Zwijgteksten en scheppingsorde

‘Over man, vrouw en ambt’  –  Fokke Pathuis

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde. Onderstaande tekst is de inleiding zoals uitgesproken. Op mijn weblog staat ook een versie met verantwoording en een aantal excursen over thema’s, die tijdens de bespreking ter sprake kwamen.[i]

Ik mag vanavond een toelichting geven bij het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor vrouwen open te stellen. Een verandering van visie op het thema ‘vrouw en ambt’, waar niet iedereen in onze kerken hetzelfde over denkt.

Daarbij wil ik eerst (1) het punt duidelijk maken wat er veranderd is in de visie op ‘vrouw en ambt’, vervolgens (2) sta ik stil bij hoe het kan dat de bijbel anders gelezen wordt, ten slotte (3) wil ik enkele afrondende opmerkingen maken of dat ook zo mag.


  1. Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

In mijn preek van afgelopen november 2018 heb ik vooral een historisch overzicht gegeven van hoe in de 20e eeuw in de vrijgemaakte kerken de ontwikkeling is geweest naar het openstellen van het ambt voor de vrouw. Die ontwikkeling kun je kort samenvatten in de volgende 2 dia’s, waarbij voor de traditionele visie als referentiekader gekozen is het besluit van de GKv Synode Arnhem 1930 om de vrouw geen kiesrecht toe te kennen en voor de huidige visie het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen:

  Traditionele visie  
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) De vrouw is ondergeschikt aan de man / mag geen gezag over de man voeren

► 1930: de vrouw mag niet stemmen + niet in het ambt dienen  
  Huidige visie
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) Man en vrouw zijn gelijkwaardig  

► 1993: de vrouw mag wel stemmen
► 2017: de vrouw mag ook in het ambt dienen  

Het grote verschil in deze twee visies is, dat wij anders zijn gaan denken over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Wij gaan nu uit van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

In de reacties op het synodebesluit zie je dat naar dit verschil alle aandacht uitgaat. Wat betekent het dat man en vrouw gelijkwaardig zijn? Mag de vrouw wel dezelfde rollen en posities vervullen als de man? Samengevat in twee dia’s zijn dit de argumenten die voor- en tegenstanders uitwisselen:

  Tegenstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – de vrouw heeft een ondergeschikte positie t.o.v. de man
(2) Alleen mannen zijn in de bijbel priester, leerling, apostel en oudste
(3) De NT-ische zwijgteksten verbieden het
(4) Eeuwenlang heeft men in de bijbel gelezen dat de vrouw geen ambt mag dragen
Voorstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – man en vrouw zijn gelijkwaardig
(2) a.  In het OT roept God soms ook vrouwen
(2) b.  In het NT hebben vrouwen belangrijke posities in de gemeente
(3) De NT-ische zwijgteksten moeten niet absoluut opgevat worden
(4) De traditie is niet normatief  

Zoals duidelijk mag zijn, spitst het verschil zich met name toe op een andere interpretatie van de scheppingsorde resp. de zwijgteksten. En dan wordt het spannend: één bijbel en een verschillende uitleg van die bijbel, en daardoor een ander uitkomst op het vraagstuk van ‘Man, vrouw en ambt’. Hoe kan dat?  En: mag dat?


  2. Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Er staan dus twee leeswijzen van de bijbel tegenover elkaar, de traditionele en de huidige. In dit deel van mijn inleiding noem ik vier aspecten, die bij de verandering in visie een rol hebben gespeeld.

a. De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd

We leefden eeuwenlang in een samenleving, waarin de vrouw in het publieke leven geen rol speelde en in het dagelijkse leven op de tweede plaats stond. Denk bijvoorbeeld maar aan de standenmaatschappij in een middeleeuwse samenleving. Daar had iedereen in de maatschappij een positie, waar eigenlijk niet aan getornd mocht worden. Alleen in een vrouwenklooster had de vrouw een eigen zelfstandigheid.   Men beschouwde de standenmaatschappij als de orde die door God gegeven was. Met deze orde verbond men als het over de vrouw ging moeiteloos de algemene idee, – ontleend aan de klassieke filosofen – , dat de vrouw een minderwaardige natuur heeft of dat ze eigenlijk een soort mislukte man is.

Maar dan komt vanaf de 20e eeuw de persoonlijke ontwikkeling van de vrouw goed op gang. Ze volgt onderwijs. Ook komt ze in andere sectoren te werken als alleen de verzorgende beroepen of de productie. Ze krijgt leidinggevende posities op het terrein van de politiek, het bestuur, de samenleving en de wetenschap. Dan komt de vraag op: is de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man nog wel (bijbels) te verantwoorden?

In de jaren ’90 komt er in de GKv een nieuw huwelijksformulier, waarin vooral de nadruk ligt op de gelijkwaardigheid van man en vrouw en op hun eenheid in het huwelijk. Ook wordt erkend dat de vrouw in de samenleving een rol kan vervullen door zich op de arbeidsmarkt te begeven en dat ze zo samen met de man voor het gezinsinkomen mag zorgen.

Daarnaast gaat de vrouw eind 20e eeuw ook taken in de kerk vervullen, die lang alleen door de man vervuld zijn. In het diaconaat was ze al actief als vrijwilliger, maar nu wordt ze ook actief op het gebied van pastoraat, onderwijs, leiding geven en bestuur. Kan dat wel, als de vrouw in de kerk moet zwijgen?

De synode van 2005 stelt voor het beantwoorden van die vraag een deputaatschap in, wat er toe leidt dat de synode in 2017 de uitspraak doet, dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent dat ook de vrouw op al die terreinen een taak of ambt mag bekleden.

b. Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst

Maar het staat toch duidelijk in 1 Tim 2:11-12, dat de vrouw moet zwijgen in de kerk? Dat klopt. Het staat er als je puur naar de betekenis op zinsniveau kijkt.

Maar de betekenis van een tekst wordt niet alleen bepaald door een taalkundige analyse van de zinnen zelf. De context bepaalt mede hoe de tekst opgevat moet worden.

Een klein voorbeeld. Wanneer ik tegen iemand zeg ‘Ik heb het koud’, dan kan ik afhankelijk van de context waarin ik deze zin uitspreek bedoelen: dat ik koorts heb, of dat ik vind dat de verwarming hoger moet, of dat ik aan die ander duidelijk maak of zelfs de opdracht geef, dat hij de deur die daar open staat, dicht moet doen.

