De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur

Groot-Brittannië is al ruim twee jaar met de EU in onderhandelingen hoe het uittreden uit de EU geregeld moet worden. De vraag is of het een ‘harde’ of een ‘zachte’ Brexit zal worden. Zoals het er nu uitziet wordt het een compromis tussen ‘hard’ en ‘zacht’, ergens halverwege dus.

Hier moest ik aan denken toen ik ruim een jaar na het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, de stand van zaken probeerde op te maken. Want de GKV probeert al enkele decennia te dealen met de bijbelse geboden, waarin duidelijk de patriarchale cultuur doorklinkt waarin ze gegeven zijn. Daarbij spitst de discussie zich toe op de vraag, hoe God de verhouding tussen mannen en vrouwen bedoeld heeft.

 

  • Verandering in visie op m/v in de 20e eeuw

Cultureel en sociologisch gezien ligt aan de zaak van ‘m/v en ambt’ de vraag ten grondslag hoe je als christen omgaat met de modernisering van de samenleving. Daarom werd de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk pas in de 20e eeuw relevant. Vrouwen gingen voor vervolgonderwijs, ook naar de universiteit. Ze werden arts of jurist en werden sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 ook politiek actief. Zo kwamen ze op verantwoordelijke en leidinggevende posities terecht. Op dat moment ging het wringen met de geldende visie, dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn.

De eerste testcase voor de gereformeerden was de vraag of de vrouw ook in de kerk zou mogen stemmen. Zo werd in 1930 de traditionele visie op de verhouding tussen man en vrouw kerkelijk vastgelegd. De GS Arnhem 1930 besloot, dat vrouwen niet aan de verkiezing mochten deelnemen, omdat ze daarmee invloed zouden krijgen op het leiding geven aan de gemeente door de kerkenraad.

Je kunt deze visie op de positie van de vrouw in de kerk in twee stellingen met conclusie samenvatten: 

          (1)    het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)    de vrouw is onderworpen aan de man resp. ze mag geen gezag over                              de man voeren                                                                                                               ► de vrouw mag niet stemmen en/of in het ambt dienen

Op grond van het scheppings- en zondevalverhaal in Genesis en van de zgn. zwijgteksten in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 en onder verwijzing naar Ef. 5, waar Paulus de man het hoofd van de vrouw noemt, concludeerde men in 1930 tot een scheppingsorde, waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man. Teksten in het Oude en Nieuwe Testament, waarin vrouwen wel met gezag optreden en verantwoordelijke taken vervulden, werden als niet relevant terzijde geschoven en dus niet in de vorming van de visie op de verhouding van man en vrouw meegenomen. Ze werden ‘het zwijgen opgelegd’.[i]

In de jaren ’90 bogen verschillende GKV synoden zich opnieuw over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Na het opnieuw bestuderen van de bijbelteksten werd een nieuwe visie op de verhouding van man en vrouw geformuleerd. Op grond daarvan werd in 1993 bijna unaniem aan vrouwen het stemrecht toegekend. Wel spreekt men nog uitdrukkelijk uit, dat de argumentatie voor het geven van het stemrecht aan vrouwen niet betekent dat vrouwen in het ambt mogen dienen.

In lijn met deze nieuwe exegese van de m/v-teksten wordt in 1996 en 1999 in aangepaste huwelijksformulieren de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk opnieuw omschreven.  

Gemeenteleden kregen door het leven in een moderne samenleving steeds meer moeite met de manier, waarop in het oude huwelijksformulier de ondergeschiktheid van de vrouw beschreven en beargumenteerd werd. Ook kon men zich niet vinden in de formulering van de rol- en taakverdeling van man en vrouw in het huwelijk, omdat de praktijk anders was als de man voor het inkomen moet zorgen en de vrouw het huishouden en het gezin als haar domein heeft.[ii]

In het nieuwe huwelijksformulier is de formulering geschrapt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man en dat de man gezag over zijn vrouw heeft. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig en ze zijn samen beeld van God. Van hieruit wordt gesproken over de onderscheiden positie en verantwoordelijkheid, waarbij de man als de eerstverantwoordelijke wordt getypeerd.

 

  • Het ‘m/v en ambt’-besluit in 2017

In 2008 kwam opnieuw de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk op. Taken die traditioneel aan het ambt gekoppeld zijn, worden ook vaak door vrouwen verricht. Nieuwe bezinning leidde er toe dat de synode van Meppel in 2017 besloot het ambt voor de vrouw open te stellen. In plaats van de ´zachte´ Brexit van de ´90-er jaren koos men nu voor een ´harde´ Brexit om van de negatieve effecten van de patriarchale cultuur los te komen.

Logisch gezien heeft de uitspraak van de synode in 2017 alles te maken met het opnieuw doordenken van de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de verhouding van man en vrouw in de jaren ´90. De uitgangspunten voor die visie waren toen:

     (a)   Het is niet bijbels om uit te gaan van een scheppingsorde, waarin de vrouw                    aan de man ‘ondergeschikt’ is.

     (b)   Een specifieke taak- en rolverdeling van man en vrouw in gezin en                                  maatschappij is niet te geven, omdat de bijbel daar geen normatieve uitspraken              over doet.

     (c)   De zgn. zwijgteksten zijn geen absolute zwijggeboden, maar moeten beperkt                 worden uitgelegd in het licht van de situatie in de gemeente van Korinthe en                   Efeze.

Uitgaande van deze inzichten bleek de grond onder de traditionele redenering om de vrouw in het ambt af te wijzen weggevallen. De tweede premisse in de redenering – de vrouw is onderworpen aan de man – was namelijk niet meer van toepassing. En zo werd de traditionele conclusie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen twijfelachtig:

      (1)   het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)   man en vrouw zijn gelijkwaardig                                                                                      ►  de vrouw mag wel / niet in het ambt dienen?

De synode concludeerde dat het ambt ook open staat voor de vrouw.

In reactie op dit synodebesluit in 2017 zijn er sommigen die zich hard maken om een vrijgemaakte ‘Brexit’ uit de patriarchale cultuur alsnog te voorkomen.[iii] 

Op verschillende manieren beargumenteert men, dat die tweede premisse dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, toch niet geldig is of in ieder geval aangepast dient te worden. Ze lezen de m/v-teksten weer volgens de uitgangspunten van de traditionele wijze van 1930. Daarmee komen ze terug op de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de man-vrouwverhouding, zoals die in de jaren ’90 door diverse GKV-synoden geijkt is:

    (a-1)   Het besluit is in strijd is met de scheppingsorde want de man heeft wel                            degelijk gezag over de vrouw (Gen. 3:16), in ieder geval: als man en vrouw al                gelijkwaardig zijn, zijn ze volgens (Gen 1 en 2) niet gelijk, omdat er een                          verschil in gegeven verantwoordelijkheid is;

    (b-1)  God heeft toch man en vrouw specifieke taken en verantwoordelijkheden                        gegeven: alleen mannen worden als priesters, leerlingen,apostelen en                            oudsten aangesteld;

    (c-1)    De zgn. zwijgteksten gelden in de kerk absoluut: vrouwen mogen niet                              gezaghebbend spreken in de kerk.

