Verbijsterend

Afgelopen week heb ik een kleine 2 dagen aan het scherm gekluisterd gezeten. Via de livestream kon ik de vergadering van de CGK synode volgen, die gisteren eindigde in een bevreemdende apotheose.[1]

Het onderwerp was kerkelijke eenheid. De aanleiding is de spanning die besluiten van CGK-kerken en samenwerkingsgemeenten CGK-NGK en/of CGK-GKv oproepen, wanneer die niet in lijn zijn met de bestaande afspraken en richtlijnen. Inhoudelijk gaat het over het bevestigen van vrouwelijke ambtsdragers en het toelaten van homoseksuele broers en zussen aan het avondmaal.

Het onderwerp was voorbereid door een synodecommissie. Omdat men niet tot een gezamenlijke conclusie kon komen was er een meerderheids- en een minderheidsrapport. Elk rapport sloot af met voorgestelde besluitteksten. Het meerderheidsrapport wil een signaal afgeven om afwijkingen een halt toe te roepen, zodat die zich niet als een olievlek zou gaan uitbreiden. De classis moet de band met de kerken die zich niet aan de afspraken houden opschorten en bij volharding daarvan de band met hen definitief verbreken. De minderheid voorziet als in die lijn besloten zou worden, dat er sprake zal zijn van een scheuring. Daarom pleit zij voor een taakgroep die uiterlijk voor de volgende synode van 2022 de huidige situatie goed in kaart moet brengen en zo snel mogelijk met een rapport moet komen.

Ik heb zowel woensdag als vrijdag vele afgevaardigden het woord zien voeren. Tijdens de eerste ronde woensdag werden de vragen en opmerkingen bij de rapporten geïnventariseerd. De opstellers van de rapporten kregen daarna de tijd om een zorgvuldige beantwoording voor te bereiden. Na de beantwoording vrijdag mochten de afgevaardigden in een tweede ronde reageren en eventuele schriftelijke voorstellen indienen. Die zullen tijdens een volgende vergaderweek besproken worden en in stemming komen.

De tegenstellingen waren groot. Is het ‘uw ja zij ja en uw nee zij nee’ (Jak. 5) òf mag en kun je afwijkingen tolereren en dragen? Een beroep op Jakobus 5:12 vond een deel van de synode geen voldoende grond om bij het afwijken van bestaande afspraken de zware artikelen art. 79 en 80 van de Kerkorde [= dominees, ouderlingen of diakenen die een openbare grove zonde bedrijven kunnen geschorst en uit hun ambt gezet worden] toe te passen. Eerst moet de vraag beantwoord worden of het Schriftgezag in het geding is – dan is optreden noodzakelijk – òf dat er sprake is van een verschillend Schriftverstaan, waarin je elkaar moet kunnen verdragen. Wat is het soortelijk gewicht van de thema’s, waarin afgeweken wordt? Behoren die tot de fundamenten van het christelijk geloof, of niet?

In de bespreking werd regelmatig teruggegrepen op de geschiedenis van de CGK-kerken. Wie zijn wij als CGK, waar staan wij voor en wat zijn onze manieren? Positief werd gewezen op het beginsel van de Afscheiding uit 1834, waar de inzet was de zuivere verkondiging. Door deze verkondiging heeft de Heer het kerkverband van de CGK in haar geschiedenis bewaard voor breuken. Negatief werd de afgevaardigden het Doleantie-denken van Abraham Kuyper en de Vereniging van 1892 voorgehouden: uiting van ‘ware kerk’-denken dat zichzelf verteert, gezien de breuken van 1926, 1944, 1967 en 2003. In plaats van kerkpolitiek bedrijven werd er opgeroepen tot verootmoediging voor de Heer: ‘De kerk is aan ons gegeven en wij zijn aan elkaar gegeven. Een zuivere kerk verwachten wij, maar die maken wij niet.’

De synode nam ruim de tijd om ieder aan het woord te laten. De geplande afronding om 15.00 u werd niet gehaald, maar tegen kwart voor vier had ieder zijn bijdrage kunnen inbrengen. Daarna kregen de hoogleraren als preadviseurs gelegenheid hun zienswijze en adviezen naar voren te brengen. Eerst de hoogleraren Kater, Huygen en Baars, tenslotte prof. Selderhuis.  

De visie van de hoogleraren Kater en Baars is helder. Kerken die afwijken van wat is afgesproken ‘misdragen zich op ongehoorde manier’ en ‘zondigen’ zodanig, dat ze broederlijk vermaand moeten worden. Als dat niet gebeurt, dan houden de CGK kerken op kerk te zijn. Huygen is van mening, dat het Schriftgezag niet in het geding is en dat het de CGK niet past om kerken buiten het verband te zetten.