Zo is het ook bij de 1e brief van Paulus aan Timoteüs. We weten nu meer over de maatschappelijke context, waarin Paulus deze brief schrijft. Daarnaast brengen wij sterker in rekening, dat de Paulus de brief schrijft om Timoteüs aan te sporen de dwaalleraars te bestrijden. Als je deze gegevens bij je exegese betrekt, kun je tot een andere conclusie komen over wat de bedoeling en strekking van deze zwijgtekst is. Binnen die context zegt Paulus dat vrouwen moeten zwijgen en zich rustig moeten laten onderwijzen, omdat ze zich hebben laten inpalmen door dwaalleer. Het is geen absoluut gebod, want zijn instructie is nauw verbonden met de context van dwaalleer in de gemeente te Efeze.

Hetzelfde geldt voor de exegese van Gen. 2 en 3. Traditioneel is met een beroep op de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 11 en 14, 1 Tim. 2 en Ef. 5 betoogd dat we in Gen. 2 en 3 een scheppingsorde kunnen ontdekken. Volgens die orde zou de vrouw ondergeschikt zijn aan de man en heeft de man als hoofd gezag over de vrouw.

Allereerst hebben we leren zien dat men in de traditionele visie, die ook terug te vinden is in het oude huwelijksformulier, onjuiste conclusies aan elementen uit het scheppings- en zondeval-verhaal verbond. Zo kun je het ‘hulp’-zijn van de vrouw niet interpreteren als ondergeschiktheid en is de straf voor de vrouw geen gebod voor de man is om over haar te heersen.

Daarnaast is het de vraag, op welke wijze je aan verhalende teksten normatieve uitspraken over de inrichting van de maatschappij kunt verbinden. Uit de historische gegevens dat Abraham, Jakob, David en Salomo veel meer vrouwen hebben, ontlenen wij ook niet dat polygamie de norm is. Je kunt dus niet zo maar, als dat er niet expliciet staat, aan de manier waarop het verhaal in Gen. 2 en 3 verteld wordt, normatieve conclusies verbinden over de onderlinge verhouding tussen man en vrouw.

c. Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen

Traditioneel werd de vraag of de vrouw in het ambt mag, beantwoord door een serie bijbelteksten te verzamelen en daar dan een lijn in aan te brengen, waarna een conclusie werd getrokken. De bijbel als een bron voor bewijsteksten.

Tegenwoordig is er meer aandacht voor, dat je je visie niet met een louter beroep op bijbelteksten kunt verantwoorden. Ook is er het besef dat je niet zomaar één op één allerlei normen die in de bijbel gelden, kunt overzetten naar vandaag. Dat doen we niet met het sabbatsgebod, met het verbod voor vrouwen om mannenkleren te dragen, met de sluier voor vrouwen uit 1 Kor. 11, met het opheffen van de handen of het elkaar groeten met de heilige kus. Dit geldt ook voor het vraagstuk van de vrouw en het ambt. De vraag is: op welke wijze trek je verantwoord de lijnen van de schepping via het Nieuwe Testament naar vandaag?

Een beroep op de zwijgteksten is dan niet alles beslissend. Al was het alleen maar om het feit, dat het in de zwijgteksten niet over het ambt gaat, maar dat die vooral betrekking hebben op situaties zoals die toen gangbaar waren in de eredienst, de liturgie of het huwelijk. En wanneer je dan toch die specifieke situaties algemeen wil maken naar het ambt, dan moet je dat zorgvuldig beargumenteren.

Ook is een beroep op een zgn. scheppingsorde niet overtuigend. Allereerst omdat in Gen. 2 en 3 de ondergeschiktheid van de vrouw niet als norm wordt gegeven. Verder niet, omdat men in dit beroep op de scheppingsorde niet consistent is. Men pleit voor verschillende rollen en verantwoordelijkheden voor man en vrouw, maar de reikwijdte daarvan beperkt men vandaag tot de kerk en het huwelijk, want het geldt niet voor de samenleving. Als argument daarvoor voert men aan:

 ‘dat God ons voor de relaties in het huwelijk en in de kerk expliciet voorschriften heeft gegeven; voor de man-vrouwrelatie verder in de samenleving niet.

Dit lijkt me een vorm van onvervalst biblicisme. Mijns inziens is het oordeel van ds. Pieter Niemeijer over zo’n argumentatie terecht:

‘Wie uit 1 Timoteüs een scheppingsorde afleidt waarin een vrouw geen gezag mag uitoefenen over de man, zal duidelijk moeten maken waarom deze orde voor de schepping (!) dan niet zou gelden voor de hele schepping, en dus ook voor de samenleving! Waarom aanvaarden we het in het bedrijfsleven, de politiek en de rechterlijke macht wel dat vrouwen met gezaghebbende verhalen en uitspraken komen?

  d. Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

Maar Paulus bedoelt toch met zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 zijn uitspraak over het zwijgen van vrouwen in de kerk normatief te funderen vanuit de onderdanigheid van de vrouw aan de man?

Als Paulus over de functie van het Oude Testament en het beroep daarop schrijft, blijkt dat hij daar heel genuanceerd naar kijkt. In 2 Tim. 3:16 schrijft hij dat elke schrifttekst gebruikt kan worden ‘om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven’.

Voor hem geldt verder dat niet alles wat in het Oude Testament geschreven is, ook nog normatief is. Met een beroep op het evangelie kan hij in zijn brief aan de Galaten zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant schuiven als niet meer van betekenis. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van die wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, n.l. die van Christus en van de Geest.

Dat is ook de manier waarop wij de bijbel hebben te lezen. Niet alles heeft hetzelfde normatieve soortelijk gewicht. Er is een ontwikkeling in de heilsgeschiedenis, waardoor zaken die onder het oude verbond normatief waren onder het nieuwe verbond die normativiteit kwijt zijn geraakt en voor ons niet meer van toepassing zijn. Kort geformuleerd: ‘Het gezag van de hele Schrift geldt voor alle eeuwen, maar niet elke tekst is bedoeld voor elke situatie of tijd.’

Wanneer Paulus in 1 Tim. 2 naar Adam en Eva verwijst gebruikt hij deze geschiedenis als een voorbeeld en analogie voor wat zich in Efeze afspeelt. Zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen.


3. Mag je de bijbel zo anders lezen?

Ik heb in het eerste deel van mijn inleiding het punt van verschil tussen de traditionele en de huidige visie op vrouw en ambt laten zien, namelijk de vraag wat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent. Daarna heb ik in het tweede deel aan de hand van vier aspecten laten zien, hoe dat verschil onderbouwd is. Nu als derde punt de vraag: mag dat? Doe je dan nog wel recht aan het gezag van de bijbel? Daar wil ik een drietal dingen over zeggen.

  a. Gewoon gereformeerde hermeneutiek

Sommigen zeggen: ‘dat we de bijbel anders lezen komt omdat wij ons laten leiden door de tijdgeest.’ De synode heeft een nieuwe manier van het lezen van de Schrift omarmd en heeft zich uitgeleverd aan de overheersende gelijkheidscultuur van onze tijd, die bepalend is voor de uitkomst van de nieuwe visie op vrouw en ambt. Met als gevolg dat het gezag van de bijbel wordt ondermijnd en ontkend.

