De VVV

Het was in het voorjaar van 1983 dat wij tijdens onze studietijd in Groningen een werkgroepje vormden: Vrijgemaakte Vrouwen Vraagstukken (VVV).  Met zijn zevenen (zes meiden en ik) hebben we 3 jaar lang het huwelijksformulier bestudeerd: geschiedenis, formulering, versies en mogelijke alternatieven. Het liep tegen de tijd dat mijn vriendin en ik zouden trouwen.

Belangrijke aanleiding was dat wij als studenten moeite hadden met de manier waarop in het formulier de verhouding tussen man en vrouw en de rol van de vrouw in gezin en samenleving geformuleerd werd. Vooral stoorde ons de onevenwichtigheid daarin. De positie van de man was in het kort gezegd ‘hoofd zijn, liefhebben in een goede verstandhouding en kostwinner zijn’ en die van de vrouw ‘liefhebben, onderdanig zijn en hulp in het leven en de huishouding’. Die strekking spoorde niet met de manier waarop het economische en sociale leven in die tijd al ingericht was. Ook getrouwde vrouwen werkten, hoewel nog maar enkele jaren de wettelijke maatregel dat de huwende en gehuwde vrouw ontslagen kon worden opgeheven was (in 1975). Belangrijker nog was, dat de veronderstelde gezagsrelatie tussen man en vrouw ons inziens in het begrip ‘hoofd-zijn’ ingelezen was. Het huwelijksformulier hield ons niet een bijbelse visie op het huwelijk voor, maar een cultuurbepaalde interpretatie daarvan.

Toen onze huwelijksdatum dichterbij kwam, zochten wij begin 1984 via een brief contact met de kerkenraad van de GKv Groningen-Noord en legden hen het verzoek voor om te mogen trouwen onder een aangepast huwelijksformulier. Ik kan me het gesprek met de ouderlingen nog goed herinneren. Hij begreep eigenlijk niet waar wij ons druk over maakten. Na een enkel gesprek werd duidelijk, dat een alternatief formulier er voor ons niet in zat. Het was òf ons huwelijk niet in de kerk laten bevestigen òf het huwelijksformulier voor lief nemen en met behoud van gevoelens ons ja-woord uitspreken. Omdat wij zeer hechtten aan het trouwen in de kerk, zijn we op een goede woensdagmiddag in augustus 1984 in het stadhuis van Groningen getrouwd en hebben we de daarop volgende zondag in de kerk te Hattem ons huwelijk laten bevestigen.

Ook nadat wij getrouwd waren, hebben wij onze gesprekken over het huwelijksformulier in VVV-verband voortgezet. Naar aanleiding van verschillende punten en vragen nodigden wij mevr. Lucie G.A. Bremmer-Lindeboom in februari 1985 uit om ons daarin verder te helpen. Een zeer interessante avond waarin wij ons gezamenlijk over de verschillende m/v-teksten bogen.

Wat mij bij is gebleven is de beslistheid waarmee zij bepaalde argumenten kritisch tegen het licht kon houden. Ze was ervan overtuigd, dat de bijbel de vrouw nergens op een bepaalde taak vastlegde. Vrouwelijke profetessen en richters kun je niet afdoen met het argument, dat het een ‘noodsituatie’ was of als uitzonderingen die de regel bevestigen. ‘Waarom zou dat een uitzondering zijn? Hoe bepalen theologen wat de regel is? Bestaan er noodsituaties voor God? Nee, toch!’

Ook liet ze zich kennen als erfgenaam van een traditie van opkomen voor een betere en rechtvaardige positie van de vrouw in de kerk. Toen de zinsnede uit 1 Kor. 11:7 –  de vrouw is de heerlijkheid van de man – ter sprake kwam verbond zij dat met het gezamenlijk ‘beeld van God zijn’ van man en vrouw. Het heeft betrekking op het samen volbrengen van de opdracht. Niet dat de vrouw de heerlijkheid van de man ‘an sich’ is, maar in het kader van de schepping is zij dat. Om te voorkomen dat de man maar even  de gedachte mocht hebben dat hij meer is, voegt Paulus er daarom aan toe: ‘en toch is de man niet meer.’ Bij dit alles haalde zij de gedachte aan van J.C. Sikkel uit zijn postuum uitgegeven lezing ‘De groote toekomst en de vrouw’ (1920): ‘De man ontplooit zich pas ten volle, als de vrouw zich ten volle kan ontplooien’.

