva en Adam is dat ze tegen dit gebod van God ingaan. Ze hebben de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om als mens [=adam] Gods gebod te respecteren van hun kant niet waargemaakt. Hieraan kun je niet de conclusie verbinden dat Eva zich uit een ondergeschikte positie boven Adam verheven heeft. Wel dat ze door haar optreden een breuk geslagen heeft in hun onderlinge gelijkwaardige relatie.

Mijn conclusie is dat je aan de verhalende elementen in Gen. 2 en 3 niet zomaar, zoals de traditionele leeswijze dat voorstelt, rollen of verantwoordelijkheden kunt ontlenen die alleen voor de man of de vrouw gelden. Vooral niet omdat in die leeswijze ten onrechte het hulp-zijn van de vrouw uit Gen. 2 als ondergeschiktheid wordt uitgelegd en ook ten onrechte aan de straf voor de vrouw in Gen. 3:16 de norm ontleend wordt dat de man over de vrouw moet heersen.


[i] Voor een uitgebreidere analyse van de aangevoerde argumentatie om de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in Gen. 2 en 3 te lezen, verwijs ik naar mijn twee blogs over ‘Genesis 1-3 en de scheppingsorde’:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/12/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-2/.

Man, vrouw en ambt

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente de Fontein (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde.

De avond stond in het kader van een bespreking van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen.  

De inleiding bestaat uit de volgende drie onderdelen:

1e.  Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

Hierin ga ik in op het verschil tussen de traditionele visie en de visie van de synode, dat ligt in het gegeven dat we nu uitgaan van de gelijkwaardigheid van man en vrouw in tegenstelling tot de vroegere ondergeschikt van de vrouw aan de man.

2e.  Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Hierin besteed ik aandacht aan vier elementen, op grond waarvan wij de m/v-teksten vandaag anders lezen dan vroeger, te weten:

  •  De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd
  •  Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst
  •  Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen
  •  Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

3e.  Mag je de bijbel zo anders lezen?

Om deze vraag te beantwoorden benoem ik drie zaken, op grond waarvan dat geoorloofd is:

  • Gewoon gereformeerde hermeneutiek
  • De patriarchale samenleving is niet normatief.
  • Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

In vier excursen bespreek ik thema’s die in de bespreking van de inleiding naar voren kwamen:

  Excurs 1 – ‘Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk’

  Excurs 2 – Gen. 2 en 3 en de zgn. scheppingsorde

  Excurs 3 – De zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’  

  Excurs 4 – Patriarchale samenleving en cultuur 

De uitwerking van de lezing is hier te vinden: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

De ‘Nashville-verklaring’ – een duiding

Ten behoeve van de Nieuwsbrief in onze gemeente, de GKv De Fontein in Zwolle-West, schreef ik deze week een achtergrondartikel om de betekenis en waarde van de Nashville-verklaring te duiden.

De Nashville-verklaring – een duiding

Afgelopen weekend ontstond grote commotie over de Nashville-verklaring. Dat is de vertaling van een Amerikaans document uit 2017, waarin evangelicale christenen stelling nemen tegenover een postmoderne westerse cultuur, die haaks staat op het bijbels spreken over huwelijk en seksualiteit.

Enkele predikanten en voorgangers uit de reformatorische gezindte, waaronder dr. Piet de Vries, docent aan de theologische opleiding van de Hersteld Hervormde Kerk aan de VU, hebben dit document in het Nederlands vertaald en aan hen bekende predikanten en SGP-politici uit de reformatorische kerken gevraagd deze te ondertekenen. M.n. door de ondertekening door het SGP 2e-kamerlid Kees van der Staaij is de verklaring landelijk in het nieuws gekomen en is deze verklaring door een groot deel van de Nederlandse samenleving en politiek als homo-vijandig document afgewezen.  

Dat het juist vertegenwoordigers van de reformatorische kerken zijn die met deze verklaring zijn gekomen, is niet zo verwonderlijk. Want de reformatorischen hebben zich het afgelopen jaar regelmatig moeten bezinnen op hun houding tegenover homoseksualiteit. Ook heeft de SGP en haar achterban zich de laatste tien jaar over haar visie op de plaats van de vrouw in maatschappij en politiek tegenover de Nederlandse samenleving moeten verantwoorden en hun visie daarop gedeeltelijk moeten aanpassen.

De aanleiding voor een bezinning op homoseksualiteit ligt in een flyer die in maart 2018 bij het  Reformatorisch Dagblad (RD) gevoegd was. Daarin was de landelijke reclamecampagne van een kledingbedrijf met de afbeelding van zoenende mannen van een groot rood kruis voorzien. De bedoeling van de flyer was om protest aan te tekenen tegen deze reclame-uiting. Homo’s, ook in de lezerskring van de krant, voelden zich door deze flyer gekwetst. Toen daarop aan het RD een advertentie aangeboden werd, die juist positief was ten opzichte van relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht, werd die advertentie door het RD geweigerd. Naast nieuwe ophef daarover in de samenleving, kwamen er ook reacties van christen-homo’s en -lesbiennes. Als vervolg op deze kwesties is er in het RD in mei 2018 een briefwisseling geweest tussen de hoofdredacteur en een christen-homo, John Lapré. Het effect van al deze acties was dat gedurende het grootste deel van 2018 homoseksualiteit nadrukkelijk als thema in het RD aan de orde is geweest.