Daarbij confronteren zij zich niet expliciet met de besluiten en argumentatie op grond waarvan de GKV in de jaren ’90 op exegetische en hermeneutische gronden afstand heeft genomen van de visie uit 1930.

Zij die instemmen met het synodebesluit van 2017 onderbouwen het besluit verder vanuit de huidige benadering op de m/v-teksten:[iv]

    (a-2)   Als je al wilt spreken van een scheppingsorde, dan is de betekenis van Gen. 1                en 2 dat man en vrouw ‘gelijkwaardig’-zijn en samen beeld van God vormen;

    (b-2)   Ze doordenken de traditionele ambtsopvatting en vragen oog voor de                              betekenis van de gaven in de gemeente, die zonder onderscheid zowel                          aan vrouwen als mannen worden toegedeeld;

    (c-2)   Ze laten zien dat de zwijgteksten inderdaad bepaald zijn door de context en                    de situatie waar de gemeenten van Efeze en Korinthe zich in bevonden.

 

  • Voorlopige tussenstand

Op basis van een analyse van deze argumentatiestrategieën zijn de volgende conclusies te trekken.

Allereerst dat het grote discussiepunt in het gesprek over het ‘m/v- en ambt’-besluit gaat over de vraag, hoe je Paulus’ Schriftberoep interpreteert. Uitgangspunten (a) en (c) in het nadenken over ‘vrouw en ambt’ hangen nauw met elkaar samen, maar funderend is uitgangspunt (c). Wanneer de zgn. zwijgteksten niet absoluut uitgelegd (moeten/kunnen) worden, is er geen grond voor uitgangspunt (a-1), dat er een scheppingsorde van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man is. Met een beroep op alleen Gen. 1-3 is uitgangspunt (a-1) niet te verantwoorden. Daarmee krijgt de exegese van 1 Tim. 2 een cruciale rol. 

Ten tweede dat het opvallend is, dat de ambtsvisie nauwelijks gethematiseerd wordt. Op welke wijze is ambtelijk handelen een vorm van gezaghebbend leidinggeven? Hangt het gezag af van de persoon die het ambt draagt? Waarin ligt het gezag van de ambtsdrager? In zijn persoon of in de machtiging of in het woord dat hij spreekt? Aan welke kwalificaties moet een ambtsdrager voldoen om gezagvol te kunnen handelen? Waarom zouden sekse en gender daarin een onderscheidend criterium moeten zijn? Wat is de relatie tussen het bijzondere ambt en het zgn. algemene ambt van gelovigen? Waarom kan een vrouw wel gezagvol handelen in haar ambt van profeet, priester en koning, maar niet in het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken?

Ten derde dat het uiterst merkwaardig is, dat in de argumentatie weinig hermeneutisch besef is dat het niet alleen gaat om de exegese van bepaalde teksten, maar ook om de toepassing van de gevonden bijbelse inzichten in een concrete situatie. Dat wreekt zich in de soms willekeurige wijze waarop men enerzijds beschrijvende passages in het OT en NT naast zich neer legt en anderzijds zonder enige argumentatie normatief verklaart voor vandaag. In sommige argumentaties is het gehalte van de ‘loca probantia’-methode zeer hoog: men houdt geen rekening met genre en context van de teksten en formuleert vervolgens met behulp van deze bewijsteksten een normatieve theorie over de m/v-verhouding. Transparantie ten aanzien van het impliciet gehanteerde hermeneutisch model is veelal afwezig.[v]

Ten vierde dat de argumentatie een hoog abstract en idealistische gehalte heeft, en daardoor – mede gezien de vorige conclusie – bij tijden een biblicistisch karakter krijgt. In de argumentatie wordt nauwelijks recente literatuur met nieuw zicht op de positie van de vrouw in de culturen van OT en NT verwerkt, waardoor veronderstellingen daarover niet getoetst worden aan de werkelijkheid. Daarnaast doen tegenstanders van de vrouw in het ambt een beroep op een scheppingsorde, die gekenmerkt wordt door de ondergeschiktheid dan wel de ongelijkheid en de onderscheiden verantwoordelijkheid van man en vrouw. Men maakt echter niet aannemelijk, waarom deze veronderstelde scheppingsorde alleen zou gelden voor de kerk en niet voor de samenleving. In de praktijk trekt men voor het maatschappelijk leven uit deze ‘scheppingsorde’ niet de conclusies, die men voor de organisatie van het kerkelijk leven wel normatief van belang acht.

 

  • Conclusie

Samenvattend is mijn voornaamste conclusie, dat de kern waar alles in het denken over ‘vrouw en ambt’ om draait, niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Er is nauwelijks bezinning op de vraag die aan heel de discussie ten grondslag ligt, namelijk over de al dan niet normatieve betekenis van de patriarchale cultuur voor christenen in de moderne samenleving.[vi]

Wat betekent het dat de openbaring van God gegeven is binnen een patriarchale samenleving? Legitimeert God daarmee de patriarchale man-vrouwverhouding? Moeten wij daarom in onze eigen cultuur en samenleving ook die man-vrouwverhouding normatief voorschrijven, zowel in de kerk als in het maatschappelijk leven van het huwelijk, de arbeid en de politiek? [vii]

Als we over deze vragen helderheid kunnen bieden, is het geen vraag meer of de vrouw in het ambt mag dienen.  



[i] Stellingen die dit moeten beargumenteren zijn wat de OT-ische teksten betreft: (a) dat is een beschrijving van de praktijk, dus daar kun je geen normen aan ontlenen, (b) de uitzondering bevestigt de regel, (c) een noodmaatregel: dat gebeurt alleen maar als de mannen het laten afweten. Deze stellingen worden gepresenteerd als evident en worden niet onderbouwd. Op grond waarvan is een vrouwelijke richter of profetes een uitzondering die de regel bevestig? Op zijn minst kun je zeggen, dat God in de praktijk laat zien dat vrouwen in bepaalde omstandigheden werkelijk met gezag kunnen spreken. Als het om NT-ische teksten gaat is men er duidelijk verlegen mee, maar dan is het argument: ‘er kan gewoon niet staan wat er staat, want Paulus leert toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente en ondergeschikt moet zijn’. Dus wordt gesteld dat:  (a) het bidden en profeteren van vrouwen in ieder geval geen spreken met gezag is of activiteiten die in een kerkelijk publieke setting worden verricht, en (b) dat wanneer vrouwen als diaken, apostel of medewerker worden aangeduid, je dit niet mag opvatten als dat zij gezagvolle en ambtelijke taken verrichten.