Inderdaad is het zo, dat wij juist vanuit onze huidige cultuur herkennen hoezeer de uitleg van de bijbel in de voorgaande eeuwen mede bepaald is geweest door de toen heersende cultuur.

Eeuwenlang is de slavernij verdedigd met de bijbel in de hand en nog niet zo lang geleden de apartheid in Zuid-Afrika. Ook in onze eigen recente kerkgeschiedenis zijn allerlei waarheden gesneuveld: over de ware kerk, over de zondagsbesteding, en nu dus ook over de vrouw in het ambt. Ik besef dat dat een ongemakkelijk gevoel geeft. Maar ook al lezen we de bijbel anders, de norm blijft nog steeds de bijbel en de overtuiging dat God ons via de bijbel aanspreekt. Een andere leeswijze betekent niet automatisch een andere hermeneutiek. Deze leeswijze kan gewoon met de regels van de gereformeerde hermeneutiek verantwoord worden. 

Natuurlijk is er het gevaar, dat je uit de bijbel haalt, wat je graag wilt. Maar waar wij als gereformeerde kerk op aan te spreken zijn, is dat de tekst van de bijbel in zijn geheel gezaghebbend is en blijft.

De vraag is niet of Paulus’ voorschriften voor ons normatief zijn: dat zijn ze. De vraag is op welke wijze zijn voorschriften, gegeven in een bepaalde cultuur en binnen een bepaalde context, normatief zijn voor onze cultuur en voor onze manier van kerk-zijn vandaag. Daarmee kom ik op mijn tweede opmerking.

  b. De patriarchale samenleving is niet normatief.

In de bijbel vinden wij de openbaring van God, zoals Hij zich in aansluiting bij een bepaalde cultuur en in een bepaalde tijd bekend heeft gemaakt. De vraag is, of God door zich aan te sluiten bij een bestaande cultuur ook die cultuur zelf normatief heeft verklaard.

Het verschil van mening tussen de voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt spitst zich toe op de vraag, of wij ons los mogen maken van de patriarchale cultuur die verondersteld is in allerlei gebruiken en geboden in de bijbel. In een patriarchale cultuur is de vrouw ondergeschikt aan de man en krijgen man en vrouw verschillende rollen en verantwoordelijkheden toebedeeld. Mag je daar aan tornen?

Ja, zegt de synode: de patriarchale verhoudingen zijn niet normatief, d.w.z. het biologische onderscheid tussen man en vrouw en de manier waarop daar in de bijbelse tijd een sociale en culturele betekenis werd toegekend, is niet bepalend voor de vraag of de vrouw in het ambt mag dienen. Nee, zeggen de tegenstanders met een beroep op de traditionele leeswijze, die juist gefundeerd is op de acceptatie van de patriarchale samenleving inclusief de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

In mijn preek in november 2018 ben ik daar uitgebreider op ingegaan. Mijns inziens staat Paulus in Gal. 3:28 niet toe, dat in de kerk Jood of heiden, heer of slaaf, man of vrouw, anders worden behandeld: in Christus is er geen onderscheid. Er zijn wel verschillen, maar die zijn bedoeld om elkaar op te bouwen en samen met de specifieke gaven die ieder heeft van betekenis voor elkaar te zijn en elkaar te dienen.

  c. Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

Tenslotte: vrouwen kunnen gezag hebben, – ook over mannen – , omdat het gezag niet in hun persoon-zijn ligt, maar in de boodschap die zij brengen en in God die hen zendt.

Wanneer zij gaven van God ontvangen hebben om leiding te geven, om voor te gaan of om in het ambt te dienen, dan mogen zij die inzetten. Dat is de visie van de synode om ook vrouwen tot het ambt in de gemeente toe te laten.

Binnen de patriarchale samenleving, zoals die in de bijbelse tijd functioneerde, heeft Paulus specifieke opdrachten voor de organisatie van het gemeenteleven gegeven. Wij mogen in onze situatie en binnen onze samenleving die opdrachten handen en voeten geven, niet door ze letterlijk toe te passen, maar door de strekking en de bedoeling daarvan tot uitdrukking te brengen.


[i] Zie: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

Advertenties

Man, vrouw en ambt

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente de Fontein (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde.

De avond stond in het kader van een bespreking van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen.  

De inleiding bestaat uit de volgende drie onderdelen:

1e.  Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

Hierin ga ik in op het verschil tussen de traditionele visie en de visie van de synode, dat ligt in het gegeven dat we nu uitgaan van de gelijkwaardigheid van man en vrouw in tegenstelling tot de vroegere ondergeschikt van de vrouw aan de man.

2e.  Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Hierin besteed ik aandacht aan vier elementen, op grond waarvan wij de m/v-teksten vandaag anders lezen dan vroeger, te weten:

  •  De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd
  •  Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst
  •  Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen
  •  Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

3e.  Mag je de bijbel zo anders lezen?

Om deze vraag te beantwoorden benoem ik drie zaken, op grond waarvan dat geoorloofd is:

  • Gewoon gereformeerde hermeneutiek
  • De patriarchale samenleving is niet normatief.
  • Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

In vier excursen bespreek ik thema’s die in de bespreking van de inleiding naar voren kwamen:

  Excurs 1 – ‘Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk’

  Excurs 2 – Gen. 2 en 3 en de zgn. scheppingsorde

  Excurs 3 – De zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’  

  Excurs 4 – Patriarchale samenleving en cultuur 

De uitwerking van de lezing is hier te vinden: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.

De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur

Groot-Brittannië is al ruim twee jaar met de EU in onderhandelingen hoe het uittreden uit de EU geregeld moet worden. De vraag is of het een ‘harde’ of een ‘zachte’ Brexit zal worden. Zoals het er nu uitziet wordt het een compromis tussen ‘hard’ en ‘zacht’, ergens halverwege dus.

Hier moest ik aan denken toen ik ruim een jaar na het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, de stand van zaken probeerde op te maken. Want de GKV probeert al enkele decennia te dealen met de bijbelse geboden, waarin duidelijk de patriarchale cultuur doorklinkt waarin ze gegeven zijn. Daarbij spitst de discussie zich toe op de vraag, hoe God de verhouding tussen mannen en vrouwen bedoeld heeft.