Om de indruk te vermijden dat het RD een meer tolerante positie in zou nemen ten opzichte van homoseksualiteit dan in het verleden, is er op 14 november 2018 een gezamenlijk opinieartikel van de hoofdredactie en het bestuur van het RD in samenwerking met de al eerder genoemde dr. Piet de Vries gepubliceerd, waarin men helderheid wilde bieden over de visie van het RD tegenover homoseksualiteit. O.a. stelde men daarin:

Praktisch betekent dit dat wij niet willen meegaan in de tendens om te stellen dat er vanuit een eenheid des geloofs verschillende visies op homoseksualiteit mogelijk zijn. We willen waarschuwen voor de tendens om van een afwijzing de stap eerst naar pastorale oplossingen te zetten en ten slotte naar de volledige aanvaarding van homoseksuele relaties. We kunnen en willen dus ook niet meegaan in de gedachtegang dat er in het geloof niets mis mee kan zijn als twee mensen van hetzelfde geslacht, twee mannen, twee vrouwen, van elkaar houden.

Een tweede aanleiding om als reformatorische kerken met een visie op homoseksualiteit naar buiten te komen is, dat ze zich gedrongen voelen hun positie te bepalen ten opzichte van ontwikkelingen in de PKN en de drie kleine orthodoxe kerken GKv, de NGK en de CGK. Twee nieuwsfeiten waarin deze kerken een rol spelen, kunnen als een directe katalysator gezien worden voor de vertaling van het Nashville-document.

De eerste is het besluit van de PKN-synode op 15 november 2018 om weliswaar het onderscheid in de kerkorde tussen ‘huwelijk’ en andere ‘levensverbintenissen’ te handhaven, maar ook te verklaren dat de kerkorde ‘geen waardeoordeel geeft over de seksuele geaardheid van haar leden noch over hun persoonlijke keuzes als het gaat om het huwelijk of andere levensverbintenissen’. Voor een deel van de ‘Gereformeerde Bond’-kerken in de Nederlands Hervormde Kerk was het onderwerp van de (in)zegening van het homohuwelijk in 2004 een belangrijke obstakel om met de totstandkoming van de PKN mee te gaan. Een positiebepaling over de omgang met homoseksualiteit raakt daarom ook het bestaan van het kerkverband van de Hersteld Hervormde Kerk, dat toen ontstaan is. 

De tweede gebeurtenis is het congres dat op 16 november 2018 door de Theologische Universiteiten van Kampen (GKv) en Apeldoorn (CGK) georganiseerd is over het thema: ‘Homoseksualiteit en de kerk. Verschillende visies, één geloof’, waarin ook ervaringsverhalen gedeeld werden van homoseksuelen en lesbiennes in de kerk en hoe zij op verschillende en soms tegengestelde wijze hun seksualiteit met het geloof verbinden.

In reactie op deze beide nieuwsfeiten verscheen begin december 2018 de verklaring ‘Homoseksualiteit vraagt om hernieuwd belijden’. Deze verklaring was opgesteld door een 13-tal voorgangers uit reformatorische en bijbelgetrouwe evangelische kring. Men schrijft daarin dat de kerken in Nederland meer en meer buigen voor de gedachte dat homoseksualiteit ook binnen de kerken aanvaardbaar moet zijn. Daartegenover pleit men voor een duidelijke bijbelse positiekeuze.  

Twee van deze voorgangers, dr. Piet de Vries en Arjan Baan, hebben met een werkgroep vervolgens in december de Nashville-verklaring vertaald. Het doel van de vertaling en de verspreiding van dit document was om een tegenwicht te bieden tegen de acceptatie van homoseksualiteit en transgenders in christelijk Nederland.

De betekenis en waarde van deze verklaring is daarom meer dan alleen een pleidooi voor een bijbelse visie op het huwelijk. De verklaring is ook bedoeld om in reactie op ontwikkelingen in andere gereformeerd-orthodoxe kerken één bepaalde visie in de omgang met homoseksualiteit in de reformatorische kerken te promoten. Dat maakt het ingewikkeld om zonder voorbehoud met deze verklaring te kunnen instemmen.

De visie die in de Nashville-verklaring onder woorden wordt gebracht, is sterk verbonden met een strikte opvatting over wat een bijbelse visie op mannelijkheid en vrouwelijkheid zou inhouden. De verklaring is in de Verenigde Staten opgesteld door het CBMWThe Council on Biblical Manhood and Womanhood, die er vanuit gaat dat de bijbel aan mannen en vrouwen eigen rollen en verantwoordelijkheden voorschrijft. De man vervult de leidende posities in kerk en samenleving, terwijl de vrouw haar verantwoordelijkheid heeft in gezin en huwelijk, waarbij zij zich heeft te onderschikken aan de leiding van de man. Daarbij wordt op een biblicistische wijze een beroep gedaan op de scheppingsorde, zoals men die uit Genesis 1 en 2 en de uitspraken van Paulus over de positie van de vrouw in de gemeente afleidt. Wie van een dergelijke scheppingsorde van mannelijkheid en vrouwelijkheid uitgaat, zal per definitie homoseksualiteit als in strijd met de scheppingsorde moeten afwijzen.