Op een gegeven moment waren we wel klaar met het huwelijksformulier. Het laatste verslag dat ik nog heb is van een VVV-vergadering van februari 1986. We waren allemaal onder het bestaande huwelijksformulier getrouwd en het werd tijd om af te studeren.

Een stukje persoonlijke geschiedenis die een treffende illustratie is voor de invloed van de context op ons lezen en toepassen van de bijbel en de invloed die generaties hebben op het reilen en zeilen in de kerk, dat wat wel genoemd wordt ‘de ongelijktijdigheid van het gelijktijdige’.

Wij waren geboren eind jaren ‘50/begin ’60 en opgegroeid in de jaren ‘60 en ‘70. Voor ons was de gelijkwaardige positie van man en vrouw vanzelfsprekend. Wij studeerden met het perspectief dat vrouwen evengoed als mannen actief aan de samenleving deel zouden nemen, en dat zij ook als gehuwden zouden werken. Wij zagen dat in het maatschappelijk verkeer een notie als dat de man gezag over de vrouw heeft of dat de vrouw onderdanig aan de man zou zijn, totaal niet aan de orde was. Praktisch gezien was er wel ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar principieel niet.

De synode die in 1978 een uitspraak deed dat het vrouwenstemrecht niet bijbels verantwoord is of in 1981 een nieuw huwelijksformulier vaststelde, waarin de ongelijkwaardige positie van man en vrouw uitgangspunt is, werd gedomineerd door mannen die grotendeels voor de 2e wereldoorlog geboren waren of net daarna. Zij waren groot geworden in een samenleving, waarin tot 1956 de gehuwde vrouw wettelijk handelingsonbekwaam was verklaard en tot 1971 bij wet vastgelegd was dat de man ‘het hoofd van de echtvereniging’ was en de vrouw aan hem ‘gehoorzaamheid was verschuldigd’. Zelf waren ze getrouwd onder een huwelijksformulier, waarin het oordeel van God over de vrouw in Gen. 3:16: ‘Tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben’ als een ordinantie van God werd beschouwd.

Boeiend is het om te zien, dat op een gegeven moment de kracht van het bijbelse argument voor een bepaalde visie niet meer overtuigt. 15 jaar na 1978 wordt het vrouwenstemrecht in de GKv ingevoerd en 15 jaar na 1981 wordt er een huwelijksformulier vrij gegeven, waarin de gelijkwaardigheid van man en vrouw het uitgangspunt is. De samenleving is veranderd en wij als gereformeerden veranderen mee. Een nieuwe context leidt tot een nieuw verstaan en een nieuwe toepassing van de bijbel.

Tegenstanders van een veranderend schriftverstaan op het terrein van m/v hebben op dit moment de gewoonte om de oorzaak daarvan te zoeken in een zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’, waarin de context van de interpretatie over de tekst zou gaan heersen. Dat is makkelijk scoren, omdat zo’n verwijt het eigen schriftverstaan bij voorbaat onaantastbaar maakt voor kritiek.  Daarnaast biedt het geen verklaring waarom bepaalde interpretaties, die door hen met deze term als niet verantwoord afgewezen worden, al in het begin van de 20e eeuw in de gereformeerde kerken opgeld deden.

Op basis van exegetische argumenten lag er, – toen er nog lang geen sprake was van een ‘nieuwe‘ hermeneutiek -, in 1927 en 1930 een pleidooi voor het vrouwenstemrecht op de synodetafel. Ook het inzicht dat naast het geoorloofd zijn van het vrouwenstemrecht vrouwen ook geroepen zouden mogen worden tot het ambt van predikant, ouderling en diaken, komen wij in de hierboven aangehaalde lezing van J.C. Sikkel uit 1920 al tegen.