[ii] De theorie strookte overigens al niet met de praktijk. Voorbeelden uit de laatste paar eeuwen zijn vrouwen die als dienstboden, fabrieksarbeidsters en in de kleine middenstand en het boerenbedrijf als meewerkend echtgenote, een bijdrage aan het arbeidsproces leveren.

[iii] De door hen gepubliceerde artikelen zijn te vinden in het binnen de GKV verschijnend maandblad Nader Bekeken en op de verwante website www.bezinningmvea.nl

[iv] Op de website www.manvrouwkerk.wordpress.com, opgestart na de publicatie van het boek ‘Zonen en Dochters profeteren’, (Boekencentrum,2016), zijn veel artikelen terug te vinden.

[v] Voor wat bedoeld wordt met hermeneutische modellen, zie de beschrijving in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017,  p.123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne).

[vi] Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Hierover heb ik enkele opmerkingen gemaakt in mijn preek over Gal. 3:28: https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/24/fragment-van-een-preek-over-galaten-328/

 

Advertenties

De 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten (6) – conclusie en nabeschouwing

In enkele blogs heb ik de exegeses van m/v-teksten in de 20e eeuw aan een nader onderzoek onderworpen. In deze blog wil ik de verschuivingen aanwijzen die ik heb waargenomen in de visie van de GKv op de positie van de vrouw in de kerk en in de samenleving.

Als ik deze verschuivingen kort samenvat is dat:

  • van een totale ondergeschiktheid en onderdanig-zijn van de vrouw aan de man (1930) nààr een positie waarin het uitgangspunt is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw (1999).

 

1930

Een belangrijke rol in de visie op de man/vrouw verhouding speelt in 1930 de term ‘scheppingsordinantie’: op alle terreinen van het leven (te weten huwelijk, kerk en maatschappij) is de vrouw de hulp van de man, beiden zijn drager van het beeld van God, maar de man staat boven de vrouw, omdat hij de drager van de heerschappij is en de vrouw alleen door hem en in zijn naam de heerschappij uitoefent.

De vrouw is door de wijze van haar schepping in wezen, aard en roeping bepaald naar de man en in afhankelijkheid van hem. Komt zij op zijn terrein, dan handelt zij in strijd met de door God gestelde verhouding tussen man en vrouw en wordt zij ontrouw aan haar natuur.

Deze scheppingsordening betekent dat de vrouw geen enkele leidende of onderwijzende positie in de gemeente is toegestaan.

 

1978

De gelijkwaardigheid van man en vrouw wordt als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, maar wordt in één adem gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen. De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man.

Dat betekent dat de vrouw in de gemeente niet de man met een vermeend, zelfstandig gezag tegemoet mag treden, maar dat zij moet luisteren en zich laten leren. Deze verhouding is al van vóór de zondeval. Dit betekent dat zij ook niet deel mag nemen aan de verkiezing van ambtsdragers en zeker geen leer- of regeerambt mag vervullen.

 

1993

Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.

Uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw volgt dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken mogen worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk. De vrouw mag een eigen, zelfstandige stem in de gemeente hebben en wordt daarom ook niet meer uitgesloten van het stemrecht.

Het onderscheid waarin de man de taak heeft om voorop te gaan en leiding te geven en de vrouw om te volgen, betekent alleen dat de vrouw in de gemeente wordt uitgesloten van die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Daarom wordt zij wel van het leerambt in de erediensten uitgesloten en ook van het regeerambt.

 

1999

De gelijkwaardige positie wordt nogmaals bevestigd. God heeft de mens als man en vrouw geschapen naar zijn beeld en hen samen de opdracht gegeven de aarde te beheren en in cultuur te brengen.

‘Hulp’ uit Gen. 2:20 mag niet misverstaan worden en moet geïnterpreteerd worden als een gelijkwaardig iemand met wie de man het leven kan delen en een levenseenheid kan vormen. Vanuit het Nieuwe Testament gezien betekent dit dat man en vrouw aan elkaar gegeven zijn om elkaar aan te vullen en te dienen, niet om elkaar te overheersen. De man mag niet over de vrouw heersen, maar moet haar geborgenheid bieden. Deze relatie kan ook niet als een relatie van ‘onderdanigheid’ getypeerd worden, omdat de vrouw niet ondergeschikt is aan de man, maar een positie naast hem heeft gekregen.

Het ‘hoofd-zijn’ van de man omschrijft men niet met begrippen als ‘gezag’ en ‘leiding’, maar met het begrip ‘eerstverantwoordelijke’, omdat in bijbels licht gezien in deze gelijkwaardige relatie wel sprake is van een onderscheiden verantwoordelijkheid, waarbij de man de eerste verantwoordelijkheid heeft gekregen.

Het ‘voorgaan’ van de man en het ‘volgen’ van de vrouw wordt met name betrokken op de dingen die naar Gods wil zijn. Het betreft de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en zorg voor het gezin te dragen en de taken die God hen geeft in de gemeente en in de samenleving.

Een uitgewerkte visie op de taakverdeling tussen man en vrouw in gezin en maatschappij wordt niet meer gegeven, omdat man en vrouw naar Gods beeld geschapen zijn en de opdracht kregen om harmonieus samen te werken. Daarnaast wil men niet aan méér binden dan de Schrift doet.

 

Bezwaren

Dat de hierboven geconstateerde verschuivingen fundamenteel zijn blijkt wel uit de bezwaren, die daar sinds 1993 tegen in gebracht werden. De belangrijkste daarvan zijn:

  • het spreken over de gelijkwaardigheid van man en de vrouw strookt niet met de scheppingsorde, waarbij de man aangesteld is tot hoofd en de vrouw hem als hulp gegeven is;
  • het is onjuist om de reikwijdte van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 te beperken tot de eredienst, omdat in deze teksten een algemeen zwijggebod voor vrouwen gegeven is.