Door deze visie op een scheppingsorde te omarmen maken de Nederlandse vertalers van het Nashville-document het zich ook moeilijk om op een pastorale wijze met homoseksualiteit te kunnen omgaan. De pastorale noties die zij aan het document toegevoegd hebben, zijn niet geïntegreerd in de visie op huwelijk en seksualiteit die in de verklaring zelf verdedigd wordt.

Het is daarom begrijpelijk dat predikanten en theologen in de GKv, de NGK en een deel van de CGK zich van de Nashville-verklaring gedistantieerd hebben, hoewel zij wel met het beoogde doel om het christelijke huwelijk hoog te houden kunnen instemmen. Zij missen echter in de verklaring een belangrijke pastorale gevoeligheid voor het omgaan met gelovige lesbiennes, homo’s, bisexuelen en transgenders (LHBT’ers). Ook vinden zij dat de Nashville-verklaring ogenschijnlijk een radicaal heldere bijbelse oplossing lijkt te bieden voor een complexe situatie, maar dat deze verklaring de theologische diepgang en nuance mist die nodig is om echt bijbels verantwoord te zijn. 

Ik betreur het dat het gesprek over geloof en leven door deze stellingname over huwelijk, (homo)seksualiteit en transgenders juist onder druk komt te staan in plaats van dat die bevorderd wordt. Als kerk geloven wij dat ieder welkom is bij God en door God geliefd wordt, wat je identiteit ook is, man of vrouw, Jood of heiden, homo, hetero of transgender.

Als kerken binnen het verband van de GKv hoeven wij op dit moment niet zoveel met deze verklaring te doen. Van de enkele ondertekenaar uit de GKv heeft een deel zijn handtekening al weer teruggetrokken. Ik beschouw het document vooral als een middel van de reformatorische kerken om in eigen kring helderheid te scheppen over de omgang met homoseksualiteit. Dat men daarvoor juist een beroep op dit Amerikaanse document gedaan heeft, vind ik een ongelukkige keus, die schade heeft gebracht aan het aanzien van de kerken en het christelijk geloof in Nederland. De belangrijkste les is wat mij betreft dat wij ons als kerk er voor inspannen om op zorgvuldige wijze en met respect voor de gevoelens en de eigen visie van de gelovige LHBT-ers over het onderwerp homoseksualiteit en geloof met hen te (blijven) spreken.

Zwolle, 10 januari 2019

Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.

Genesis 1-3 en de scheppingsorde (2)

In eerste deel van deze blog [i] heb ik de visie van ds. Rufus Pos op de zgn. ‘scheppingsorde’ weergegeven en ben ik ingegaan op zijn uitleg van Gen. 2. In dit tweede deel bespreek ik zijn beroep op Gen. 3.

 

     –   Pos’ visie op (on)gelijkheid in Gen. 3

Volgens Pos is in Gen. 3 dé zonde van de vrouw dat zij de door God aan Adam gegeven positie en diens gezag niet erkende. Als ze dat wel gedaan had, zou ze Adam eerst geraadpleegd hebben over de woorden van de slang en niet van de vrucht hebben gegeten, mits Adam natuurlijk zijn verantwoordelijkheid had genomen en haar was voorgegaan in het gehoorzaam blijven om niet van de boom van kennis van goed en kwaad te eten.

Bij het lezen van Gen. 3 zien we op verschillende momenten dat de ongehoorzaamheid aan het door God geven verbod de reden is, dat de mens en zijn vrouw door God geoordeeld worden. Nergens in de tekst wordt gezegd, dat de oorzaak van deze ongehoorzaamheid is dat de vrouw zich niet ondergeschikt aan de mens opgesteld heeft. Dat betekent dat het argument dat Pos aanvoert een veronderstelling van de categorie (c) is, die hij gebruikt om zijn exegese aannemelijk te maken. Een veronderstelling die geen aanknopingspunt in de tekst heeft en daarom moet worden afgewezen. Verder geldt ook hier dat een beroep op Paulus faalt, omdat ook Paulus niet uitgaat van een zgn. scheppingsorde. [ii]

Uit de opbouw van het verhaal in Gen. 2 en 3 blijkt dat de zonde van de vrouw is, dat zij op basis van het gesprek met de slang de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad neemt en die eet. Vervolgens is de zonde van haar man dat hij de vrucht van haar aanneemt en ook daarvan eet. In deze elementen van Gen. 3 verwijst de verteller terug naar de voorwaarden en mogelijkheden om te zondigen, zoals hij die in Gen. 2 : 8-9 en 15-17 in het verhaal verweven heeft.

Voor God is de kern van de zonde: ‘Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’, (3:11b) en ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden’, (3:17a), met als gevolg: ‘Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij kennis van goed en kwaad’, (3:22). Dat betekent, dat de primaire focus van Gen. 2 en 3 primair de relatie tussen de mens en God is. Informatie over de overige relaties van de mens (mens-aarde, mens-dier en man-vrouw) zijn daarin secundair of ‘ondergeschikt’.