Als laatste hoogleraar wordt Selderhuis door de voorzitter geïntroduceerd met de woorden: ‘Prof. Selderhuis had nog een advies van iets andere aard’. Zijn advies blijkt een voorstel om nu als afronding van de bespreking als synode een unaniem besluit te nemen en zo een appèl op de kerken te doen geen afwijkende besluiten te nemen of uit te voeren over die zaken, die op de synodetafel liggen. Hij heeft bij de synode de algemene verontwaardiging gemist dat kerken besluiten naast zich neer leggen en dat afwijkingen gedoogd worden. De CGK kerken staan in brand. Daarom moet er van de synode een appèl uitgaan niet nog meer olie op het vuur te gooien.

Het bijzondere van dit voorstel is dat het gepresenteerd wordt als een voorstel van orde – een tijdelijk moratorium om de synode rustig te laten nadenken -,  terwijl er inhoudelijk de aanname aan ten grondslag ligt waar uitgebreid de afgelopen dagen het voor en het tegen over naar voren is gebracht: afwijkingen van bestaande afspraken zijn niet te tolereren. Aannemen van dit voorstel van orde betekent daarom dat in die discussie een knoop wordt doorgehakt en inhoudelijk de toon gezet wordt voor het vervolg van de synode.

Vergader-technisch is het vervolgens vreemd, dat dit advies meteen door de voorzitter als voorstel in de vergadering wordt gebracht, waarbij hij suggereert dat er gezien de tijd niet inhoudelijk over doorgesproken kan worden, maar dat hij het in stemming brengt om te bezien of het unaniem aanvaard kan worden, omdat ‘alleen dan zo’n appèl zal werken.’ Op de vraag of dit appel niet alleen voor de kerken maar ook voor de classes moet gelden, antwoordt de voorzitter dat het alleen de kerken geldt, omdat hij van mening is dat ‘het erg ver gaat om als synode te treden in de overwegingen en de procesgang van een classis.’  

Als toeschouwer van de livestream vond ik dit een spannend moment. Wordt er op deze manier geen morele druk op de synodeleden uitgeoefend om een eventuele unanimiteit niet te doorbreken, ook al heb je niet de gelegenheid om het voorstel goed op je in te laten werken en de consequenties daarvan te overzien?  Het voorstel is toch juist gepresenteerd als signaal aan de kerken, dat wij als synode niet willen dat kerken uiteen gaan? Wie kan daar nu tegen zijn?

Bij stemming blijkt het voorstel unaniem aangenomen. Als toeschouwer blijf ik verbijsterd achter met de vraag, die prof. Selderhuis op retorische wijze al opwierp: ‘Is de Doleantiegeest te ver bij de CGK binnengedrongen?’


[1] De livestream is te bekijken via: https://bit.ly/2Sc3gtj.

Meedenken met Paulus [i]

Dr. Bert Loonstra heeft een waardevol boekje geschreven over Paulus’ omgang met de wet en de geschriften van Israel. Daarmee wil hij het gesprek over de vrouw in het ambt in de GKv en in zijn eigen CGK verder helpen.

Waarin voor- en tegenstanders beslissend van mening met elkaar verschillen, is hoe om te gaan met de zgn. zwijgteksten. Zijn deze teksten het einde van alle tegenspraak of mag je ze ook in hun eigen context plaatsen? D.w.z. mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Dat laatste is wat Loonstra met zijn boekje beoogt: ‘Demonstreren dat de Schrift zelf leert dat in andere tijden de rol van de vrouw anders kan worden dan die welke Paulus in zijn eigen situatie verdedigt’ (12). Hij wil duidelijk maken dat trouw aan de Schrift niet bestaat in het naspreken van wat Paulus destijds heeft gezegd, maar in een nieuwe toepassing van diens eigen uitgangspunten en manier van denken.

Daarom probeert Loonstra de structuur van Paulus’ denken en redeneren op het spoor te komen. Hij laat zien dat Paulus aan de ene kant een continuïteit tussen het christelijk geloof en het Oude Testament tekent. Centraal staat God, de Schepper van de hemel en aarde, de God van Israel, de God van de Thora, de God van liefde, recht en trouw. Maar God is ook de Vader van onze Heer Jezus Christus, die bevrijdend verschenen is voor alle mensen. Op dit punt komt Paulus’ denken op gespannen voet te staan met het joodse denken. Paulus relativeert de betekenis van de wet en de besnijdenis, omdat God buiten de wet om gerechtigheid brengt (Romeinen 3). De ‘letter’ van de wet brengt een vloek, waar Christus ons van bevrijdt (Galaten 3). Zo heeft de geschreven wet als gevestigde autoriteit zijn macht verloren en kan Paulus de ‘letter’ tegenover de Geest stellen. De ‘letter’ d.w.z. de uitwendige wet doodt, maar de Geest maakt levend, doordat hij de wet in ons hart schrijft (2 Korintiërs 3) en in ons de liefde als vervulling van de wet uitstort (Romeinen 5).