Het is daarom niet verwonderlijk dat de van de GKv afgescheide bezwaarden die zich verenigd hebben in de DGK(h), teruggekeerd zijn naar de visies zoals die in 1978 (met betrekking tot het afwijzen van het vrouwenkiesrecht) en in 1981 (met betrekking tot het huwelijksformulier) vastgelegd zijn.

 

Conclusie en nabeschouwing

In de loop van de 20e eeuw is er een nieuwe consensus in de GKv ontstaan over de verhouding van man en vrouw, waarbij de veronderstelde totale onderdanigheid van de vrouw aan de man ter discussie is gesteld. Zo ontving de vrouw in het huwelijk en in de samenleving in principe een gelijkwaardige positie naast de man.

Exegetisch gezien is deze consensus tot stand gekomen, doordat men in het formuleren van een visie op de verhouding tussen man en vrouw op een andere wijze met de zgn. zwijgteksten om is gegaan:

  1. De zwijgteksten worden niet meer opgevat als algemene en absolute geboden, maar ze worden geïnterpreteerd als beperkt en in relatie met de (veronderstelde) situatie waarin de diverse gemeenten zich toen bevonden;
  2. De voorheen absolute interpretatie van deze zwijgteksten is niet langer meer het normatief kader voor de uitleg van het scheppingsverhaal van man en vrouw en hun onderlinge verhouding, zoals die ons Genesis 1 t/m 3 wordt verteld, maar deze hoofdstukken worden in hun eigenheid geïnterpreteerd.

Dit heeft geresulteerd in de volgende exegetische verschuivingen:

  1. Het uitgangspunt voor het denken over m/v ligt nu in de gelijkwaardigheid van man en vrouw bij de schepping en bij het samen beeld van God zijn;
  2. Daarmee is een belangrijke grond voor de traditionele exegese van de zwijgteksten weggevallen en hebben wij afscheid genomen van de traditionele interpretatie,  waarbij de zwijgteksten gelezen werden als een bevestiging en uiting van het onderdanig-zijn van de vrouw aan de man en van het gezag uitoefenen van de man over de vrouw.

Als je naar de onderbouwing van deze verschuivingen kijkt, dan zie je dat die niet ondubbelzinnig is en dat er exegetisch gezien spanningen aan te wijzen zijn. Ook is het duidelijk dat er geen afgerond verhaal neergelegd is. Concreet:

  • Hoe moet je exegetisch en hermeneutisch aankijken tegen het poneren van twee lijnen in de Schrift als het gaat over de verhouding van man en vrouw? Hoe verhoudt zich de lijn van de gelijkwaardigheid met die van de onderscheiden positie van man en vrouw?
  • Hoe kan het dat de positie van man en vrouw in de kerk een andere is dan in het huwelijk en in de samenleving? Waarom mogen vrouwen in de samenleving wel leidinggevende posities vervullen en in de kerk niet?
  • De constatering van de GS Berkel & Rodenrijs 1996 dat de vraag of het leer- en regeerambt aan de vrouw wel of niet toekomt nog open ligt, omdat daarover in de GKv geen besluit ligt.

Het is begrijpelijk dat niet lang nadat deze consensus bereikt was, er op de GS Amersfoort-Centrum 2005 om verheldering gevraagd werd door te vragen om een bezinning door een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’.

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (5) – 1996/2005

Revisie-verzoeken van het besluit inzake het vrouwenstemrecht

Niet iedereen kon zich vinden in het besluit van de GKv Synode van Ommen 1993, ‘dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’. Op de Synode van Berkel en Rodenrijs 1996 kwamen een 35-tal brieven binnen, voornamelijk van particulieren, waarin bezwaar tegen dit besluit werd gemaakt.

Sommige van de brieven maakten bezwaar tegen het feit dat men in 1993 de zaak van het vrouwenstemrecht sowieso in behandeling had genomen. De meeste met een verzoek om het besluit te herroepen, omdat men zich niet kon vinden in de gronden onder de besluitvorming.

De bezwaren die het sterkst naar voren komen zijn:

  1. de stemming heeft wel een beslissend karakter in het geheel van de verkiezing en moet als een vorm van regeren beschouwd worden.
  2. de synode doet de Schriftgegevens over de gelijkwaardigheid van de vrouw ten koste gaan van die over de onderdanigheid van de vrouw, omdat de scheppingsorde waarbij de man tot hoofd van de vrouw is bestemd genegeerd wordt.
  3. het is onjuist om de reikwijdte van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 te beperken tot de eredienst, omdat in deze teksten ook het deelnemen van zusters aan de stemming (als een vorm van beoordelend en gezaghebbend spreken) uitgesloten wordt.
  4. het spreken van de vrouw in andere uit het Nieuwe Testament aangevoerde teksten, zoals Hand. 2:17-18, is niet van betekenis omdat het daar niet gaat over het ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de aangevoerde teksten tonen niet aan dat het een goddelijke eis is om vrouwen het stemrecht toe te kennen.
  6. ook al hebben vrouwen de gave van de Geest ontvangen wil dat nog niet zeggen, dat zij ook bevoegd zijn om mee te stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers. Uit Handelingen 1:23-24 en 6:2-3 blijkt dat dit voor de mannen is weggelegd.
  7. uitspreken dat ‘het toekennen van het vrouwenkiesrecht geen uiting van onschriftuurlijk individualisme of van democratisering van de kerk en dus niet als een vorm van emancipatiezucht gezien moet worden’, is geen argument voor het vrouwenkiesrecht, maar hoogstens een verdediging van het vrouwenstemrecht. Daarnaast worden de schriftgegevens die nu aangevoerd voor het vrouwenstemrecht, elders gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Met betrekking tot de vraag, of de synode in 1993 de revisieverzoeken wel in behandeling had mogen nemen, spreekt de synode in 1996 uit dat ze dat terecht gedaan heeft gedaan. De zaak van het vrouwenstemrecht is naar artikel 30 KO in de kerkelijke weg, met goede voorbereiding en kennelijk breed gedragen door de kerken aan de synode voorgelegd.

Vervolgens wijst ze ook de inhoudelijke bezwaren tegen het genomen besluit gemotiveerd af:

Ad 1. omdat de kerkenraad in het geheel van de verkiezing de leiding heeft en het dus onjuist is om te stellen, dat de stemming en dus de inbreng van de zusters zo’n zware lading krijgen als gesteld wordt.