 

  • Verandering in visie op m/v in de 20e eeuw

Cultureel en sociologisch gezien ligt aan de zaak van ‘m/v en ambt’ de vraag ten grondslag hoe je als christen omgaat met de modernisering van de samenleving. Daarom werd de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk pas in de 20e eeuw relevant. Vrouwen gingen voor vervolgonderwijs, ook naar de universiteit. Ze werden arts of jurist en werden sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 ook politiek actief. Zo kwamen ze op verantwoordelijke en leidinggevende posities terecht. Op dat moment ging het wringen met de geldende visie, dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn.

De eerste testcase voor de gereformeerden was de vraag of de vrouw ook in de kerk zou mogen stemmen. Zo werd in 1930 de traditionele visie op de verhouding tussen man en vrouw kerkelijk vastgelegd. De GS Arnhem 1930 besloot, dat vrouwen niet aan de verkiezing mochten deelnemen, omdat ze daarmee invloed zouden krijgen op het leiding geven aan de gemeente door de kerkenraad.

Je kunt deze visie op de positie van de vrouw in de kerk in twee stellingen met conclusie samenvatten: 

          (1)    het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)    de vrouw is onderworpen aan de man resp. ze mag geen gezag over                              de man voeren                                                                                                               ► de vrouw mag niet stemmen en/of in het ambt dienen

Op grond van het scheppings- en zondevalverhaal in Genesis en van de zgn. zwijgteksten in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 en onder verwijzing naar Ef. 5, waar Paulus de man het hoofd van de vrouw noemt, concludeerde men in 1930 tot een scheppingsorde, waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man. Teksten in het Oude en Nieuwe Testament, waarin vrouwen wel met gezag optreden en verantwoordelijke taken vervulden, werden als niet relevant terzijde geschoven en dus niet in de vorming van de visie op de verhouding van man en vrouw meegenomen. Ze werden ‘het zwijgen opgelegd’.[i]

In de jaren ’90 bogen verschillende GKV synoden zich opnieuw over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Na het opnieuw bestuderen van de bijbelteksten werd een nieuwe visie op de verhouding van man en vrouw geformuleerd. Op grond daarvan werd in 1993 bijna unaniem aan vrouwen het stemrecht toegekend. Wel spreekt men nog uitdrukkelijk uit, dat de argumentatie voor het geven van het stemrecht aan vrouwen niet betekent dat vrouwen in het ambt mogen dienen.

In lijn met deze nieuwe exegese van de m/v-teksten wordt in 1996 en 1999 in aangepaste huwelijksformulieren de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk opnieuw omschreven.  

Gemeenteleden kregen door het leven in een moderne samenleving steeds meer moeite met de manier, waarop in het oude huwelijksformulier de ondergeschiktheid van de vrouw beschreven en beargumenteerd werd. Ook kon men zich niet vinden in de formulering van de rol- en taakverdeling van man en vrouw in het huwelijk, omdat de praktijk anders was als de man voor het inkomen moet zorgen en de vrouw het huishouden en het gezin als haar domein heeft.[ii]

In het nieuwe huwelijksformulier is de formulering geschrapt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man en dat de man gezag over zijn vrouw heeft. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig en ze zijn samen beeld van God. Van hieruit wordt gesproken over de onderscheiden positie en verantwoordelijkheid, waarbij de man als de eerstverantwoordelijke wordt getypeerd.

 

  • Het ‘m/v en ambt’-besluit in 2017

In 2008 kwam opnieuw de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk op. Taken die traditioneel aan het ambt gekoppeld zijn, worden ook vaak door vrouwen verricht. Nieuwe bezinning leidde er toe dat de synode van Meppel in 2017 besloot het ambt voor de vrouw open te stellen. In plaats van de ´zachte´ Brexit van de ´90-er jaren koos men nu voor een ´harde´ Brexit om van de negatieve effecten van de patriarchale cultuur los te komen.

Logisch gezien heeft de uitspraak van de synode in 2017 alles te maken met het opnieuw doordenken van de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de verhouding van man en vrouw in de jaren ´90. De uitgangspunten voor die visie waren toen:

     (a)   Het is niet bijbels om uit te gaan van een scheppingsorde, waarin de vrouw                    aan de man ‘ondergeschikt’ is.

     (b)   Een specifieke taak- en rolverdeling van man en vrouw in gezin en                                  maatschappij is niet te geven, omdat de bijbel daar geen normatieve uitspraken              over doet.

     (c)   De zgn. zwijgteksten zijn geen absolute zwijggeboden, maar moeten beperkt                 worden uitgelegd in het licht van de situatie in de gemeente van Korinthe en                   Efeze.

Uitgaande van deze inzichten bleek de grond onder de traditionele redenering om de vrouw in het ambt af te wijzen weggevallen. De tweede premisse in de redenering – de vrouw is onderworpen aan de man – was namelijk niet meer van toepassing. En zo werd de traditionele conclusie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen twijfelachtig:

      (1)   het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)   man en vrouw zijn gelijkwaardig                                                                                      ►  de vrouw mag wel / niet in het ambt dienen?

De synode concludeerde dat het ambt ook open staat voor de vrouw.

In reactie op dit synodebesluit in 2017 zijn er sommigen die zich hard maken om een vrijgemaakte ‘Brexit’ uit de patriarchale cultuur alsnog te voorkomen.[iii] 

Op verschillende manieren beargumenteert men, dat die tweede premisse dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, toch niet geldig is of in ieder geval aangepast dient te worden. Ze lezen de m/v-teksten weer volgens de uitgangspunten van de traditionele wijze van 1930. Daarmee komen ze terug op de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de man-vrouwverhouding, zoals die in de jaren ’90 door diverse GKV-synoden geijkt is:

    (a-1)   Het besluit is in strijd is met de scheppingsorde want de man heeft wel                            degelijk gezag over de vrouw (Gen. 3:16), in ieder geval: als man en vrouw al                gelijkwaardig zijn, zijn ze volgens (Gen 1 en 2) niet gelijk, omdat er een                          verschil in gegeven verantwoordelijkheid is;

    (b-1)  God heeft toch man en vrouw specifieke taken en verantwoordelijkheden                        gegeven: alleen mannen worden als priesters, leerlingen,apostelen en                            oudsten aangesteld;

    (c-1)    De zgn. zwijgteksten gelden in de kerk absoluut: vrouwen mogen niet                              gezaghebbend spreken in de kerk.

Daarbij confronteren zij zich niet expliciet met de besluiten en argumentatie op grond waarvan de GKV in de jaren ’90 op exegetische en hermeneutische gronden afstand heeft genomen van de visie uit 1930.