In Galaten 5 benadrukt Paulus dat de gelovigen zich niet opnieuw een slavenjuk moeten laten opleggen: ze zijn bevrijd van de wet. Tegelijk schrijft hij dat die vrijheid niet misbruikt mag worden om de hartstochten te bevredigen. Het is een vrijheid tot dienstbaarheid in liefde. In dat kader formuleert Paulus concrete gedragsaanwijzingen voor de gelovigen, waarbij hij in sommige gevallen ook expliciet naar de geschreven wet verwijst, b.v. als het gaat over de positie van de vrouw in de gemeente.

De vraag is nu hoe de vrijheid van de Geest en het concrete gebod zich tot elkaar verhouden. Volgens Loonstra doet Paulus een beroep op bepalingen in de wet, wanneer en zolang ze een invulling geven aan de kernwaarden van het evangelie en uitdrukking geven aan het leven met Christus door de Geest. Andere tijden kunnen daarom een andere toepassing vragen om de betekenis van het evangelie te concretiseren. Een voorbeeld daarvan is de slavernij. Paulus roept slaven op om zich te onderschikken aan hun meesters, terwijl wij met een beroep op het evangelie slavernij als een mensonterende praktijk veroordelen. Waar in de tijd van Paulus een oproep tot verzet tegen de slavernij het evangelie in diskrediet zou brengen, heeft in onze tijd een pleidooi voor slavernij juist dat negatieve effect.

Dit principe past Loonstra toe op de positie van de vrouw in de gemeente. Gegeven de patriarchale samenleving waarin Paulus leefde, was zijn gebod aan vrouwen om zich in de gemeente aan de man te onderwerpen een middel om bij te dragen aan de verbreiding van het evangelie. In onze westerse samenleving is dit gebod tot onderwerping van de vrouw aan de man het tegendeel van een bevrijdende boodschap. Daarmee lijkt het op de ‘letter’ van de wet die niet heilzaam is. Het is namelijk goed te verdedigen dat de emancipatie van de vrouw in de gemeente en het toelaten van de vrouw in het ambt aansluit bij de kern van het evangelie, waarin Gods bevrijdende liefde centraal staat.

Volgens Loonstra is het onvermijdelijk en gerechtvaardigd, dat onze westerse cultuur zo een stempel zet op de manier waarop wij het evangelie in onze tijd vorm geven. Mits die toepassing geënt is en blijft op de basisnoties van het evangelie: toewijding aan Christus, gerichtheid op de ander in liefde, verantwoordelijkheid, gemeenschapszin, oprechtheid en trouw. Alles is geoorloofd, maatgevend is of het nuttig en opbouwend is.

Loonstra geeft terecht aan, dat er moed voor nodig is om zo met de bijbel om te gaan. Zijns inziens komt deze omgang met de wet en met de Schrift uit de bijbel zelf op en doet deze beter recht aan de integrale boodschap van Paulus dan het vasthouden aan zijn afzonderlijke aanwijzingen, omdat immers ook recht moet worden gedaan aan de context van Paulus’ Schriftgebruik.

N.a.v. dr. Bert Loonstra, Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018, prijs: € 12,95

 

[i] Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 11 d.d. 25 mei 2018

Zwijgteksten

Kun je trouw aan de bijbel zijn en toch de vrouw in het ambt toelaten? Doe je dan wel recht aan de zogenaamde zwijgteksten van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2? Daar staat toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente?

Maar dit is dus waar het om gaat: staat er wel wat er zo op het eerste gezicht schijnt te staan en wat we altijd vanuit de traditie hebben aangenomen?

Teksten worden altijd gelezen vanuit bepaalde vooronderstellingen, anders krijgen ze geen betekenis. Dat is de grote ontdekking geweest van de hermeneutische filosofie in de 20e eeuw. De vraag bij elke interpretatie of exegese is of je bereid bent om je vooroordelen ter discussie te laten stellen door de tekst zelf.

Anders gezegd: ben je bereid om door het lezen van een tekst een schifting aan te brengen tussen je terechte en je onterechte vooroordelen? En dan je onterechte vooronderstellingen los te laten om zo tot een ander verstaan van de tekst te komen? Mag de tekst werkelijk het laatste woord hebben, ook al zal dat laatste woord zich alleen in de interpretatie van de tekst zelf door kunnen zetten?

Een tekst wordt altijd op een bepaalde manier waargenomen. Het woord is een tegenover, maar kan pas als een tegenover bestaan wanneer het gelezen en geïnterpreteerd wordt. Ben je bereid om de bril die je onvermijdelijk altijd op hebt, scherper te stellen zodat de tekst zelf ook echt zijn gezag kan uitoefenen?