Terecht kan Pos erop wijzen, dat zowel de vrouw als de man geen recht doet aan de onderlinge relatie en de verantwoordelijkheid voor elkaar. Maar omdat het verhaal in Gen. 2 en 3 een tekstuele eenheid is, moet je die onderlinge relatie interpreteren vanuit Gen. 2 (en dus vanuit de gelijkwaardigheid, zie deel 1) en niet vanuit een in Gen. 3 ten onrechte veronderstelde ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

De argumenten die Pos daar toch voor aan meent te kunnen dragen zijn: (a) Adam wordt als eerste aangesproken, (b) Adam en Eva krijgen een verschillende straf, (c) alleen tegen Adam wordt gezegd dat hij zal sterven, en (d) de uitspraak, dat de man over de vrouw zal heersen (Gen. 3:16), is wel degelijk een straf voor de vrouw.

 

       Ad a.  Als eerste aangesproken

Opnieuw doet Pos een impliciet beroep op Paulus, omdat hij er vanuit gaat dat Paulus de man met de term ‘hoofd’ als de eerstverantwoordelijke in de ongelijke relatie tussen man en vrouw typeert. Allereerst is dat een uitleg van Paulus die niet standhoudt[iii] en dus ook niet als terechte aanname gehanteerd kan worden. Ten tweede is er in de tekst van Gen. 2 en 3 geen enkel element, dat een dergelijke interpretatie van het als eerste aangesproken worden rechtvaardigen kan.

Binnen de logica van de verhaallijn is het juist niet vreemd, dat de mens/man als eerste spreekt, wanneer God man en vrouw aanspreekt. Het past in een concentrische weergave van de gebeurtenissen en Gods reactie daarop. In Gen. 3:1-8 komen eerst de slang, de vrouw en de mens op het toneel, waarna als God verschijnt en begint te spreken in omgekeerde volgorde eerst een dialoog is met de mens en dan de vrouw is en vervolgens God het oordeel uitspreekt over de slang, de vrouw en ten slotte de mens. Tegelijk kan de verteller zo een directe verbinding leggen met het in Gen. 2:17 gegeven verbod, dat God tegenover de mens uit heeft gesproken, toen de vrouw nog niet geschapen was.

Het is duidelijk dat de man en de vrouw zowel zelfstandig handelen, als dat zij in het overtreden van het gebod en het omgaan met de gevolgen door de verteller als eenheid gezien worden. ‘Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan’, (3:6b). Daarna gaan hun ogen open: zij herkennen dat ze naakt zijn, maken schorten van vijgenbladeren en verbergen zich, wanneer God in de hof verschijnt en hen gezamenlijk ter verantwoording roept en tegelijk man en vrouw ieder op zijn eigen daden aanspreekt. Net als in hoofdstuk 2 speelt de dubbele betekenis van ‘adam’ als soortnaam en eigennaam een rol. In het verhaal van God en mens komt God na de overtreding met zijn roep: ‘God riep de mens en zei tot hem: “Waar ben je”’, (3:8), waarbij hij zowel oog heeft voor hun eenheid als vervolgens ook voor ieders afzonderlijk handelen.

 

      Ad b. en c.  Verschillend oordeel en aanzegging van de dood

Het oordeel dat God uitspreekt over de man en de vrouw heeft zowel gemeenschappelijke aspecten als specifieke.

Gemeenschappelijk is dat God allereerst vijandschap zet tussen de slang en de mens. Ook al noemt God in het oordeel over de slang expliciet de vrouw, het gaat in haar wel over de mens(heid) als geheel, collectief aangeduid met het woord ‘zaad’.

Daarnaast zal het leven van de mens, zowel van de man als van de vrouw, moeizaam worden. Voor beiden gebruikt God daarbij de term ‘smart’. Ieder zal het op zijn eigen specifieke wijze ervaren. Of dat nu betreft het bewerken van het land, het baren van kinderen, of het genieten en eten van de opbrengst. Tegenover het leven, genieten en eten in (en van de bomen in) het paradijs, plaatst God het toekomstig leven van de mens in smart op de aarde buiten het paradijs, dat uiteindelijk voor beiden uit zal lopen op de dood.

Dat alleen tegen de mens gezegd wordt, dat hij zal sterven, heeft opnieuw niet te maken dat Adam de eerstverantwoordelijke is, maar wordt verklaard door de manier waarop het verhaal verteld wordt. De verteller verwijst daarmee op concentrische wijze op de aankondiging daarvan, zoals die ook aan de mens gegeven is in 2:17, en naar zijn schepping uit de aardbodem in 2:7, waar de mens (m/v) weer naar zal terugkeren.

Veronderstellen dat het onderscheid in het oordeel van God daarmee te maken heeft dat de vrouw ten opzichte van de mens een ondergeschikte positie en verantwoordelijkheid heeft en dat hieruit een ‘scheppingsorde’ zou blijken, is inlegkunde die botst met de manier waarop de verteller zijn verhaal presenteert. Het zwoegen om in leven te blijven, omdat de aardbodem vervloekt is, en het sterven geldt gelijkelijk voor de vrouwelijke nakomelingen van de mens en voor de mannelijke.