Ad 2, 4, 5. en 6, omdat de synode terecht heeft uit gesproken dat de Schrift, – die geen enkele vorm van verkiezing voorschrijft als verplicht voor alle tijden -, geen rechtstreeks antwoord geeft op de vraag of ook de zusters mogen stemmen. Vervolgens heeft de synode Schriftgegevens naar voren gebracht waarin de gelijkwaardigheid van de vrouw ten opzichte van de man wordt onderstreept. Ook noemt zij Schriftgegevens waarin gesproken wordt over de inwoning van de Heilige Geest in de hele gemeente en gegevens waarin de bevoegdheid en de roeping tot meewerken aan de opbouw van de gemeente aan de hele gemeente wordt voorgehouden. De conclusie is daarom dat door appellanten vanuit de Schrift niet voldoende is aangetoond dat, ondanks al deze Schriftgegevens over gaven en roeping van de zusters in de gemeente, toch het stemrecht niet voor de zusters bestemd zou zijn.

Ad 3. omdat uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2  geen verbod voor zusters af te leiden valt om haar stem uit te brengen bij de verkiezing. De synode heeft meerdere schriftgegevens genoemd, die het onmogelijk maken om daarin een algemeen zwijggebod te lezen. In ieder geval is duidelijk dat wat hier aan de zusters ontzegd wordt, op een heel ander niveau ligt dan een stemming met beperkt gewicht. Wel moet het bezwaar worden toegestemd, dat de synode in 1993 een exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 vastgelegd heeft door in de gronden uit te spreken dat deze teksten zich beperken tot de eredienst resp. dat ze vrouwen het leer- en regeerambt ontzeggen.

Ad 7. spreekt de synode uit, dat genoemde uitspraak inderdaad meer een verdediging van het besluit is dan een argumentatie voor het besluit, maar dat de genoemde elementen wel voor de beoordeling van het besluit van belang zijn. Toch heeft de synode haar besluiten duidelijk afgeschermd tegen de gedachte dat de drempel naar het leer- en regeerambt van de zusters hierdoor lager zou zijn geworden, terwijl ze ook Schriftgegevens heeft genoemd die niet gebruikt kunnen worden als argumenten tegen het vrouwenstemrecht, maar naar haar oordeel wel het leer- en regeerambt aan de zusters ontzeggen.

Wel voegt ze er aan toe, dat dit laatste overigens niet betekent dat de synode een besluit ten aanzien van het leer- en regeerambt heeft genomen. Wanneer men meent, dat die zaak aan de orde moet komen, moet men via de kerkelijke weg dat op de agenda van de synode brengen. Een gang die de PS Gelderland in 2005 zal maken met een voorstel ‘om te komen tot de instelling van een deputaatschap “Vrouwen in de kerk”’.

 

Terzijdestelling van het vrouwenstemrecht in de DGK

In hetzelfde jaar dat de GKv een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’ instelt, buigt de eerste generale synode van de herstelde Gereformeerde Kerken (DGK), – het kerkverband dat ontstaan is na een afscheiding in 2003 van de GKv rond het blad Reformanda – zich over de vraag welke GKv synodebesluiten zij uit het verleden wel en niet voor haar rekening wil nemen.

Het eerste besluit dat door de GS Mariënberg 2005 terzijde wordt geschoven en waar men zich niet meer aan gebonden acht, is dat van het vrouwenstemrecht. In plaats daarvan handhaaft men het besluit van de GS Groningen 1978 om vrouwen niet het stemrecht toe te kennen.

Niet verwonderlijk is, dat de argumentatie van de DGK synode het spiegelbeeld vormt van de GKv-besluiten om de revisieverzoeken in 1996 af te wijzen. T.L. Bruinius, toentertijd een van de indieners van een revisieverzoek, is nu 1e scriba van de GS Marienberg 2005 en samenroeper van het Deputaatschap Onderzoek Synodebesluiten.

Op basis van het voorstel van deze deputaten voert de DKG synode de volgende overwegingen aan voor terzijdestelling van het vrouwenkiesrecht:

  1. de stemming draagt in het geheel van de verkiezing een beslissend karakter
  2. de synode doet geen recht aan de verschillende positie van man en vrouw in de kerk en aan de verschillen in roeping voor broeders en zusters, de scheppingsorde wordt genegeerd en aan de eenheid en de verhoudingen binnen het christelijk huwelijk zoals de Bijbel die leert wordt geen recht gedaan.
  3. de GS Groningen-Zuid 1978 beschouwde op grond van de Schriftgegevens over de onderdanigheid van de vrouw (1 Kor. 11:3; 1 Kor. 14:34; 1 Tim. 2:11,12,14,15; 1 Petr. 3:5) terecht het stemmen als een vorm van regeren.
  4. het spreken van de vrouw in de aangevoerde teksten (Hand. 2:17,18 etc.) is iets anders dan het meebeslissende ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers.
  5. de synode had moeten aantonen dat er een goddelijke eis is om de zusters het stemrecht te geven. Uit de aangevoerde teksten kan geen conclusie getrokken worden voor het meedoen van de vrouw aan de verkiezing van ambtsdragers.
  6. teksten die spreken over het wonen van de Geest in de gemeente, verbinden daaraan niet het verkiezingsrecht van de zusters. In Handelingen 1:23, 24 en 6:2, 3 worden juist de broeders in de gemeente aangesproken.
  7. de genomen besluiten zijn onvoldoende afgeschermd tegen de invloed van een tijdgeest die zich kenmerkt door een sterke hang naar individualisme en een onbijbels emancipatiedenken. De drempel naar de vrouw in het ambt kan lager worden door deze besluiten. Schriftgegevens die nu gehanteerd worden voor het vrouwenstemrecht zijn elders ook gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

Men besluit dan ook dat de afwijzing van de revisieverzoeken door de GS Berkel en Rodenrijs 1996 gezien deze argumenten onterecht is geweest. Op de keper beschouwd behelsen de door de DGK aangevoerde argumenten dus niet anders dan de inhoud van de revisieverzoeken zelf. Een mooi voorbeeld van een cirkelredenering, waarbij al aangenomen wordt wat bewezen moet worden.

 

De exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw (4) – 1993

Algemeen

Besloot de GKv synode van Groningen-Zuid in 1978 nog met een ruime meerderheid de gangbare praktijk te handhaven, dat vrouwen niet mee mogen stemmen bij de verkiezing van ambtsdragers, in 1993 besluit zij unaniem om deze uitspraak vervallen te verklaren. Vervolgens besluit zij bijna unaniem (er was 1 onthouding) ‘uit te spreken dat aan de belijdende zusters het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’.