Juist bij teksten die een beschrijving geven van een historische situatie is het te verwachten, dat er in de loop van de tijd nieuwe interpretaties zullen komen. De brieven van Paulus zijn geschreven in een bepaalde tijd, aan specifieke gemeenten en personen en vaak naar aanleiding van concrete situaties, die wij niet direct kennen en daarom bij het uitleggen van de brieven moeten invullen om tot een coherente lezing van de tekst te komen. Doordat wij vooral de laatste vijftig jaar veel meer zicht hebben gekregen op de historische, culturele, sociale, religieuze en politieke context waarin Paulus en de vroeg-christelijke gemeenten hun weg moesten vinden, is het niet verwonderlijk dat er ook nieuw licht op de brieven van Paulus gevallen is.

Als het gaat om m/v en het ambt denk ik met name aan de informatie over èn de betekenis van onderwerpen als ‘eer en schande’, het patronagesysteem in de Grieks-Romeinse samenleving, de rol van de vrouw in het publieke leven en binnen de huiselijke sfeer, de samenstelling van het huis en de ‘household’, dat niet alleen uit een kern-gezin bestaat, maar uit een ‘extended family’, waar ook andere familieleden en slaven deel van uitmaakten. Al deze informatie helpt ons om een beter zicht te krijgen op het functioneren van de huisgemeenten en op de context waarin Paulus zijn aanbevelingen over de positie van de vrouw in de gemeente doet.[i]

De vraag is of je op basis van deze nieuwe informatie bereid bent om de bestaande vooronderstellingen in de traditionele exegese van de zwijgteksten opnieuw onder ogen te zien en te schiften tussen houdbare en niet-houdbare vooronderstellingen? Zelfs al zal dat leiden tot een andere uitleg van deze teksten en tot het openstellen van de ambten voor de vrouw in de GKV?

Dat is de uitdaging waar wij als gereformeerden voor staan. Tenminste dat lijkt me logisch, willen we werkelijk trouw aan de boodschap van de bijbel zijn.

[i] Goed leesbare standaardwerken zijn nog altijd Wayne A. Meeks, The First Urban Christians. The Social World of the Apostle Paul, Yale University, 1983 en Robert J. Banks, Paul’s Idea of Community. The Early House Churches in Their Cultural Setting, Hendrickson Publishers, 2007, revised edition. Voor een specifieke toepassing op het onderwerp m/v en de vroege kerk verwijs ik naar Cynthia Long Westfall, Paul and Gender. Reclaiming the Apostle’s Vision for Men and Women in Christ, Baker Acadamic, 2016.

Hermeneutiek, m/v en de eenheid tussen GKV en NGK

Interessante vraag: hoe verhouden de twee besluiten van de GKV synode over resp. ‘de vrouw en het ambt’ en ‘de overeenstemming in de hermeneutiek met de NGK’ zich tot elkaar? Heeft de NGK juist niet vanuit hun hermeneutiek de deur voor de vrouw in het ambt open gezet? Het antwoord hierop heb ik geprobeerd te vinden in het deputatenrapport van Deputaten Kerkelijke Eenheid (DKE).[i]

Er was in 2010/2011 al overeenstemming tussen de GKV en de NGK over het lezen van de bijbel. Die omvatte kort samengevat het volgende (9/10):

1. De Bijbel is het Woord van God: Wij belijden dat de Bijbel het Woord van God is, geïnspireerd door de Heilige Geest. Die belijdenis bepaalt onze leeshouding en onze uitleg.

2. De contextbetrokkenheid van Bijbelse voorschriften: God gaat verlossend om met concrete mensen in concrete situaties. Om Bijbelse voorschriften in hun betekenis voor ons te begrijpen, zullen we verschillen en overeenkomsten tussen de context van toen en van nu in rekening moeten brengen. Steeds leren we echter wel uit Gods omgang met onze contexten zijn bedoeling voor ons leven kennen.

3. Het beroep op de schepping: In de ethiek is van belang dat deze wereld Gods schepping is. Door de zonde en door het komende koninkrijk van God leren we Gods bedoeling met zijn schepping echter vooral kennen in wat God ons openbaart over zijn schepping in zijn Woord.

4. De verantwoordelijkheid van de mens: Mensen hebben een eigen oordeelsvermogen en een eigen verantwoordelijkheid. Omdat mensen door de zonde beschadigd zijn maar ook in Christus vernieuwd worden, is het wezenlijk deze verantwoordelijkheid steeds weer te laten vullen vanuit de verbondenheid met Christus, de leiding door de Geest, en het Woord van God.

5. Geloofwaardigheid en cultuur: Toepassing van Bijbelse voorschriften moet geloofwaardig zijn, niet zozeer tegenover het forum van wat huidige cultuur als acceptabel aanvaardt, maar wel geloofwaardig in de zin van integer, eerlijk en niet-selectief. Die toepassing kan dan zowel een kritische als een bij de cultuur aansluitende vorm krijgen.