Zij die instemmen met het synodebesluit van 2017 onderbouwen het besluit verder vanuit de huidige benadering op de m/v-teksten:[iv]

    (a-2)   Als je al wilt spreken van een scheppingsorde, dan is de betekenis van Gen. 1                en 2 dat man en vrouw ‘gelijkwaardig’-zijn en samen beeld van God vormen;

    (b-2)   Ze doordenken de traditionele ambtsopvatting en vragen oog voor de                              betekenis van de gaven in de gemeente, die zonder onderscheid zowel                          aan vrouwen als mannen worden toegedeeld;

    (c-2)   Ze laten zien dat de zwijgteksten inderdaad bepaald zijn door de context en                    de situatie waar de gemeenten van Efeze en Korinthe zich in bevonden.

 

  • Voorlopige tussenstand

Op basis van een analyse van deze argumentatiestrategieën zijn de volgende conclusies te trekken.

Allereerst dat het grote discussiepunt in het gesprek over het ‘m/v- en ambt’-besluit gaat over de vraag, hoe je Paulus’ Schriftberoep interpreteert. Uitgangspunten (a) en (c) in het nadenken over ‘vrouw en ambt’ hangen nauw met elkaar samen, maar funderend is uitgangspunt (c). Wanneer de zgn. zwijgteksten niet absoluut uitgelegd (moeten/kunnen) worden, is er geen grond voor uitgangspunt (a-1), dat er een scheppingsorde van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man is. Met een beroep op alleen Gen. 1-3 is uitgangspunt (a-1) niet te verantwoorden. Daarmee krijgt de exegese van 1 Tim. 2 een cruciale rol. 

Ten tweede dat het opvallend is, dat de ambtsvisie nauwelijks gethematiseerd wordt. Op welke wijze is ambtelijk handelen een vorm van gezaghebbend leidinggeven? Hangt het gezag af van de persoon die het ambt draagt? Waarin ligt het gezag van de ambtsdrager? In zijn persoon of in de machtiging of in het woord dat hij spreekt? Aan welke kwalificaties moet een ambtsdrager voldoen om gezagvol te kunnen handelen? Waarom zouden sekse en gender daarin een onderscheidend criterium moeten zijn? Wat is de relatie tussen het bijzondere ambt en het zgn. algemene ambt van gelovigen? Waarom kan een vrouw wel gezagvol handelen in haar ambt van profeet, priester en koning, maar niet in het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken?

Ten derde dat het uiterst merkwaardig is, dat in de argumentatie weinig hermeneutisch besef is dat het niet alleen gaat om de exegese van bepaalde teksten, maar ook om de toepassing van de gevonden bijbelse inzichten in een concrete situatie. Dat wreekt zich in de soms willekeurige wijze waarop men enerzijds beschrijvende passages in het OT en NT naast zich neer legt en anderzijds zonder enige argumentatie normatief verklaart voor vandaag. In sommige argumentaties is het gehalte van de ‘loca probantia’-methode zeer hoog: men houdt geen rekening met genre en context van de teksten en formuleert vervolgens met behulp van deze bewijsteksten een normatieve theorie over de m/v-verhouding. Transparantie ten aanzien van het impliciet gehanteerde hermeneutisch model is veelal afwezig.[v]

Ten vierde dat de argumentatie een hoog abstract en idealistische gehalte heeft, en daardoor – mede gezien de vorige conclusie – bij tijden een biblicistisch karakter krijgt. In de argumentatie wordt nauwelijks recente literatuur met nieuw zicht op de positie van de vrouw in de culturen van OT en NT verwerkt, waardoor veronderstellingen daarover niet getoetst worden aan de werkelijkheid. Daarnaast doen tegenstanders van de vrouw in het ambt een beroep op een scheppingsorde, die gekenmerkt wordt door de ondergeschiktheid dan wel de ongelijkheid en de onderscheiden verantwoordelijkheid van man en vrouw. Men maakt echter niet aannemelijk, waarom deze veronderstelde scheppingsorde alleen zou gelden voor de kerk en niet voor de samenleving. In de praktijk trekt men voor het maatschappelijk leven uit deze ‘scheppingsorde’ niet de conclusies, die men voor de organisatie van het kerkelijk leven wel normatief van belang acht.

 

  • Conclusie

Samenvattend is mijn voornaamste conclusie, dat de kern waar alles in het denken over ‘vrouw en ambt’ om draait, niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Er is nauwelijks bezinning op de vraag die aan heel de discussie ten grondslag ligt, namelijk over de al dan niet normatieve betekenis van de patriarchale cultuur voor christenen in de moderne samenleving.[vi]

Wat betekent het dat de openbaring van God gegeven is binnen een patriarchale samenleving? Legitimeert God daarmee de patriarchale man-vrouwverhouding? Moeten wij daarom in onze eigen cultuur en samenleving ook die man-vrouwverhouding normatief voorschrijven, zowel in de kerk als in het maatschappelijk leven van het huwelijk, de arbeid en de politiek? [vii]

Als we over deze vragen helderheid kunnen bieden, is het geen vraag meer of de vrouw in het ambt mag dienen.  



[i] Stellingen die dit moeten beargumenteren zijn wat de OT-ische teksten betreft: (a) dat is een beschrijving van de praktijk, dus daar kun je geen normen aan ontlenen, (b) de uitzondering bevestigt de regel, (c) een noodmaatregel: dat gebeurt alleen maar als de mannen het laten afweten. Deze stellingen worden gepresenteerd als evident en worden niet onderbouwd. Op grond waarvan is een vrouwelijke richter of profetes een uitzondering die de regel bevestig? Op zijn minst kun je zeggen, dat God in de praktijk laat zien dat vrouwen in bepaalde omstandigheden werkelijk met gezag kunnen spreken. Als het om NT-ische teksten gaat is men er duidelijk verlegen mee, maar dan is het argument: ‘er kan gewoon niet staan wat er staat, want Paulus leert toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente en ondergeschikt moet zijn’. Dus wordt gesteld dat:  (a) het bidden en profeteren van vrouwen in ieder geval geen spreken met gezag is of activiteiten die in een kerkelijk publieke setting worden verricht, en (b) dat wanneer vrouwen als diaken, apostel of medewerker worden aangeduid, je dit niet mag opvatten als dat zij gezagvolle en ambtelijke taken verrichten.

[ii] De theorie strookte overigens al niet met de praktijk. Voorbeelden uit de laatste paar eeuwen zijn vrouwen die als dienstboden, fabrieksarbeidsters en in de kleine middenstand en het boerenbedrijf als meewerkend echtgenote, een bijdrage aan het arbeidsproces leveren.