Samengevat zijn de gronden daarvoor:

  • de stemming is een onderdeel van de verkiezing van ambtsdragers en kan getypeerd worden als meewerken aan de opbouw van de gemeente;
  • bij verkiezing en stemming gaat het niet om een eigen individuele stem, maar om de stem van de gemeente; de zusters vormen samen met de broeders de stem van de gemeente;
  • de stemming vindt plaats binnen de verantwoordelijkheid van de kerkenraad;
  • de Schrift geeft geen algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente;
  • het verkiezen door de gemeente heeft niet het karakter van uitoefenen van gezag of macht over de kerkenraad of de gekandideerden.

In 1987 lag er op de synodetafel al een revisieverzoek van het besluit over het vrouwenkiesrecht uit 1978 door een kerklid, maar dat werd niet ontvankelijk verklaard, omdat het een nieuwe zaak zou zijn en niet volgens de kerkelijke weg ingediend was.

In 1993 ontving de synode een tiental verzoeken, waaronder van vier Particuliere Synoden (Groningen, Overijssel, Noord-Holland en Zuid-Holland), om het besluit uit 1978 te herzien en vrouwen het actief kiesrecht toe te kennen.

De voornaamste reden dat de synode in kan stemmen met het vrouwenkiesrecht is een kerkrechtelijke. Men interpreteert het karakter van een stemming zodanig, dat de vraag of vrouwen daarin gezagvol spreken over mannen niet meer van belang is, omdat het stemmen sowieso niet meer gezien wordt als het uitoefenen van gezaghebbend of leidinggevend spreken.

 

De onderdanigheid van de vrouw

Omdat het in de argumentatie op de synode van 1993 vooral gaat om de kerkrechtelijke vraag naar het karakter van het stemmen, wordt er minder ingegaan op specifieke m/v-teksten. In de exegese richt men zich vooral op het thema van de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente.

Een belangrijke veronderstelling in de argumentatie van de synode van 1978 tegen het vrouwenkiesrecht is, dat de vrouw aan de man onderdanig behoort te zijn. Daarbij verwees men vooral naar de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 14:34-35 (opgevat als een algemeen zwijggebod) en 1 Tim. 2 (opgevat als een zich onderschikken aan de man en geen gezag over hem mogen uitoefenen).

Tegenover deze visie spreekt de synode van 1993 uit dat daarin te weinig rekening wordt gehouden met teksten waarin gesproken wordt over ‘de gelijkwaardige positie die man en vrouw in Christus hebben ontvangen (Gen. 1:26-28, Hand. 2:17-18, Gal. 3:28 en 1 Petr. 2: 5 en 9), en de onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar (Ef. 5:21)’.

Hiermee neemt de synode een lijn op, die in het commissierapport ingezet wordt. ‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid; daarnaast wijst de Schrift ook op het onderscheid tussen man en vrouw: de man is eerst geschapen en heeft de taak om voorop te gaan en leiding te geven; de vrouw om te volgen’.

Volgens het commissierapport leren de brieven in het Nieuwe Testament ‘de gelijkwaardigheid van man en vrouw (wat iets anders is dan de gelijkheid)’, en daarnaast leert het Nieuwe Testament óók ‘de onderdanigheid van de vrouw ten opzichte van de man, allereerst in het huwelijk; dit onderscheid werkt door in de gemeente, voor getrouwden en niet (meer) getrouwden; daarom wordt zij buitengesloten van het leer- en regeerambt’.

Een beroep op 1 Kor. 14:34-35 kan volgens de synode een algemeen zwijggebod voor de vrouw in de gemeente niet ondersteunen, omdat het daarin alleen gaat over het beoordelend en met gezag spreken tijdens de eredienst. Ook heeft het verbod in 1 Tim. 2:11-15 betrekking op het gezag oefenen over de man door ‘leidinggevend onderwijs te geven tijdens de eredienst ’.  Vandaar dat de conclusie wordt getrokken, dat deze teksten uit 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 niet gebruikt kunnen worden voor een verbod voor vrouwen om een stem uit te brengen tijdens de verkiezing van ambtsdragers.

Integendeel: met een verwijzing naar Hand. 2:17-18, Hand. 21:9 en 1 Kor. 11:5 is de synode van mening dat de vrouw in de gemeente wel degelijk een eigen, zelfstandige stem mag hebben. Die vloeit voort uit de gelijkwaardigheid van man en vrouw, die blijkt uit het gegeven dat ook vrouwen delen in de gaven van Christus en van de Geest en dat zij actief betrokken worden bij het werk in Gods kerk en koninkrijk.

Als het gaat over de positie van de vrouw in de kerk moeten namelijk niet alleen 1 Kor. 14:34 en 1 Tim 2:11v ter spraken komen. Andere teksten in het Nieuwe Testamant laten zien, dat mannen én vrouwen delen in de gaven van de profetie, terwijl vrouwen ook mogen bidden en profeteren in de gemeente, mits het gebeurt op een manier die met haar positie in overeenstemming is. In de vroeg-christelijke gemeenten zijn vrouwen actief betrokken bij èn worden ze ingeschakeld voor de dienst aan het evangelie. Ze worden net als mannen opgeroepen om mee te werken aan de opbouw van de gemeente. Op dezelfde wijze mogen vrouwen daarom wel degelijk een inbreng hebben bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente.

Duidelijk is dat er voor de synode in 1993 in het betrekken van vrouwen voor taken in de gemeente wel een grens is. Op grond van 1 Kor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11-15 concludeert zij dat de onderdanigheid van de vrouw in de gemeente betekent dat ze ‘geen leer- of regeerambt in de gemeente mag vervullen’.  Expliciet wordt dat nog in de laatste grond voor het besluit verwoord: ‘omdat stemmen niet beschouwd mag worden als een vorm van (mee)regeren, mag het toekennen van stemrecht aan de zusters niet gezien worden als een eerste stap op weg naar het leer- en regeerambt van de zusters’.

 

Onderdanigheid en gelijkwaardigheid

Het is interessant om de exegese van de m/v-teksten in 1993 te vergelijken met die in 1978. Dan wordt zichtbaar, dat de synode een nieuwe richting kiest door in de bijbel expliciet twee lijnen in de verhouding tussen man en vrouw aan te wijzen: naast die van de onderdanigheid van de vrouw aan de man, ook die van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Ook al wordt ook in het meerderheidsrapport uit 1978 de gelijkwaardigheid van man en vrouw als uitgangspunt voor het denken over de verhouding tussen man en vrouw genomen, deze wordt meteen in dezelfde zin gerelativeerd en praktisch gezien teruggenomen: ‘Als gelijkwaardige schepselen voor God staande, funktioneren man en vrouw elk op eigen wijze en in eigen ambt en overeenkomstig eigen mogelijkheden.’ De gelijkwaardigheid van man en vrouw is er alleen in de relatie tot God, maar niet ten opzichte van elkaar. Ten aanzien van de onderlinge verhouding van man en vrouw spreekt men van ‘een ‘voorgaan’ van de man en een ‘volgen’ van de vrouw’, wat verder benoemd wordt als de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man. Dit ‘ondergeschikt’-zijn is verder bepalend voor de verdere invulling van de relatie tussen man en vrouw. Ook al wordt er gesproken over ‘de kompetentie van de zusters als mondige kerkleden’, van het belang is wel dat zij deze ‘kompetentie’ uitoefent binnen het zich onderschikken aan de man.