6. Hermeneutiek en exegese: Onder hermeneutiek verstaan we niet een activiteit die volgt op de exegese, waarin de kloof tussen een oude tekst en een moderne lezer overbrugd moet worden. Hermeneutiek begrijpen wij als kritische bezinning op het hele verstaansproces, dat ook de exegese omvat. Dit verstaansproces is niet van een hermeneutiek afhankelijk, maar hermeneutiek kan wel het verstaansproces kritisch begeleiden en waar nodig verbeteren.

Op basis van deze overeenstemming hebben vertegenwoordigers van de GKV en NGK in de periode 2011-2014 gesprekken gevoerd over twee thema’s:

1. Eenheid en diversiteit in de bijbel
2. De houding tegenover en de omgang met de bijbel

Ad 1. Eenheid en diversiteit in de bijbel.

Daarover rapporteren Deputaten het volgende (10/11):

“De Heilige Schriften zijn geen massief geheel, maar een verzameling van 66 geschriften die in een periode van eeuwen ontstaan zijn. Dat maakt de Bijbel een veelkleurig geheel waarin een diversiteit aan stemmen klinkt. Wij geloven dat deze diversiteit echter geen pluraliteit vormt van een kakofonie aan stemmen. Wij geloven dat deze stemmen samen een harmonieuze samenklank laten horen, waarin de drie-enige God ons duidelijk de weg wijst naar Hemzelf, naar onze redding in Christus en door de Geest, en naar een nieuw leven tot zijn eer.

Tegelijk zien wij dat er in ons schriftverstaan verschillen zijn, ook binnen de NGK en de GKv zelf. Wij verstaan de schriften niet altijd op dezelfde manier, en ook slagen wij er niet altijd in om wat wij op verschillende plaatsen in de schrift lezen, met elkaar te combineren. Zo lopen we aan tegen spanningen in ons schriftverstaan. Deze spanningen zijn voor ons geen reden om de Bijbel dan maar naast ons neer te leggen als een innerlijk tegenstrijdig en daarom onbruikbaar boek. We erkennen onze kleinheid en ons onvermogen in ons schriftverstaan en in ons spreken met elkaar over de schrift. Maar we herkennen bij elkaar ook de intentie om de schrift steeds beter te verstaan en elkaar hierin op te scherpen. Samen willen we blijven proberen de eenheid van de canon te verstaan.”

Als het specifiek gaat om m/v concluderen Deputaten ten aanzien van de eenheid en diversiteit in de bijbel (11):

“In onze gesprekken hebben we elkaar dus gevonden in de overtuiging dat de canon een eenheid vormt die we als ons richtsnoer aanvaarden, maar ook in de erkenning dat in ons schriftverstaan het ons niet altijd duidelijk is hoe de verschillende aspecten in het Bijbelse spreken over man en vrouw zich tot elkaar verhouden en wat de doorslag moet geven in onze invulling van de rollen van man en vrouw.”

Ad 2. De houding tegenover en de omgang met de bijbel.

Daarover rapporteren Deputaten (11):

“De 66 boeken die we in de Bijbel vinden, zijn maar geen menselijke geschriften. Als leerlingen van onze Heer Jezus Christus aanvaarden we ze als canon en richtsnoer voor ons leven, als Woord van God. Samen willen we gehoorzamen aan dat woord en in trouw daaraan volgelingen van onze Heer Jezus Christus zijn. We herkennen in ons eigen hart en in onze eigen kerken, dat die gehoorzaamheid nooit vanzelf spreekt. We herkennen ook bij elkaar de zorg dat die gehoorzaamheid juist in onze tijd onder druk staat, zowel in de GKv als in de NGK. Maar we herkennen bij elkaar ook de diepe intentie om gehoorzaam te zijn aan onze God en onszelf op dit punt kritisch te (laten) bevragen.”

Hun conclusie is (12):

“We herkennen dus bij elkaar het verlangen om gehoorzaam te zijn aan Gods woord. In beide kerken staat die gehoorzaamheid onder druk, en is nooit vanzelfsprekend. Tegelijk is het vertrouwen gegroeid, dat we beiden willen buigen voor Gods woord en niet met een mooi klinkende hermeneutiek voor die gehoorzaamheid willen weglopen.”

