Zwijgteksten en scheppingsorde

‘Over man, vrouw en ambt’  –  Fokke Pathuis

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde. Onderstaande tekst is de inleiding zoals uitgesproken. Op mijn weblog staat ook een versie met verantwoording en een aantal excursen over thema’s, die tijdens de bespreking ter sprake kwamen.[i]

Ik mag vanavond een toelichting geven bij het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor vrouwen open te stellen. Een verandering van visie op het thema ‘vrouw en ambt’, waar niet iedereen in onze kerken hetzelfde over denkt.

Daarbij wil ik eerst (1) het punt duidelijk maken wat er veranderd is in de visie op ‘vrouw en ambt’, vervolgens (2) sta ik stil bij hoe het kan dat de bijbel anders gelezen wordt, ten slotte (3) wil ik enkele afrondende opmerkingen maken of dat ook zo mag.


  1. Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

In mijn preek van afgelopen november 2018 heb ik vooral een historisch overzicht gegeven van hoe in de 20e eeuw in de vrijgemaakte kerken de ontwikkeling is geweest naar het openstellen van het ambt voor de vrouw. Die ontwikkeling kun je kort samenvatten in de volgende 2 dia’s, waarbij voor de traditionele visie als referentiekader gekozen is het besluit van de GKv Synode Arnhem 1930 om de vrouw geen kiesrecht toe te kennen en voor de huidige visie het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen:

  Traditionele visie  
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) De vrouw is ondergeschikt aan de man / mag geen gezag over de man voeren

► 1930: de vrouw mag niet stemmen + niet in het ambt dienen  
  Huidige visie
(1) Het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven
(2) Man en vrouw zijn gelijkwaardig  

► 1993: de vrouw mag wel stemmen
► 2017: de vrouw mag ook in het ambt dienen  

Het grote verschil in deze twee visies is, dat wij anders zijn gaan denken over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Wij gaan nu uit van de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

In de reacties op het synodebesluit zie je dat naar dit verschil alle aandacht uitgaat. Wat betekent het dat man en vrouw gelijkwaardig zijn? Mag de vrouw wel dezelfde rollen en posities vervullen als de man? Samengevat in twee dia’s zijn dit de argumenten die voor- en tegenstanders uitwisselen:

  Tegenstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – de vrouw heeft een ondergeschikte positie t.o.v. de man
(2) Alleen mannen zijn in de bijbel priester, leerling, apostel en oudste
(3) De NT-ische zwijgteksten verbieden het
(4) Eeuwenlang heeft men in de bijbel gelezen dat de vrouw geen ambt mag dragen
Voorstanders van het besluit
(1) Scheppingsorde – man en vrouw zijn gelijkwaardig
(2) a.  In het OT roept God soms ook vrouwen
(2) b.  In het NT hebben vrouwen belangrijke posities in de gemeente
(3) De NT-ische zwijgteksten moeten niet absoluut opgevat worden
(4) De traditie is niet normatief  

Zoals duidelijk mag zijn, spitst het verschil zich met name toe op een andere interpretatie van de scheppingsorde resp. de zwijgteksten. En dan wordt het spannend: één bijbel en een verschillende uitleg van die bijbel, en daardoor een ander uitkomst op het vraagstuk van ‘Man, vrouw en ambt’. Hoe kan dat?  En: mag dat?


  2. Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Er staan dus twee leeswijzen van de bijbel tegenover elkaar, de traditionele en de huidige. In dit deel van mijn inleiding noem ik vier aspecten, die bij de verandering in visie een rol hebben gespeeld.

a. De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd

We leefden eeuwenlang in een samenleving, waarin de vrouw in het publieke leven geen rol speelde en in het dagelijkse leven op de tweede plaats stond. Denk bijvoorbeeld maar aan de standenmaatschappij in een middeleeuwse samenleving. Daar had iedereen in de maatschappij een positie, waar eigenlijk niet aan getornd mocht worden. Alleen in een vrouwenklooster had de vrouw een eigen zelfstandigheid.   Men beschouwde de standenmaatschappij als de orde die door God gegeven was. Met deze orde verbond men als het over de vrouw ging moeiteloos de algemene idee, – ontleend aan de klassieke filosofen – , dat de vrouw een minderwaardige natuur heeft of dat ze eigenlijk een soort mislukte man is.