 

      Ad d.  De man zal heersen als strafmaatregel, Gen. 3:16b

In het oordeel dat God over de vrouw uitspreekt, wordt duidelijk dat het overtreden van het gebod niet alleen consequenties heeft voor de relatie tussen de mens en God, maar ook voor de onderlinge relatie tussen de man en zijn vrouw: die is beschadigd en opgebroken. Ze bedekken hun naaktheid voor elkaar en wanneer God met hen in gesprek gaat schuiven de mens en de vrouw allebei de schuld op een ander af.

In Gods oordeel over de vrouw: ‘Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen’ legt Pos de term ‘begeren’ uit als het verlangen van de vrouw om de ‘leidende’ positie van de man in te nemen. Ook al zou zijn interpretatie juist zijn, – waar in de exegetische literatuur behoorlijk wat discussie over is  -, het willen heersen of domineren is zowel mogelijk in een hiërarchische als in een gelijkwaardige relatie. De context en de verhaallijn pleiten er echter voor om deze uitspraak in een gelijkwaardige relatie tussen man en vrouw te plaatsen in plaats van een hiërarchische relatie te veronderstellen, zoals Pos met zijn beroep op Paulus doet.

Pos legt het oordeel van God over de vrouw uit als dat ‘dit streven (begeren) niet het door haar gewenste resultaat zal hebben. Juist het omgekeerde: de man zal op dit ‘begeren’ van zijn legitieme plek door de vrouw reageren met een ‘over haar te heersen’. Zijn conclusie is daarom, dat waar mannen over vrouwen heersen, dat een straf van God is. Omdat dit ‘laat zien dat God door zijn straffen niet een einde maakt aan de zonde, maar dat Hij de zonde juist als straf kan gebruiken.’

Ik vind dat deze interpretatie ten sterkste afgewezen moet worden. Mijn inziens zegt Pos hiermee: ‘Eigen schuld, dikke bult, had je je maar als vrouw aan je man moeten onderschikken’. Ook al schreef hij in een eerdere brief over Gen. 3:16: ‘Degenen die zeggen dat het hier zeker niet om een bevel gaat, waar mannen zich op kunnen beroepen om hun vrouw onder de duim te houden, hebben natuurlijk helemaal gelijk’, toch legitimeert hij met zijn interpretatie van Gen. 3:16b nog steeds de onderdrukking van vrouwen, zoals dat eeuwenlang vaak met een beroep op deze ‘ordinantie Gods’ gebeurd is.

 

     –   Samenvatting en conclusie

In zijn serie brieven naar aanleiding van het besluit van de GKv Synode Meppel in 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, wil Pos laten zien dat deze uitspraak in strijd is met de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man. Hij beroept zich daarvoor op zijn uitleg van Gen. 1-3, waar zijns inziens God deze scheppingsorde ingesteld heeft.

Mijn conclusie over deze interpretatie kan kort zijn. Alle retoriek van Pos ten spijt dat elk detail van het scheppings- en zondevalverhaal van betekenis is en aandachtig gelezen moet worden, gaat hij zelf op zeer onzorgvuldig wijze met de gegevens in Gen. 1-3 om en leest hij op basis van allerlei onhoudbare veronderstellingen en zonder enige fundering in de tekst zelf zijn visie op de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man in zijn uitleg van deze verhalen in. Uitgaande van een onjuiste interpretatie van Paulus’ spreken over het ‘hoofd’-zijn van de man gaat hij er vanuit dat in Gen. 3 een hiërarchische relatie tussen man en vrouw verondersteld wordt, die hij vervolgens zonder ondersteuning in de tekst in zijn uitleg van Gen. 2 probeert te verdedigen.

Om het in Pos’ termen te zeggen: ‘Je bent niet heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn.’ Die ongelijkheid is met het man-  en vrouw-zijn gegeven. De vraag is echter, of deze ongelijkheid een zodanige ‘ongelijke positie en verantwoordelijkheid’ van man en vrouw impliceert, dat de vrouw aan de man ondergeschikt is. Dat heeft Pos in zijn brieven met zijn uitleg van Paulus en Gen. 1-3 niet kunnen aantonen. Op grond van de tekst van Gen. 2-3 moet je concluderen dat de mens en zijn vrouw door God in een gelijkwaardige positie aan elkaar gegeven zijn en zo als man respectievelijk vrouw voor Gods aangezicht in verantwoordelijkheid mogen leven. Gen. 1-3 geven geen richtlijnen of aanwijzingen, op basis waarvan aan het man- of vrouw-zijn specifieke sociale rollen, verantwoordelijkheden en domeinen als een door God gestelde scheppingsorde kunnen worden verbonden. Pos’ visie dat de vrouw binnen het huwelijk, in de samenleving en in de kerk een ondergeschikte positie ten opzichte van de man moet innemen moet daarom worden afgewezen.