De gesprekken die over deze 2 thema’s hebben plaatsgevonden hebben tot een wederzijdse overeenstemming tussen de vertegenwoordigers van de GKV en de NGK geleid. Ze zijn er van overtuigd geraakt, dat de GKV en NGK elkaar vertrouwen kunnen schenken als het gaat om de centrale uitgangspunten voor de omgang met de bijbel. Op basis hiervan lag er dus dat voorstel om de gesprekken nu voort te zetten met als doel om tot kerkelijke eenheid te komen. In de woorden van Deputaten zelf (13):

“Zoals uit de Tweede Overeenstemming blijkt, kunnen we als deputaatschap dankbaar constateren dat we als GKv en NGK het vertrouwen hebben dat de Heilige Schrift door beide kerken als Gods Woord wordt aanvaard en we die Schrift bij elkaar in veilige handen weten. Ook als we concreet op een bepaald punt niet tot dezelfde conclusie zouden komen (bij voorbeeld ten aanzien van de vraag of ook vrouwen ambtsdrager kunnen zijn) komt dat niet in mindering op dit vertrouwen. We leggen nu aan de synode deze uitkomst voor en stellen voor dat er een afronding komt aan de gesprekken over de confessie en de hermeneutiek en dat we een nieuw stadium in onze kerkelijke contacten betreden. In onze eigen terminologie: dat we van gesprekken overgaan tot samensprekingen met het oog op kerkelijke eenheid.”

Hoe verhouden de twee besluiten met betrekking tot ‘de vrouw en het ambt’ en ‘overeenstemming in de hermeneutiek met de NGK’ zich dus tot elkaar?

De kern is dat de besluiten verenigbaar zijn, omdat het mogelijk is om met gelijke hermeneutische intentie toch van mening te verschillen. Zoals Deputaten in hun rapport  ten aanzien van het gesprek over “de vrouw en het ambt” schrijven:

“Tegelijk erkennen DKE, dat het mogelijk is om met die intentie toch van mening te verschillen over de exegese van concrete Bijbelgedeelten en over wat God in die Bijbelgedeelten vandaag van ons vraagt. Bij de thematiek van vrouwelijke ouderlingen en predikanten zou dat ook het geval kunnen zijn, maar daarmee hebben we ons in onze gesprekken (nog) niet bezig gehouden.” (12).

Zolang er dus maar aan de randvoorwaarde voldaan is, die in het besluit over ‘de vrouw in het ambt’ opgenomen is: “de visie dat behalve mannen ook vrouwen in de kerkelijke ambten mogen dienen moet vrij bespreekbaar zijn zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt.”

Wordt ongetwijfeld nog vervolgd.


[i]
 Rapport Deputaten Kerkelijke Eenheid 2014. Cijfers tussen haakjes verwijzen naar de paginanummering van dit rapport.

 

Sjibbolet

En daar was het onvermijdelijke sjibbolet: Schriftkritiek. “Deputaten M/V in de kerk gaan langs de afgrond van de Schriftkritiek en misschien soms wel er net overheen.” Verweer je maar eens tegen dat verwijt. Vaak is een werkelijk gesprek niet meer mogelijk. Omdat de loopgraven betrokken worden, zo ze dat al niet waren.

Misschien is het ook wel goed, dat de term expliciet ter tafel kwam. Onderhuids schuurde het al in de reacties met oordelen als ‘te veel openheid voor de cultuur’ en ‘een exegese die gedomineerd wordt door de eigen context’. Typerend daarvoor is de verwoording van de mededeputaat Dick Slump, die geen verantwoordelijkheid voor de eindconclusies van het rapport van deputaten wilde dragen:

“Het rapport kent dus naar mijn mening aan de ene kant een te groot gewicht toe aan de veranderde culturele context waarin de vraag van de synode moet worden beantwoord, aan de andere kant geeft het ook geen overtuigende antwoorden op de vraag waarom Paulus zich bij zijn aanwijzingen voor mannen en vrouwen beroept op argumenten die moeilijk als cultuurbepaald kunnen worden geduid”, (Rapport Deputaten M/V in de kerk, p. 40).

Onderliggende vraag is op welke wijze je recht doet aan het gezag van Gods spreken in de bijbel. Betekent dat je je vandaag in elk opzicht (letterlijk) moet houden aan al de regels en voorschriften, die in de bijbel vermeld staan? Op welke wijze beroep je je op de bijbel? In die zin legt deputaat Slump in zijn verantwoording terecht de vraag naar het Schriftverstaan op tafel. In de wijze waarop hij dit Schriftverstaan vervolgens uitwerkt wordt zichtbaar, dat hij daarbij verschillende knopen doorhakt die voor discussie vatbaar zijn:

“Bevestiging van de gereformeerde visie op het Schriftverstaan. De Schrift is haar eigen uitlegger. De teksten van Paulus in de verschillende brieven mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Zij geven samen een beeld van de positie van man en vrouw in de kerk. Kritisch over de moderne hermeneutiek in die zin dat de verschillen tussen de cultuur van de bijbel (voor zover daarover eensgezindheid zou bestaan) en de huidige Nederlandse cultuur niet doorslaggevend kunnen zijn om tot een invulling van de ambten te komen die zich niet verdraagt met richtinggevende en met apostolisch gezag gegeven uitspraken van Paulus over de grenzen van de bevoegdheden van vrouwen in de (samenkomsten) van de gemeente”, (idem, 42).