Het lezen en toepassen van de bijbel is altijd contextueel bepaald. Voor een verklaring dat een bepaalde lezing op een gegeven moment overtuigt en dominant wordt, zul je daarom vooral moeten kijken naar de invloed van de sociale, culturele en (kerk)politieke situatie eerder dan dat de inhoud van de exegese zelf de doorslag heeft gegeven.

 

 

 

Een nieuwe consensus

Ik ben een serie blogs begonnen over de exegese van m/v-teksten in de 20e eeuw. De bedoeling daarvan is om de achtergrond te laten zien voor het besluit van de GS Meppel 2017 om ook vrouwen in de GKv toe te laten tot het bijzondere ambt van diaken, ouderling en predikant.

Dat m/v-besluit is niet uit de lucht komen vallen. Op zichzelf is het breuk in een lang ervaren traditie van vastliggende rollen voor man en vrouw in de kerk. De grond voor deze breuk ligt in een nieuwe exegese van de specifieke m/v-teksten die wij in de bijbel tegenkomen.

Belangrijk is het om te zien dat deze andere exegetische keuzes in het verlengde liggen van een nieuwe consensus op de verhouding tussen man en vrouw, zoals die zich aan het einde van de 20e eeuw in de GKv voltrokken heeft. Een vernieuwde visie die niet alleen zichtbaar werd in het denken en handelen van individuele kerkleden, maar ook terug te vinden is in de officiële besluiten van de kerken op landelijk niveau.

Deze veranderende visie op de verhouding tussen man en vrouw en op de taken van mannen en vrouwen in gezin en samenleving heeft een bezinning op gang gebracht over de rol van de vrouw in de kerk en op de manier waarop wij traditioneel de m/v-teksten over het ambt hebben gelezen.

Kort gezegd: traditioneel hebben wij de zwijgteksten altijd gelezen als een bevestiging en uiting van het onderdanig-zijn van de vrouw aan de man en van het gezag-hebben van de man over de vrouw. Aan het einde van de 20e eeuw is er een nieuwe consensus in de GKv ontstaan over de verhouding van man en vrouw, waarbij deze veronderstelde onderdanigheid ter discussie is gesteld. Het uitgangspunt in ons denken over m/v ligt nu in de gelijkwaardigheid van man en vrouw bij de schepping en bij het samen beeld van God zijn. Daarmee is een belangrijke grond voor de traditionele exegese van de zwijgteksten weggevallen en werd het noodzakelijk om deze teksten opnieuw te exegetiseren.

Het mag duidelijk zijn, dat wie zich niet kan vinden in de nieuwe consensus op de verhouding van man en vrouw en deze als onbijbels afwijst, ook zal opponeren tegen de vrouw in het ambt, omdat dit des te meer als in strijd met het bijbelse onderwijs over man en vrouw gezien zal worden.

Het zijn vooral die kerken en gemeenteleden die de onderdanigheid van de vrouw aan de man als bijbels zien, die het besluit bestrijden om de vrouw in het ambt toe te laten. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de kerken in het buitenland waar wij een zusterkerk-relatie mee onderhouden en aan de kerkleden, die zich na 2003 van de GKv afgescheiden hebben en zich verenigd hebben in de DGK(h), de Gereformeerde Kerken in Nederland in hersteld verband. Het zijn deze kerken, die vanuit hun traditionele visie op man en vrouw ons ook waarschuwden voor geloofsafval toen wij respectievelijk het vrouwenstemrecht invoerden in 1993 en nieuwe huwelijksformulieren formuleerden in 1996 en 1999.

In de eerdere blogs heb ik mij geconcentreerd op de exegeses van m/v-teksten in de besluiten over het vrouwenstemrecht. In een volgende blog zal ik stilstaan bij de exegese van die teksten in besluiten rond de herziening van het huwelijksformulier.