 

 

[i] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/07/10/genesis-1-3-en-de-scheppingsorde-1/

[ii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[iii] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

Genesis 1-3 en de scheppingsorde (1)

‘Vaststellen hoe een tekst werkt, betekent vaststellen welke van de diverse aspecten relevant of toepasselijk zijn voor een samenhangende interpretatie ervan, en welke marginaal en ondeugdelijk blijven om een samenhangende lezing te ondersteunen’, (Umberto Eco)[i]

Voor velen is het belangrijkste argument om de vrouw in het ambt af te wijzen, de visie dat God de vrouw ondergeschikt ten opzichte van de man heeft geschapen en dat zij dus geen leidende positie in de kerk mag vervullen.

 

      –   ‘Ordinantie Gods’

Tot ver in de 20e eeuw was deze visie op de ondergeschiktheid van de vrouw in de GKv gangbaar. Het meest duidelijk werd die onder woorden gebracht in het klassieke huwelijksformulier, waar met een beroep op Gen. 3:16 gesproken werd over de heerschappij van de man over de vrouw als de ‘ordinantie Gods’, waar tegen de vrouw zich niet mocht verzetten. Toch is in 1981 deze zinsnede al in de GKv uit het huwelijksformulier geschrapt, omdat God met deze woorden niet het gezag van de man over de vrouw fundeert, maar uitspreekt hoe ten gevolge van de val de man zijn macht misbruiken zal.[ii]

Als dit beroep op Gen. 3:16 om de onderdanigheid van de vrouw als norm te funderen onterecht is, hoe kun je dan toch nog het ondergeschikt-zijn van de vrouw verdedigen vanuit Gen. 1-3?

In zijn artikelenserie[iii] naar aanleiding van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor vrouwen op te stellen ziet ds. Rufus Pos juist in Genesis 3 een belangrijke grond om de vrouw in het ambt af te wijzen. Uitgangspunt voor het schrijven van de reeks is de vraag van een van zijn kinderen ‘waarom het lijkt alsof je heel dom bezig bent als je ‘gewoon’ in Genesis 1-3 leest dat mannen en vrouwen niet gelijk zijn.

Zijn conclusie is dat uit Gen. 1-3 blijkt, dat:

  • man en vrouw in de onderlinge relatie hun eigen plek en verantwoordelijkheid hebben;
  • Adam als eerstverantwoordelijke gezag heeft over Eva;
  • dit gezag door God aan Adam in Genesis 2 gegeven is;
  • de vrouw de man daarom voorop moet laten gaan.

Het herstel van de door de zonde geschonden schepping betekent dat God ook de oorspronkelijke ongelijkheid weer in ere zal herstellen. De onderdanigheid van de vrouw, zoals ook Paulus daarover in Efeziers 5 spreekt, geldt daarom ook niet alleen in het huwelijk, maar ook in de kerk en in de samenleving.

In eerdere blogs heb ik al eens Pos’ uitleg van Paulus zijn visie op de vrouw besproken.[iv] In een vervolg daarop wil ik nu nagaan hoe Pos Genesis 1-3 leest en of zijn uitleg aan de tekst recht doet. Daarbij wil ik mijn voorlopige conclusie nader onderbouwen, dat de houdbaarheid van Pos’ visie ligt in de vraag of zijn exegese van Gen. 1-2 geldig is of niet.[v] 

 

      –   De visie van Pos op scheppingsorde en zondeval

Onderdanig zijn betekent dat de vrouw het door God gegeven gezag van de man moet erkennen. Het is een onderdanigheid die de man niet mag afdwingen, maar één waar de vrouw zich uit vrije wil in behoort te begeven. Zij moet de bereidheid tonen om ten opzichte van haar man de tweede plaats in te nemen. Volgens Pos fundeert Paulus dit gezag van de man over de vrouw in de instelling van het eerste huwelijk, zoals Gen. 2 daarover spreekt.

Volgens Pos wordt in Gen. 1 de gelijkwaardigheid van man en vrouw gefundeerd. De mens wordt mannelijk en vrouwelijk geschapen en beiden vormen het beeld van God en krijgen de opdracht om de aarde te bevolken en over de aarde te heersen. Vervolgens wordt in Gen. 2  de ongelijkheid gefundeerd. Ten eerste wordt eerst Adam geschapen en later pas Eva, ten tweede worden beiden op andere wijze geschapen. Daarbij gaat Pos er vanuit, dat wie eerder (in relatie ouder-kind) of als eerste geboren is, vaak een bijzondere positie krijgt. Volgens hem is dat ook het argument voor Paulus om de man en de vrouw een andere rol in het (samen)leven toe te bedelen.

Als het gaat om zijn visie op Gen. 3 dan is de zonde van de vrouw in de visie van Pos niet alleen dat zij van de vrucht nam, maar dat zij daartoe gekomen is, omdat zij de door God gegeven positie van Adam niet erkende en buiten hem om zaken met de slang deed. De zonde van Adam is daarnaast dat hij dat liet gebeuren en de leiding van Eva in het nemen en eten van de vrucht aanvaardde. Omdat Eva haar rol van ondergeschikte en daarin haar verantwoordelijkheid niet serieus nam, is de zonde ontstaan.