[iii] De door hen gepubliceerde artikelen zijn te vinden in het binnen de GKV verschijnend maandblad Nader Bekeken en op de verwante website www.bezinningmvea.nl

[iv] Op de website www.manvrouwkerk.wordpress.com, opgestart na de publicatie van het boek ‘Zonen en Dochters profeteren’, (Boekencentrum,2016), zijn veel artikelen terug te vinden.

[v] Voor wat bedoeld wordt met hermeneutische modellen, zie de beschrijving in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017,  p.123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne).

[vi] Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Hierover heb ik enkele opmerkingen gemaakt in mijn preek over Gal. 3:28: https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/24/fragment-van-een-preek-over-galaten-328/

 

Zwijgteksten vandaag

Vorig jaar verscheen in de ‘New Covenant Commentary’-serie het commentaardeel van B.J. Oropeza op 1 Korintiërs.[1] In aansluiting op de exegese van 1 Kor. 14:34-35 heeft hij hierin een excurs opgenomen onder de titel ‘Fusing the Horizons: Women Speakers at Church[2], die ik hierbij in vertaling doorgeef.

Soms wordt 1 Kor. 14:34-35 in samenhang gelezen met 1 Tim. 2:9-15 om de claim te onderbouwen dat wanneer Paulus vrouwen beveelt om te zwijgen, dit betekent dat kerken vandaag niet mogen toestaan dat vrouwen spreken, onderwijs geven of leiding geven. Toch ligt de aanleiding voor de discussie in beide brieven in verschillende omstandigheden. Hoewel sommige kernwoorden in beide teksten voorkomen, is de toepassing behoorlijk anders.[3]

In 1 Timotheüs is de unieke situatie ontstaan, dat dwaalleer zich deels via weduwen in de huiskerken binnendringt (5:5-16, vergelijk 1:3-7).[4] In deze situatie schrijft Paulus aan Timotheüs, die pastor is in de kerk van Efeze: ‘Ik sta niet toe dat een vrouw onderwijs geeft en gezag claimt over een man[5] (2:12). Deze vrouwen mogen geen onderwijstaken vervullen of het leiderschap van mannen overnemen, in het bijzonder niet dat van Timotheüs.[6] Deze uitspraak heeft naar het lijkt niet de bedoeling dat deze voor altijd geldt, maar heeft als doel om deze gemeente te beschermen voor een destructieve leer. Ongetwijfeld was dit voorschrift mede ingegeven door de situatie (hoewel ze daar zelf niet schuldig aan waren) dat aan veel vrouwen in de patriarchale wereld niet hetzelfde niveau van geletterdheid en onderwijs gegeven werd als aan mannen. Door deze ongelukkige achterstand waren vrouwen gemakkelijker vatbaar voor dwaalleer. We kunnen hierbij opmerken dat mannen die dwaalleer verspreiden in de Paulinische kerken ook het zwijgen opgelegd worden (Titus 1:11).

Genesis 2-3 wordt in 1 Tim. 2:13-14 aangehaald om te ondersteunen dat Adam de ‘eerste’ is en dat Eva degene is die door de slang ‘bedrogen’ is. Zonder twijfel is Adam het eerste geschapen en heeft hij in deze tekst in een bepaalde zin prioriteit, maar het punt dat Paulus aan Genesis ontleend is dat ‘zoals Eva bedrogen is door de slang, zo zijn de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen door de dwaalleraren die door Satan geïnspireerd zijn (vergelijk 1 Tim. 4:1-3 en 5:13-15)[7]. Zolang als de vrouwen in Efeze door deze leraren beïnvloed worden, beantwoorden zij aan het model van  de voorafgaande typologische prefiguratie[8] van Eva, die nadat zij bedrogen was Adam op een dwaalspoor heeft gebracht.

Er is geen indicatie dat het aan vrouwen op grond van het scheppingsverhaal nooit meer toegestaan zou worden in de kerk te spreken, te onderwijzen of aan mannen leiding te geven. Onze auteur was waarschijnlijk juist door de inhoud van de specifieke dwaalleer die de gemeente beïnvloedde, getriggerd om naar het scheppingsverhaal te verwijzen.[9]

Hoewel Paulus erkent dat in de oude scheppingsorde Adam voorrang heeft, verdwijnt deze orde in Paulus’ denken in het licht van de nieuwe schepping in Christus, die uiteindelijk zal uitmonden in de volledige realisering  van het ‘noch manlijk en vrouwelijk … in Christus’ (Gal. 3:28, vergelijk 2 Kor. 5:17). In overeenstemming met dit nieuwe scheppingsmodel geven de gemeentes van Paulus hun goedkeuring aan en schakelen zij vrouwelijke leiders in zoals Phoebe en Junia (Rom, 16:1, 7) en geven vrouwen zoals Prisca (1 Kor. 16:19, Hand. 18:26) in de gemeente onderwijs.

We weten van Paulus en uit het Nieuwe Testament dat het vrouwen werd toegestaan om te profeteren en te spreken onder inspiratie van de Geest (1 Kor. 11:5, 14:26, vergelijk Hand. 21:8-9 en Openb. 2:20). Zij waren daartoe waarschijnlijk aangemoedigd, omdat in het nieuwe tijdperk van de uitstorting van de Geest die voortduurt tot dat Christus terugkomt, de kerk gekenmerkt wordt door het ‘uw dochters zullen profeteren’ (Hand. 2:17).

Dit is congruent met de Joodse wortels van het christelijk geloof, waarin vrouwelijke profeten als Deborah, Hulda, and Anna fungeerden (Richt. 4-5, 2 Kon. 22:14, 2 Kron. 34:22 en Luk. 2:36-38)[10]. Ook ondersteunt epigrafisch bewijs dat vrouwen leiderschapsrollen in synagogen vervulden[11], terwijl Joodse teksten de participatie van vrouwen in de vroege synagogale eredienst niet uitsluiten.[12]

Het lijkt erop dat noch 1 Kor. 14:34-35 noch 1 Tim. 2:9-15 de intentie heeft voor alle eeuwen te claimen dat vrouwen niet in de kerk mogen spreken, profeteren of onderwijs aan mannen geven.

Wij voegen hier nog aan toe, dat in tegenstelling tot de klassieke patriarchale wereld, vrouwen in onze tijd hetzelfde bijbelse en theologische onderwijs kunnen ontvangen als mannen. Zij zijn daarom even geschikt als mannen om een kerk te leiden, onderwijs te geven of in de kerk te (s)preken.