Het verrassende in de exegese in 1993 is, dat deze allesbeheersende dominantie van de ‘onderschikking’ ten opzichte van de ‘gelijkwaardigheid’ opgeheven wordt en dat man en vrouw ook als gelijkwaardig ten opzichte van elkaar gezien worden.

Met een beroep op Gen. 1 wordt betoogd, dat Adam en Eva beiden ‘naar Gods beeld geschapen zijn, in volkomen gelijkwaardigheid, met een gemeenschappelijke taak’. Het eerst geschapen zijn van Adam betekent wel, dat Adam is ‘het hoofd van zijn vrouw en de taak heeft voorop te gaan en leiding te geven’ (met een beroep op 1 Kor. 11 en 1 Tim. 2), maar dat betekent niet dat Adam méér is dan Eva: in Gen. 2:18 krijgt de wederkerigheid juist het accent. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Men beseft dat het met name het Nieuwe Testament is, dat spreekt over de onderdanigheid van de vrouw aan de man. Maar men wijst er dan op, dat met die onderdanigheid ‘in de eerste plaats gezien wordt op de relatie van man en vrouw in het huwelijk’. Daarom kan ‘moeilijk ‘in abstracte zin’ gesproken worden over ‘de’ man en ‘de’ vrouw bij de schepping of over de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw in het algemeen’.

Wel voegt men er aan toe, dat ‘zoals het onderscheid tussen man en vrouw in het huwelijk niet wordt uitgewist’, dat ‘evenmin in de gemeente’ gebeurt. Het ‘leren’ en ‘regeren’ is niet aan de vrouwen opgedragen, terwijl vrouwen en mannen een onderscheiden plaats innemen. Maar dat betekent dus niet, dat aan vrouwen elke vorm van spreken verboden wordt of dat zij van elke activiteit uitgesloten wordt.

De mogelijkheid daartoe ligt in een andere exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2. In 1978 worden deze teksten opgevat als een algemeen zwijggebod voor vrouwen, in 1993 wordt de reikwijdte van het verbod beperkt tot de eredienst en dan ook alleen tot die vormen van spreken, waarin vrouwen een oordeel zouden uitspreken over of gezag zou oefenen over mannen. Wel is men net als in 1978 van mening, dat in deze teksten vrouwen verboden wordt een ‘leer- of regeerambt te vervullen’.

Het grote verschil in uitkomst van het uiteindelijke synode besluit ligt in de vraag, of het stemmen kerkrechtelijk gezien valt onder de reikwijdte van het verbod om te spreken in de gemeente. In 1978 zei men ‘ja’, in 1993 ‘nee’.

Deze andere taxatie in 1993 is aanvaardbaar, omdat men op grond van een andere exegese van de m/v-teksten met een grotere nadruk op de gelijkwaardigheid van man en vrouw de mogelijkheid gecreëerd had om de bijdrage van vrouwen in de gemeente positief te waarderen. Het is denk ik niet zonder reden, dat de rapporteur van de commissie benadrukte dat Gal. 3:28, waarin het gaat over de gelijkwaardige positie van man en vrouw in Christus, ‘weliswaar niet doorslaggevend voor het vrouwenstemrecht (is), maar er wel iets over te zeggen (heeft)’ en daarom ook in het besluit opgenomen diende te worden.

 

Conclusie en beoordeling

Aan het besluit van 1993 ligt een veranderde visie op de m/v-teksten ten grondslag doordat men in de exegese niet meer het perspectief van de onderdanigheid van de vrouw aan de man laat domineren, maar ook principieel ruimte biedt voor de onderlinge gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Bijzondere punten die in de argumentatie en in de exegese van de m/v-teksten opvallen zijn:

  • De inzet van het nadenken over de verhouding tussen man en vrouw bij de gelijkwaardigheid met een beroep op Gen. 1 en 2, waardoor het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk is geworden.
  • De visie dat het ‘onderdanig-zijn’ van de vrouw aan de man in eerste instantie betrekking heeft op de relatie van de man en vrouw in het huwelijk en dat dit niet zo maar veralgemeniseerd kan worden tot een scheppingsordening of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw.
  • Voor het eerst vindt er een erkenning plaats dat vrouwen in de gemeente mogen profeteren en bidden. Dat is een belangrijk motief om in de exegese van 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 het zwijggebod niet algemeen op te vatten, maar slechts te interpreteren als een verbod om leidinggevend te onderwijzen.

 

M/V in de 20e-eeuwse kerk

Verschil van inzicht over de positie van de vrouw in de kerk is er de hele 20e eeuw geweest. Het onderwerp is de invoering van het (actief) vrouwenkiesrecht in de gemeente. Dit wil zeggen of óók vrouwen hun stem uit mogen brengen tijdens de verkiezing van ambtsdragers. Volgens velen was dat onschriftuurlijk, omdat de vrouw dan als gelijke van de man optreedt en door haar stem bepaalt welke broeder in het ambt zou dienen. Sommigen vonden zelfs dat wanneer een vrouw een stem uitbrengt zij daarmee heerst over de man.

Door aangestelde deputaten die hun licht daarover laten schijnen zijn de hele eeuw door meerderheids- en minderheidsrapporten geschreven. Op synodes waar vervolgens over dit onderwerp vergaderd is, zijn de meeste mannen tegen en een enkeling voor. In de GKv heeft men er 70 jaar over gedaan om tot een consensus te komen, dat aan vrouwen wel het actief stemrecht toekomt.

Het onderwerp komt in 1923 op de agenda omdat de kerken van Brussel en Zandvoort geheel zelfstandig het vrouwenstemrecht ingevoerd hebben. Het door de synode ingestelde deputaatschap komt met een meerderheids- en minderheidsrapport. Na bespreking daarvan concludeert de synode in 1927 dat de tijd nog niet gekomen om daarover een definitief besluit te nemen, terwijl zij in 1930 besluit om vrouwen het kiesrecht niet toe te kennen, omdat stemmen ‘een daad van algemeene regeermacht is’ en verder omdat ‘het overtuigend bewijs, dat de Schrift het vrouwenkiesrecht eischt, niet is geleverd, maar de gegevens, welke zij ons biedt, veeleer daartegen dan daarvoor schijnen te pleiten’. Een bezwaarschrift tegen de laatste grond wordt in 1933 en opnieuw in 1936 verworpen.