Maar dan komt vanaf de 20e eeuw de persoonlijke ontwikkeling van de vrouw goed op gang. Ze volgt onderwijs. Ook komt ze in andere sectoren te werken als alleen de verzorgende beroepen of de productie. Ze krijgt leidinggevende posities op het terrein van de politiek, het bestuur, de samenleving en de wetenschap. Dan komt de vraag op: is de ondergeschikte positie van de vrouw aan de man nog wel (bijbels) te verantwoorden?

In de jaren ’90 komt er in de GKv een nieuw huwelijksformulier, waarin vooral de nadruk ligt op de gelijkwaardigheid van man en vrouw en op hun eenheid in het huwelijk. Ook wordt erkend dat de vrouw in de samenleving een rol kan vervullen door zich op de arbeidsmarkt te begeven en dat ze zo samen met de man voor het gezinsinkomen mag zorgen.

Daarnaast gaat de vrouw eind 20e eeuw ook taken in de kerk vervullen, die lang alleen door de man vervuld zijn. In het diaconaat was ze al actief als vrijwilliger, maar nu wordt ze ook actief op het gebied van pastoraat, onderwijs, leiding geven en bestuur. Kan dat wel, als de vrouw in de kerk moet zwijgen?

De synode van 2005 stelt voor het beantwoorden van die vraag een deputaatschap in, wat er toe leidt dat de synode in 2017 de uitspraak doet, dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent dat ook de vrouw op al die terreinen een taak of ambt mag bekleden.

b. Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst

Maar het staat toch duidelijk in 1 Tim 2:11-12, dat de vrouw moet zwijgen in de kerk? Dat klopt. Het staat er als je puur naar de betekenis op zinsniveau kijkt.

Maar de betekenis van een tekst wordt niet alleen bepaald door een taalkundige analyse van de zinnen zelf. De context bepaalt mede hoe de tekst opgevat moet worden.

Een klein voorbeeld. Wanneer ik tegen iemand zeg ‘Ik heb het koud’, dan kan ik afhankelijk van de context waarin ik deze zin uitspreek bedoelen: dat ik koorts heb, of dat ik vind dat de verwarming hoger moet, of dat ik aan die ander duidelijk maak of zelfs de opdracht geef, dat hij de deur die daar open staat, dicht moet doen.

Zo is het ook bij de 1e brief van Paulus aan Timoteüs. We weten nu meer over de maatschappelijke context, waarin Paulus deze brief schrijft. Daarnaast brengen wij sterker in rekening, dat de Paulus de brief schrijft om Timoteüs aan te sporen de dwaalleraars te bestrijden. Als je deze gegevens bij je exegese betrekt, kun je tot een andere conclusie komen over wat de bedoeling en strekking van deze zwijgtekst is. Binnen die context zegt Paulus dat vrouwen moeten zwijgen en zich rustig moeten laten onderwijzen, omdat ze zich hebben laten inpalmen door dwaalleer. Het is geen absoluut gebod, want zijn instructie is nauw verbonden met de context van dwaalleer in de gemeente te Efeze.

Hetzelfde geldt voor de exegese van Gen. 2 en 3. Traditioneel is met een beroep op de uitspraken van Paulus in 1 Kor. 11 en 14, 1 Tim. 2 en Ef. 5 betoogd dat we in Gen. 2 en 3 een scheppingsorde kunnen ontdekken. Volgens die orde zou de vrouw ondergeschikt zijn aan de man en heeft de man als hoofd gezag over de vrouw.