Mijn grootste moeite zit hem in het feit, dat Slump stelt dat de teksten van Paulus een beeld geven van de positie van man en vrouw in de kerk. De vraag naar de directe normativiteit van Paulus concrete richtlijnen destijds voor vandaag is hiermee voorondersteld, terwijl dat juist het punt is waar het in het gesprek over zal moeten gaan. Zoals deputaten terecht concluderen:

De vraag: “Op welke manier zijn de bijbelse voorschriften, gegeven in een concrete culturele situatie, van toepassing op onze huidige situatie?” blijft dus staan, (idem, p. 7).

In de gereformeerde traditie is het gangbaar om allerlei bepalingen uit het Oude Testament niet meer van toepassing te verklaren, omdat wij nu onder het nieuwe verbond leven: in Christus zijn ze vervuld. De conclusie die dan vaak (onbewust) getrokken wordt, is dat dus alle bepalingen uit het Nieuwe Testament gelding hebben, omdat die binnen het nieuwe verbond geformuleerd zijn. Een beroep op N.T.-ische teksten lijkt vaak een definitief uitsluitsel te kunnen geven. Slumps visie is daar een voorbeeld van.

Toch blijken er ook dan ten aanzien van N.T.-ische teksten naast verschillende interpretaties algemeen aanvaarde uitzonderingen met een beroep op culturele verschillen te bestaan. Het meest bekende en typerende voorbeeld is wel 1 Tim. 2 : 8: “Ik wil dat bij iedere samenkomst de mannen met geheven handen bidden, vol toewijding, zonder wrok of onenigheid.”  Wij bidden niet meer met geheven handen.

Wanneer Paulus daar 1 Tim. 2 : 11 en 12 in één adem aan toevoegt, “Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn”, is het voor velen meteen duidelijk dat dit niet cultureel bepaald is, omdat Paulus zijn visie beargumenteert met een beroep op het oorsprongsverhaal in Gen. 2 en 3. Slump komt in zijn verantwoording dan ook meteen op voor de normatieve betekenis van deze tekst voor onze tijd:

“Mag je dan – zonder dat de tekst zelf daarvoor een aanwijzing geeft – aannemen dat Paulus zich bij zijn verwijzing naar schepping en zondeval als motivering voor dit onderwijs, bedient van een argument zonder normatieve betekenis voor onze tijd?”, (idem, p. 40).

Deputaten beargumenteren echter, dat er zeer wel redenen zijn om ook hier met culturele verschillen te rekenen en deze tekst dus niet automatisch van normatieve betekenis voor onze tijd te laten zijn, (idem, 24).

Laat het gesprek op de synode hierover gaan. Kun je tot gemeenschappelijk richtlijnen komen om richting te bieden voor de vraag, wanneer en op welke wijze teksten uit de bijbel van normatieve betekenis zijn voor onze tijd? Op welke wijze kunnen en mogen wij de verschillen in culturele context tussen de bijbel en nu in rekening brengen? Dat voorkomt misschien dat het woord “Schriftkritiek’ een sjibbolet in de m/v discussie wordt.

Paulus recht doen

We zullen in de discussie over m/v in de kerk meer recht moeten doen aan Paulus. Dat was de boodschap van een groot aantal sprekers op de GKV Synode Ede afgelopen zaterdag.

Ik vermoed dat deze sprekers bedoelden tot uitdrukking te brengen, dat zij de zgn. zwijgteksten van Paulus zo opvatten, dat ze een absoluut verbod zijn om vrouwen het recht van spreken in de gemeente te geven. De relatie tussen mannen en vrouwen is zodanig, dat vrouwen ondergeschikt zijn aan de man, wat in de kerk tot uiting moet komen, dat zij geen gezag over de man mogen hebben. Daarom zullen ze niet in het ambt mogen dienen.

Op een bepaalde manier kan ik mij deze positie voorstellen, omdat men zo recht wil doen aan het gezag van Gods woord en het verwijt van Schriftkritiek wil voorkomen. Tegelijk vind ik dat het geen oplossing biedt voor het probleem waar wij als GKV kerken voor staan en dat deputaten in hun rapport zo verwoord hebben:

‘Steeds meer wordt door kerkleden een spanning ervaren tussen de mogelijkheden voor vrouwen in het maatschappelijke leven en de in vergelijking daarmee beperkte ruimte voor vrouwen in het kerkelijke leven. Waarbij tevens spanning wordt ervaren tussen ‘de leer’, dat wil zeggen het officiële standpunt aangaande de geslotenheid van de ambten voor vrouwen, en ‘het leven’, dat wil zeggen de manier waarop vrouwen momenteel in de kerken hun gaven inzetten en daarbij ook leidinggevend en onderwijzend optreden’, (Rapport Deputaten M/V in de kerk, p. 5).