 

[1] B.J. Oropeza, Ph.D., is professor bij het ‘Department of Biblical and Religious Studies’ van de Azusa Pacific University in Californië (USA). Hij is oprichter van de ‘Intertextuality in the New Testament Section of the Society of Biblical Literature’. Ook maakt hij deel uit van de redactieraad van de ‘Rhetoric of Religious Antiquity series’ (SBL Press). Hij heeft zich gespecialiseerd in de socio-retorische exegese van het Nieuwe Testament, in het bijzonder de brieven van Paulus. In zijn proefschrift uit 1998 (Paul and Apostasy: Eschatology, Perseverance, and Falling Away in the Corinthian Congregation, geschreven onder supervisie van James D. G. Dunn) stond 1 Kor. 10:1-13 centraal.

[2] B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193.

[3] I.H. Marshall, The Pastoral Epistles (International Critical Commentary), T&T Clark International, Londen-New York, 2004, p. 440-42.

[4] Zie: B.J. Oropeza, Jews, Gentiles, and the Opponents of Paul. Apostasy in the New Testament Communities, Volume 2: The Pauline Letters, Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2012, p. 272-78.

[5] Voor de praesens indicativus als eerder actueel en specifiek dan universeel, zie: Philip B. Payne, Man and Woman. One in Christ, Baker, Grand Rapids, 2009, pp. 319-25 en Ben Witherington III, Letters and Homilies for Helenized Christians. Vol. 1, Apollos, Nottingham, 2006, pp. 226-27.

[6] Voor het mannelijk leiderschap in de patriarchale samenleving, zie het commentaar van Oropeza op 1 Kor. 11:3.

[7] Zie: B.J. Orepeza, Jews, Gentiles, and the Opponents of Paul. Apostasy in the New Testament Communities, Volume 2: The Pauline Letters, Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, 2012, p. 274.

[8] Oropeza gebruikt de term ‘prerepresentation’. In een noot verwijst hij naar zijn uitleg in het commentaar bij 1 Kor. 10:6, waar Paulus het voorbeeld van de doortocht door de Rode zee als ‘tupos’ omschrijft.

[9] Zie:  I.H. Marshall, The Pastoral Epistles (International Critical Commentary), T&T Clark International, Londen-New York, 2004, p. 459-60, die veronderstelt dat de dwaalleer draait om de vrouwelijke superioriteit over mannen.

[10] Zie voor andere vrouwelijke profeten in de Joodse, christelijke en Grieks-Romeinse tradities: Antoinette C. Wire, The Corinthian Women Prophets. A Reconstruction through Paul´s Rhetoric, Fortress, Minneapolis, 1990, pp. 237-69.

[11] Zie Pieter W. van der Horst, ´Conflicting Images of Women in Ancient Judaism´, in: Hellenism-Judaism-Christianity. Essays on Their Interaction, 2nd ed. CBET 8, Peeters, Leuven, 1998, pp. 90-92.

[12] Zie Marlene Crüsemann, ‘Irredeemably Hostile to Women. Anti-Jewish Elements in the Exegesis of the Dispute about Women’s Right to Speak (1. Cor. 14:34-35), in: JSNT, Jrg. 79 (2000), pp. 30-31, vergelijk t. Meg. 4.11.

Meedenken met Loonstra [i]

In zijn boekje ‘Meedenken met Paulus[ii] snijdt dr. Bert Loonstra de belangrijkste vraag in het gesprek over de vrouw in het ambt aan. Hoe ga je om met de bijbel, in het bijzonder met de zgn. zwijgteksten? Mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Welke waarde hebben Paulus’ verwijzingen naar de wet en de scheppingsorde als hij voorschriften geeft over de positie van de vrouw in de gemeente?

Zijn stelling is dat trouw zijn aan de Schrift niet bestaat in het exact naspreken van wat Paulus destijds in zijn culturele context als voorschriften heeft gegeven, maar in een toepassing van diens normatieve uitgangspunten en manier van denken op onze cultuur en context. In andere tijden is een andere toepassing mogelijk, mits de kern van het evangelie overeind blijft staan en die toepassing uitdrukking geeft aan het door Christus bevrijde leven in de Geest.

Loonstra tilt het gesprek over m/v en het ambt zo op het niveau van de hermeneutiek. Op dit gebied hebben zich in de loop van de 20e eeuw in de gereformeerde theologie belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.[iii] Kort aangeduid: een besef dat verantwoord bijbelgebruik meer is dan een samenbrengen van een aantal bijbelteksten om een bijbelse visie op een ethisch, dogmatisch of kerkordelijk onderwerp te bieden. Dat leidt namelijk snel tot een biblicistisch bijbelgebruik, als voorbij wordt gegaan aan de eigenheid van elke tekst en aan de positie van de tekst in het geheel van de Schrift. Bij een beroep op de bijbel moet het grotere geheel van de heilsgeschiedenis en de voortgang van het Gods rijk in rekening worden gebracht. Ook  moet de cultuurhistorische context van de normen, waarden en geboden in de Schrift vastgesteld worden.

Het beroep op de bijbel is ingewikkelder geworden, niet omdat wij ons aan het gezag van de bijbel willen onttrekken, maar juist omdat wij de bijbel niet willen laten buikspreken. De vanzelfsprekendheid dat iets hoort of geldt omdat het zo in de bijbel staat, is verdwenen. We hebben leren zien dat veel van wat lang als bijbels of gereformeerd beschouwd werd een cultureel bepaalde invulling van bijbelse waarden en normen was. Ook zijn er nieuwe ontwikkelingen in de samenleving en cultuur, waar wij een bijbels verantwoord licht over mogen laten schijnen.ge

De inzichten van Loonstra sluiten aan bij het model dat Rob van Houwelingen schetst voor het contextueel lezen van de bijbel en Ad de Bruijne voor de ethische bezinning in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag[iv]. De bijbel functioneert daarin als een heilshistorisch model voor het goede leven in Israel resp. het Romeinse rijk. In de woorden van De Bruijne: ‘Evenals de apostelen deden met het onderwijs van Jezus en Mozes, moeten wij op onze beurt hun woorden leren zien binnen onze eigen context en zo de betekenis ervan ‘herkennen’’. In de GKv hebben wij ervaring met dit model opgedaan in de omgang met het onderwerp ‘huwelijk en echtscheiding’ op de verschillende synoden van 1999 t/m 2008. Het is dan ook logisch dat de GKv Synode Meppel 2017 in lijn met dit hermeneutisch model geconcludeerd heeft, dat er geen belemmeringen zijn om de vrouw in het ambt toe te laten.