Allereerst hebben we leren zien dat men in de traditionele visie, die ook terug te vinden is in het oude huwelijksformulier, onjuiste conclusies aan elementen uit het scheppings- en zondeval-verhaal verbond. Zo kun je het ‘hulp’-zijn van de vrouw niet interpreteren als ondergeschiktheid en is de straf voor de vrouw geen gebod voor de man is om over haar te heersen.

Daarnaast is het de vraag, op welke wijze je aan verhalende teksten normatieve uitspraken over de inrichting van de maatschappij kunt verbinden. Uit de historische gegevens dat Abraham, Jakob, David en Salomo veel meer vrouwen hebben, ontlenen wij ook niet dat polygamie de norm is. Je kunt dus niet zo maar, als dat er niet expliciet staat, aan de manier waarop het verhaal in Gen. 2 en 3 verteld wordt, normatieve conclusies verbinden over de onderlinge verhouding tussen man en vrouw.

c. Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen

Traditioneel werd de vraag of de vrouw in het ambt mag, beantwoord door een serie bijbelteksten te verzamelen en daar dan een lijn in aan te brengen, waarna een conclusie werd getrokken. De bijbel als een bron voor bewijsteksten.

Tegenwoordig is er meer aandacht voor, dat je je visie niet met een louter beroep op bijbelteksten kunt verantwoorden. Ook is er het besef dat je niet zomaar één op één allerlei normen die in de bijbel gelden, kunt overzetten naar vandaag. Dat doen we niet met het sabbatsgebod, met het verbod voor vrouwen om mannenkleren te dragen, met de sluier voor vrouwen uit 1 Kor. 11, met het opheffen van de handen of het elkaar groeten met de heilige kus. Dit geldt ook voor het vraagstuk van de vrouw en het ambt. De vraag is: op welke wijze trek je verantwoord de lijnen van de schepping via het Nieuwe Testament naar vandaag?

Een beroep op de zwijgteksten is dan niet alles beslissend. Al was het alleen maar om het feit, dat het in de zwijgteksten niet over het ambt gaat, maar dat die vooral betrekking hebben op situaties zoals die toen gangbaar waren in de eredienst, de liturgie of het huwelijk. En wanneer je dan toch die specifieke situaties algemeen wil maken naar het ambt, dan moet je dat zorgvuldig beargumenteren.

Ook is een beroep op een zgn. scheppingsorde niet overtuigend. Allereerst omdat in Gen. 2 en 3 de ondergeschiktheid van de vrouw niet als norm wordt gegeven. Verder niet, omdat men in dit beroep op de scheppingsorde niet consistent is. Men pleit voor verschillende rollen en verantwoordelijkheden voor man en vrouw, maar de reikwijdte daarvan beperkt men vandaag tot de kerk en het huwelijk, want het geldt niet voor de samenleving. Als argument daarvoor voert men aan:

 ‘dat God ons voor de relaties in het huwelijk en in de kerk expliciet voorschriften heeft gegeven; voor de man-vrouwrelatie verder in de samenleving niet.

Dit lijkt me een vorm van onvervalst biblicisme. Mijns inziens is het oordeel van ds. Pieter Niemeijer over zo’n argumentatie terecht:

‘Wie uit 1 Timoteüs een scheppingsorde afleidt waarin een vrouw geen gezag mag uitoefenen over de man, zal duidelijk moeten maken waarom deze orde voor de schepping (!) dan niet zou gelden voor de hele schepping, en dus ook voor de samenleving! Waarom aanvaarden we het in het bedrijfsleven, de politiek en de rechterlijke macht wel dat vrouwen met gezaghebbende verhalen en uitspraken komen?

  d. Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

Maar Paulus bedoelt toch met zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 zijn uitspraak over het zwijgen van vrouwen in de kerk normatief te funderen vanuit de onderdanigheid van de vrouw aan de man?

Als Paulus over de functie van het Oude Testament en het beroep daarop schrijft, blijkt dat hij daar heel genuanceerd naar kijkt. In 2 Tim. 3:16 schrijft hij dat elke schrifttekst gebruikt kan worden ‘om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven’.