De term die Pos gebruikt om dit optreden van Eva en Adam te karakteriseren is individualisme: ‘Eva opereert volstrekt individualistisch en breekt daarmee in feite het (huwelijks)verbond. Door niets te doen stemt Adam daarmee in. Adam en Eva ervaren dat ogenblikkelijk na hun openbare kiezen voor zichzelf als losse individuen.

Dat Adam vervolgens als eerste aangesproken wordt, vat Pos op als indicatie dat hij als man de eerstverantwoordelijke is en ter verantwoording wordt geroepen. Daarnaast benadert en straft God volgens hem Adam en Eva niet op gelijke wijze, omdat zij elk afzonderlijk op een eigen manier in hun verantwoordelijkheid en de hen gegeven positie gefaald hebben. God sluit aan bij de door hem gegeven orde. Eva wordt gestraft in haar vrouw zijn, doordat ze met smart kinderen zal baren en dat haar relatie met haar man onder druk zal komen te staan. Adam wordt omdat hij naar Eva geluisterd heeft, gestraft doordat de aardbodem vervloekt is en hij zal moeten zwoegen om in leven te blijven. Ook wordt alleen bij Adam genoemd, dat hij zal sterven, omdat God dit alleen eerder tegen Adam als eerstverantwoordelijke uitgesproken heeft en niet tegen Eva. Dat ook zij zal sterven is omdat zij bij Adam inbegrepen is.

Volgens Pos moet de aanzegging van God in Gen. 3:16 dat de man over de vrouw zal heersen, ook niet als een gevolg van de zonde beschreven worden, maar wel degelijk als straf. Wanneer de vrouw probeert de positie van de man in te nemen zoals Eva gedaan heeft, dan zal de reflex zijn dat de man over haar gaat heersen. Maar wanneer zij in de ondergeschikte positie zal blijven, zal de man niet over haar hoeven te heersen, maar zullen zowel man als vrouw elkaar op de hen door God gegeven positie kunnen dienen.

 

      –   Exegetische verantwoording

Zonder uitgebreid in te gaan op de theorie van de exegese zijn er verschillende soorten argumenten te gebruiken om een bepaalde uitleg te verantwoorden.

Je kunt een beroep doen op:

(a)  gegevens in de tekst en de directe literaire context zelf;

(b)  gegevens uit de historische context, dit wil zeggen uit de tijd waarin de geschiedenis die in de tekst weergegeven wordt historisch gesitueerd is of uit de tijd waarin de tekst zelf ontstaan of (op)geschreven is;

(c)  aannames of hulplijnen, die de niet in de tekst staan of niet bekend zijn uit de historische context, maar die kunnen helpen om de tekst begrijpelijk te maken.

Bij een beoordeling van een exegese gaat het eerst om de vraag of de aangevoerde argumenten inhoudelijk juist zijn en vervolgens of die argumenten de conclusie van de exegese ook ondersteunen. In het vervolg zal ik af en toe naar deze categorieën verwijzen.

 

      –   Pos’ visie op (on)gelijkheid in Gen. 2

Allereerst beroept Pos voor de manier waarop hij Gen. 2 en 3 uitlegt verschillende malen op Paulus, met name diens spreken over de verhouding tussen man en vrouw in Ef. 5. Dat is een argument van de categorie (c).

Zoals ik in een eerdere blog heb laten zien, gaat Paulus hier niet uit van een zgn. scheppingsorde.[vi] Dat betekent dat dit argument door Pos als een onterechte aanname aangevoerd wordt. Het kan zijn conclusie dat er bij de instelling van het huwelijk in Gen. 2:24 sprake is van een onderschikking van de vrouw en van een gezagsrelatie van de man over de vrouw niet rechtvaardigen. Exegetisch gezien wordt door de verteller van Genesis 2 juist de verbondenheid en het gelijk-zijn van man en vrouw benadrukt, wanneer hij de uitroep van de mens citeert: ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd’ (NBV Gen. 2:23) en daarop concludeert: ‘Zo komt het dat een man zich losmaakt van zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt’ (NBV Gen. 2:24).

Pos beroept zich behalve op Paulus voor zijn visie dat in Gen. 2 de onderdanigheid van de vrouw wordt gefundeerd, erop dat (a) Adam als eerste wordt geschapen en dat (b) Adam en Eva op verschillende wijze geschapen worden. De aanname van Pos is hier, dat hij uit de wijze van scheppen en de orde van scheppen kan concluderen, niet alleen tot ongelijkheid, maar ook tot onderdanigheid.

Als het om (a) de orde van scheppen gaat: waarom vindt Pos het eerder of later geschapen zijn van betekenis om vast te stellen of iemand gezag heeft of ondergeschikt is? Zijn mensen ondergeschikt aan dieren, omdat dieren volgens Gen. 1 eerder geschapen zijn dan de mens? Is de vrouw ondergeschikt aan de dieren omdat zij volgens Gen. 2 later geschapen is? Zelfs Calvijn vindt dat geen sterk argument van Paulus om daarmee de onderwerping van de vrouw aan de man te beargumenteren.[vii]

Overigens maakt Pos zich wel erg gemakkelijk af van het gegeven, dat man en vrouw op het zelfde moment ‘geboren’ worden. Literair en verhaaltechnisch gezien gebruikt de verteller van Gen. 2 en 3 het hebreeuwse woord ‘adam’ eerst als soortnaam (de mens) en pas later als eigennaam (Adam). Uit de ene mens (2:7) bouwt God vervolgens man en vrouw (2:23). Wanneer Pos dit vergezocht vindt, laat hij m.i. merken dat hij weinig gevoel heeft voor het genre en de literaire stijl, waarin de verhalen van schepping en zondeval verteld worden. Want zoals hij zelf opmerkt is elk detail in het vertellen ‘belangrijk en mogen we [dat] niet aan de kant schuiven als niet ter zake doende’.