Grote vraag bij deze benadering is, of de (westerse) cultuur gaat heersen over wat het evangelie ons leert. Het antwoord van Loonstra is tweeledig. Allereerst dat de kern van het evangelie niet is het houden van geboden en voorschriften, omdat wie in Christus gelooft dood is voor de wet en leeft door de Geest. Ten tweede dat ook de westerse cultuur in verbinding gebracht moet worden met het onderwijs en de levensweg van Christus en dat een ‘nee’ uitgesproken moet worden tegen zaken die zich niet met de heerschappij van Christus laten verenigen.

Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving. Zijn richtlijnen hadden niet de bedoeling om het patriarchale systeem te legitimeren, maar om de voortgang van het evangelie te bevorderen. Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis. Daarom mogen wij de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting brengen.

Loonstra’s boekje is een ontdekkingstocht op niveau. Voor degene die enigszins met de hermeneutiek vertrouwd is, biedt het een waardevolle bijdrage aan het gesprek over m/v en het ambt.

 

 

[i]  Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 12 d.d. 8 juni 2018

[ii] Zie het artikel ‘Meedenken met Paulus’ in het Gereformeerd Kerkblad, 71e jaargang, nr. 11 d.d. 24 mei 2018, ook te vinden op deze site: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/26/meedenken-met-paulus-i/

[iii] Zie het overzicht door Ad de Bruijne in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017, p. 13-34.

[iv] Zie: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne), citaat op p. 188.

Meedenken met Paulus [i]

Dr. Bert Loonstra heeft een waardevol boekje geschreven over Paulus’ omgang met de wet en de geschriften van Israel. Daarmee wil hij het gesprek over de vrouw in het ambt in de GKv en in zijn eigen CGK verder helpen.

Waarin voor- en tegenstanders beslissend van mening met elkaar verschillen, is hoe om te gaan met de zgn. zwijgteksten. Zijn deze teksten het einde van alle tegenspraak of mag je ze ook in hun eigen context plaatsen? D.w.z. mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Dat laatste is wat Loonstra met zijn boekje beoogt: ‘Demonstreren dat de Schrift zelf leert dat in andere tijden de rol van de vrouw anders kan worden dan die welke Paulus in zijn eigen situatie verdedigt’ (12). Hij wil duidelijk maken dat trouw aan de Schrift niet bestaat in het naspreken van wat Paulus destijds heeft gezegd, maar in een nieuwe toepassing van diens eigen uitgangspunten en manier van denken.

Daarom probeert Loonstra de structuur van Paulus’ denken en redeneren op het spoor te komen. Hij laat zien dat Paulus aan de ene kant een continuïteit tussen het christelijk geloof en het Oude Testament tekent. Centraal staat God, de Schepper van de hemel en aarde, de God van Israel, de God van de Thora, de God van liefde, recht en trouw. Maar God is ook de Vader van onze Heer Jezus Christus, die bevrijdend verschenen is voor alle mensen. Op dit punt komt Paulus’ denken op gespannen voet te staan met het joodse denken. Paulus relativeert de betekenis van de wet en de besnijdenis, omdat God buiten de wet om gerechtigheid brengt (Romeinen 3). De ‘letter’ van de wet brengt een vloek, waar Christus ons van bevrijdt (Galaten 3). Zo heeft de geschreven wet als gevestigde autoriteit zijn macht verloren en kan Paulus de ‘letter’ tegenover de Geest stellen. De ‘letter’ d.w.z. de uitwendige wet doodt, maar de Geest maakt levend, doordat hij de wet in ons hart schrijft (2 Korintiërs 3) en in ons de liefde als vervulling van de wet uitstort (Romeinen 5).

In Galaten 5 benadrukt Paulus dat de gelovigen zich niet opnieuw een slavenjuk moeten laten opleggen: ze zijn bevrijd van de wet. Tegelijk schrijft hij dat die vrijheid niet misbruikt mag worden om de hartstochten te bevredigen. Het is een vrijheid tot dienstbaarheid in liefde. In dat kader formuleert Paulus concrete gedragsaanwijzingen voor de gelovigen, waarbij hij in sommige gevallen ook expliciet naar de geschreven wet verwijst, b.v. als het gaat over de positie van de vrouw in de gemeente.

De vraag is nu hoe de vrijheid van de Geest en het concrete gebod zich tot elkaar verhouden. Volgens Loonstra doet Paulus een beroep op bepalingen in de wet, wanneer en zolang ze een invulling geven aan de kernwaarden van het evangelie en uitdrukking geven aan het leven met Christus door de Geest. Andere tijden kunnen daarom een andere toepassing vragen om de betekenis van het evangelie te concretiseren. Een voorbeeld daarvan is de slavernij. Paulus roept slaven op om zich te onderschikken aan hun meesters, terwijl wij met een beroep op het evangelie slavernij als een mensonterende praktijk veroordelen. Waar in de tijd van Paulus een oproep tot verzet tegen de slavernij het evangelie in diskrediet zou brengen, heeft in onze tijd een pleidooi voor slavernij juist dat negatieve effect.

Dit principe past Loonstra toe op de positie van de vrouw in de gemeente. Gegeven de patriarchale samenleving waarin Paulus leefde, was zijn gebod aan vrouwen om zich in de gemeente aan de man te onderwerpen een middel om bij te dragen aan de verbreiding van het evangelie. In onze westerse samenleving is dit gebod tot onderwerping van de vrouw aan de man het tegendeel van een bevrijdende boodschap. Daarmee lijkt het op de ‘letter’ van de wet die niet heilzaam is. Het is namelijk goed te verdedigen dat de emancipatie van de vrouw in de gemeente en het toelaten van de vrouw in het ambt aansluit bij de kern van het evangelie, waarin Gods bevrijdende liefde centraal staat.

Volgens Loonstra is het onvermijdelijk en gerechtvaardigd, dat onze westerse cultuur zo een stempel zet op de manier waarop wij het evangelie in onze tijd vorm geven. Mits die toepassing geënt is en blijft op de basisnoties van het evangelie: toewijding aan Christus, gerichtheid op de ander in liefde, verantwoordelijkheid, gemeenschapszin, oprechtheid en trouw. Alles is geoorloofd, maatgevend is of het nuttig en opbouwend is.

Loonstra geeft terecht aan, dat er moed voor nodig is om zo met de bijbel om te gaan. Zijns inziens komt deze omgang met de wet en met de Schrift uit de bijbel zelf op en doet deze beter recht aan de integrale boodschap van Paulus dan het vasthouden aan zijn afzonderlijke aanwijzingen, omdat immers ook recht moet worden gedaan aan de context van Paulus’ Schriftgebruik.

N.a.v. dr. Bert Loonstra, Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018, prijs: € 12,95

 

[i] Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 11 d.d. 25 mei 2018