In 1958 verzoeken de kerken van Amsterdam en Beverwijk om de kerken niet langer te binden aan het besluit van de synode van 1930, omdat deze synode hierdoor de vrijheid van exegese heeft verhinderd en de kerken een mening en praktijk heeft opgelegd, die niet op ‘dwingende en de gewetens bindende argumenten uit de Heilige Schrift zijn gegrond’. Het verzoek wordt afgewezen omdat niet vanuit de Schrift aangetoond is, dat vrouwen het actieve kiesrecht toekomt en dat de synode van 1930 de vrijheid van exegese niet aan banden heeft gelegd, maar zich er terecht van onthield vrouwen het kiesrecht toe te kennen, ‘toen zij oordeelde hierin geen klaar getuigenis der Schriftgegevens te hebben’. Daarnaast is zij van mening, dat wanneer in de ene kerk vrouwen wel mogen stemmen en in de andere niet, dat ‘gemakkelijk een bron van verwarring en moeilijkheden kan vormen en derhalve ongewenst is’.

In 1964 ligt er een verzoek om het besluit van 1930 voor vervallen te verklaren en de zaak van het vrouwenkiesrecht in de vrijheid van de kerken te laten. Dit verzoek wordt afgewezen omdat de synode van oordeel is dat er onvoldoende argumenten tegen dit besluit zijn ingebracht. Een tegenvoorstel om deputaten in te stellen haalt het niet.

In 1972 doet de kerk van Delft een verzoek om deputaten te benoemen om de materie van het vrouwenkiesrecht vanuit de Schift nader te bezien. Het deputaatschap komt er, omdat ‘een de kerken bindend besluit inzake het vrouwenkiesrecht met goede argumentatie uit de Schrift dient gefundeerd te zijn’ en ‘dat een dergelijk besluit derhalve niet dient te spreken van Schriftgegevens, die veeleer tegen dan voor “schijnen te pleiten”’.

In 1975 ligt er een deputatenrapport op de tafel van de synode dat het vrouwenkiesrecht afwijst. De commissie die de bespreking op de synode voorbereidt, stelt voor de conclusies van deputaten af te wijzen, omdat zij ‘de exegetische fundering ongenoegzaam acht’. De synode besluit daarop dat nadere bestudering van het stemrecht gewenst is, omdat er ‘een grote divergentie’ van meningen bestaat en er in een zaak als deze ‘gestreefd dient te worden naar ene zo groot mogelijke eenparigheid van gevoelen’.

In 1978 komen deputaten met een meerderheidsrapport en een minderheidsnota. De commissie die de bespreking voorbereidt, komt met het voorstel om de conclusies van de minderheid te volgen en het besluit van de synode van 1930 te handhaven. Ook al heeft de bezinning niet geleid tot de begeerde ‘zo groot mogelijke eenparigheid van gevoelen’, toch vindt de synode dat er een beslissing genomen moet worden, omdat de materie sinds 1972 wel ruimschoots de gevraagde aandacht heeft gehad. Met 24 stemmen voor en 12 tegen wordt besloten, dat ‘het niet in overeenstemming is met de positie van onderdanigheid die de Schrift aan de vrouw in de gemeente geeft (1 Kor. 14:34-36, 1 Tim. 2:11-15), haar in deze een eigen zelfstandige beslissende stem toe te kennen’.

In 1993 blijkt dat voor een belangrijk deel van de kerken het besluit uit 1978 kennelijk geen overtuigingskracht meer heeft, want er ligt een tiental verzoeken, – waaronder van 4 van de 9 particuliere synoden -, om het besluit te herzien. Daarom zet de synode zich tot een integrale behandeling van de materie van het vrouwenkiesrecht. De commissie die de bespreking voorbereidt schrijft een vrij omvattend rapport, waarin men na een historisch overzicht van 20 bladzijden zo’n 50 bladzijden gebruikt om alle argumenten voor en tegen opnieuw te wegen en te beoordelen. Op basis daarvan besluit de synode met 35 stemmen voor en 1 onthouding om de regel ten aanzien van het vrouwenstemrecht, zoals die door de synode van 1930 en 1978 gehandhaafd werd op te heffen en uit te spreken dat aan vrouwen ‘het deelnemen aan de stemming bij de verkiezing van ambtsdragers in de gemeente van Christus niet langer onthouden behoort te worden’. De voornaamste grond is, dat ‘er bij het uitbrengen van een stem geen sprake is van (een vorm) gezag oefenen’, want ‘daar is immers geen sprake van gezaghebbend of leidinggevend spreken’.

Het zou interessant zijn het om na te gaan, wat nu uiteindelijk de doorslag gegeven heeft om vrouwen het stemrecht wel toe te kennen, nadat er jarenlang een consensus was dat dit niet schriftuurlijk zou zijn. Dat ga ik nu niet in detail doen. Wat duidelijk mag zijn is, dat de bijbelteksten die men aanhaalde, interpreteerde en gebruikte om het eigen standpunt te onderbouwen en/of de visie van de andere kant af te wijzen, al die tijd dezelfde zijn gebleven. Dat betekent dat het de veranderde verstaanshorizon van de lezer is, die verantwoordelijk is voor het anders verstaan van de tekst. De verstaanshorizon beïnvloedt de wijze, waarop wij de bijbel lezen en toepassen. Kerkleden en theologen hebben kennelijk andere vooronderstellingen gekregen van waaruit zij de teksten lezen. Daardoor zijn zij tot andere conclusies gekomen over de inhoud en de reikwijdte van de teksten, zoals die tot dan toe gebruikt werden om het vrouwenkiesrecht af te wijzen. Toen die andere conclusies voldoende gemeengoed waren, was het mogelijk om het vrouwenkiesrecht als schriftuurlijk te accepteren.

Achteraf gezien was het kantelpunt al in 1978 zichtbaar, toen prof. Trimp bij zijn verdediging van het meerderheidsrapport uitsprak: ‘Wanneer men mij vraagt: mag het vrouwenkiesrecht?, antwoord ik: ja; wanneer men mij vraagt: kunnen de kerken het aan?, antwoord ik: neen’. Het duurde maar 15 jaar voordat de 2/3 meerderheid tegen het vrouwenstemrecht veranderde in een bijna voltallig voor.