Als het om (b) de andere wijze van scheppen van de vrouw gaat: zowel de mens (2:7) als de dieren (2:19) worden op gelijke wijze geformeerd vanuit de aardbodem en worden beiden tot levende wezens (dezelfde uitdrukking voor de dieren in 1:21 en 1:24 en 2:19 als voor de mens in 2:7). Een verschil zou kunnen zijn dat expliciet van de mens gezegd wordt dat de mens van God de levensadem ingeblazen krijgt, waardoor hij een levend wezen werd. Belangrijker is het gegeven dat de vrouw uit de mens geschapen werd en niet vanuit de aardbodem, er juist is om de verbondenheid en de overeenkomst in wezen te garanderen, zoals de mens ook concludeert (2:23).

De vrouw wordt gegeven als een ‘hulp tegenover’ (2:18) de mens. Algemeen wordt erkend, dat daarin niet het onderdanig zijn van de vrouw gefundeerd kan worden. De Studiebijbel – een m.i. onverdacht orthodox commentaar- zegt hierover: ‘Het woord ‘helper’ is een algemeen woord dat op zich geen hogere of lagere positie aangeeft. De vrouw past aanvullend bij de man en heeft een gelijkwaardige positie (vgl. 3:12); de ondergeschiktheid komt in 3:16 als onderdeel van het oordeel’.[viii]

Vanuit de tekst van Gen. 2 wordt duidelijk dat het doel van de schepping van de vrouw is dat zij samen met de mens de aarde moet bewerken en bewaren. Daarvoor is de mens(heid) geschapen (2:5 en 2:15), daarvoor is de vrouw als ‘helper tegenover’ aan de mens gegeven.

Op grond van de tekstuele aanwijzingen moet je m.i. concluderen dat de verteller – net als in Genesis 1 – ook in Genesis 2 uitgaat van de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Pos’ conclusie, dat in Gen. 2 een verschillende rol aan man en vrouw gegeven wordt en dat de vrouw ondergeschikt aan de man zou zijn, kan hij op grond van de tekst niet onderbouwen.[ix] Ook zijn verwijt, dat ‘je alleen als je de gelijkheid van man en vrouw eerst als uitgangspunt neemt’ deze in Genesis 2 in kunt lezen, is uit de lucht gegrepen.

(wordt vervolgd)

 

[i] Umberto Eco, Over interpretatie, Kampen, Kok Agora, 1992, p. 174.

[ii] Aldus E.A. de Boer in zijn artikel ‘Vijf huwelijksformulieren’ in: De Reformatie, Jaargang 76, Nummer 7, 18 November 2000, p. 118.

[iii] Zie de website https://www.bezinningmvea.nl/entry/brieven-aan-mijn-kinderen-inleiding

[iv] Zie https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/ en https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/22/paulus-en-de-scheppingsorde/.

[v] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[vi] Zie: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/25/zondeval-en-scheppingsorde/.

[vii] In zijn commentaar op 1 Tim. 2:12: ‘Nochtans, dat Paulus voortbrengt dat de vrouw ’t laatst geschapen is, schijnt geen sterke reden der onderwerping te zijn: want Johannes de Dooper is vóór Christus geweest naar den tijd, hoewel hij nochtans naar de waardigheid ver onder Christus was’, (vertaling A.M. Donner in ed. 1891).

[viii] M.J. Paul, G. van den Brink en J.C. Bette (red.), Bijbelcommentaar Genesis|Exodus. Studiebijbel Oude Testament, deel 1, Centrum voor Bijbelonderzoek, Veenendaal, 2004, p. 43.

[ix] Symptomatisch vind ik dat Pos zijn conclusies vaak niet argumenteert vanuit de tekst zelf, maar op basis van suggestieve veronderstellingen die hij zelf over de tekst heeft. Twee willekeurige voorbeelden: 1e. ‘Maar betekent dat nu dat het voor God lood om oud ijzer was wie van de mensen Hij het eerst zou scheppen? Ik denk niet dat iemand dat met droge ogen kan beweren.’ 2e. Over de schepping van de vrouw: ‘Maar tegelijk dus wel heel anders dan het bij de dieren was gegaan. Die werden in één keer als mannetjes en vrouwtjes geschapen en niet op een verschillende manier. Met Eva gaat het dus anders.’ De enige vermelding van het scheppen van de dieren in Gen. 2 is 2:19, waar staat: ‘Toen vormde hij uit aarde alle in het wild levende dieren en alle vogels’ d.w.z. niets over de wijze waarop ze als mannetjes en vrouwtjes geschapen zijn.