Ik ben benieuwd, of genoemde sprekers met evenveel verve met een beroep op Paulus’ inzichten zullen verdedigen dat wij ook in het huidige maatschappelijke en persoonlijke leven recht zullen moeten doen aan de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man. Ik vind dat je dat mag verwachten, wil dit beroep op het gezag van de bijbel consistent en geloofwaardig zijn.

Paulus honoreren betekent m.i., dat je ook recht zult moeten doen aan zijn manier van interpreteren en argumenteren. En dat je daarnaast in rekening moet brengen, op welke wijze hij zelf vrouwen inschakelde in de verkondiging van het evangelie. Paulus inzichten zijn, – getuige het volgende citaat -, niet altijd zo eenduidig als ze op het eerste gezicht lijken:

“One of the largest stumbling blocks for many hierarchists is Paul’s teaching about women in texts like 1 Timothy 2:11–15 and 1 Corinthians 11. The exegetical debates between hierarchical and egalitarian interpreters seem endless, the details of which I cannot explore here. The larger question, in my view, is why do hierarchists employ these passages as controlling texts? Why not make Galatians 3:26–29 the dominant text, or, for that matter, the many other examples in Scripture of women exercising leadership gifts? This demonstrates that a hermeneutical and theological decision precedes and impacts the exegesis of the passages, informing their debate about women in ministry. My own approach to reconciling these passages is that the New Testament prioritizes the sovereignty of the Holy Spirit and Spirit gifting, except in particular circumstances where specific problems in the church (1 Tim. 1–2; 1 Cor. 11) or the integrity of witness (1 Pet. 2–3) call for more controlled measures. For Paul, the priority is always the integrity of the gospel message and the people who proclaim it. Consequently, he can be extremely pragmatic when it comes to particular circumstances demanding a unique application. Examples of this include his discussion of conscience in Romans 14, his instructions concerning eating meat sacrificed to idols in 1 Corinthians 8 (compare his comments with Acts 15:20 and 21:25), his decision to circumcise Timothy in Acts 16, and his exhortations to women and slaves in Ephesians 5–6 and Colossians 3. While in some cases Paul restricts the activities of women, in other cases he radically affirms them, as with Phoebe (a deacon), Junia (an apostle), Lydia (a businesswoman and house church leader), Euodia and Syntyche (who partnered with him in the cause of the gospel), and his inclusion of women in congregational (public) praying and singing.”

Patrick S. Franklin, ‘Women Sharing in the Ministry of God: A Trinitarian Framework for the Priority of Spirit Gifting as a Solution to the Gender Debate’, in: Priscilla Papers, Vol. 22, No. 4 (Autumn 2008), p. 17.

 

 

Vreemd

Vreemd eigenlijk dat er nu over de vrouw in het ambt zo’n ophef is.

De vraag hoe je recht doet aan Gods spreken in de bijbel is niet uniek. Die zou in heel het leven van een christen bepalend moeten zijn. Niet alleen in het kerkelijk leven als het gaat over de vraag wie in het bijzonder ambt mag dienen. Maar ook als het gaat over de vormgeving van het persoonlijk en maatschappelijk leven. Je stuit daar op dezelfde vraag: hoe verhoudt onze cultuur zich tot de cultuur van de bijbel?

De discussie over de vrouw in het ambt zou een afgeleide moeten zijn van de vraag hoe wij in onze cultuur vorm geven aan de normen en levensregels van God, die wij in de bijbel vinden.

Hoe passen wij normen die bepaald zijn door èn ingebed zijn in een andere cultuur, toe in onze westerse samenleving? Normen voor een cultuur, die op een ander waardesysteem gefundeerd is. Dat is het punt, waarop het botst. Paulus argumenteert vanuit een specifiek waardesysteem: dat van eer en schande (honor and shame). De manier waarop hij zijn regels formuleert en beargumenteert is daardoor bepaald, zelfs in zijn beroep op de scheppingsorde.

Vreemd eigenlijk dat deze vragen over de cultuurbepaaldheid van de bijbel nu pas een belangrijk item worden. Als het gaat over de vormgeving van het kerkelijk leven.

Kennelijk roept de vormgeving van ons persoonlijk en maatschappelijk leven als christen veel minder problemen op. Terwijl je daar diezelfde botsing van waarden kunt verwachten. Dat bijbelse normen en leefregels geformuleerd en beargumenteerd worden binnen een waardesysteem, waarin het individu zijn betekenis en plaats toegewezen krijgt vanuit het overkoepelende collectief. Kennelijk hebben wij minder scrupules als het daar botst.

Ik blijf het vreemd vinden. De vrouw in het ambt als trigger om de vraag naar de cultuurbepaaldheid van de bijbel op de agenda van een synode plaatsen.