Voor hem geldt verder dat niet alles wat in het Oude Testament geschreven is, ook nog normatief is. Met een beroep op het evangelie kan hij in zijn brief aan de Galaten zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant schuiven als niet meer van betekenis. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van die wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, n.l. die van Christus en van de Geest.

Dat is ook de manier waarop wij de bijbel hebben te lezen. Niet alles heeft hetzelfde normatieve soortelijk gewicht. Er is een ontwikkeling in de heilsgeschiedenis, waardoor zaken die onder het oude verbond normatief waren onder het nieuwe verbond die normativiteit kwijt zijn geraakt en voor ons niet meer van toepassing zijn. Kort geformuleerd: ‘Het gezag van de hele Schrift geldt voor alle eeuwen, maar niet elke tekst is bedoeld voor elke situatie of tijd.’

Wanneer Paulus in 1 Tim. 2 naar Adam en Eva verwijst gebruikt hij deze geschiedenis als een voorbeeld en analogie voor wat zich in Efeze afspeelt. Zijn verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen.


3. Mag je de bijbel zo anders lezen?

Ik heb in het eerste deel van mijn inleiding het punt van verschil tussen de traditionele en de huidige visie op vrouw en ambt laten zien, namelijk de vraag wat de gelijkwaardigheid van man en vrouw betekent. Daarna heb ik in het tweede deel aan de hand van vier aspecten laten zien, hoe dat verschil onderbouwd is. Nu als derde punt de vraag: mag dat? Doe je dan nog wel recht aan het gezag van de bijbel? Daar wil ik een drietal dingen over zeggen.

  a. Gewoon gereformeerde hermeneutiek

Sommigen zeggen: ‘dat we de bijbel anders lezen komt omdat wij ons laten leiden door de tijdgeest.’ De synode heeft een nieuwe manier van het lezen van de Schrift omarmd en heeft zich uitgeleverd aan de overheersende gelijkheidscultuur van onze tijd, die bepalend is voor de uitkomst van de nieuwe visie op vrouw en ambt. Met als gevolg dat het gezag van de bijbel wordt ondermijnd en ontkend.

Inderdaad is het zo, dat wij juist vanuit onze huidige cultuur herkennen hoezeer de uitleg van de bijbel in de voorgaande eeuwen mede bepaald is geweest door de toen heersende cultuur.

Eeuwenlang is de slavernij verdedigd met de bijbel in de hand en nog niet zo lang geleden de apartheid in Zuid-Afrika. Ook in onze eigen recente kerkgeschiedenis zijn allerlei waarheden gesneuveld: over de ware kerk, over de zondagsbesteding, en nu dus ook over de vrouw in het ambt. Ik besef dat dat een ongemakkelijk gevoel geeft. Maar ook al lezen we de bijbel anders, de norm blijft nog steeds de bijbel en de overtuiging dat God ons via de bijbel aanspreekt. Een andere leeswijze betekent niet automatisch een andere hermeneutiek. Deze leeswijze kan gewoon met de regels van de gereformeerde hermeneutiek verantwoord worden. 

Natuurlijk is er het gevaar, dat je uit de bijbel haalt, wat je graag wilt. Maar waar wij als gereformeerde kerk op aan te spreken zijn, is dat de tekst van de bijbel in zijn geheel gezaghebbend is en blijft.

De vraag is niet of Paulus’ voorschriften voor ons normatief zijn: dat zijn ze. De vraag is op welke wijze zijn voorschriften, gegeven in een bepaalde cultuur en binnen een bepaalde context, normatief zijn voor onze cultuur en voor onze manier van kerk-zijn vandaag. Daarmee kom ik op mijn tweede opmerking.

  b. De patriarchale samenleving is niet normatief.

In de bijbel vinden wij de openbaring van God, zoals Hij zich in aansluiting bij een bepaalde cultuur en in een bepaalde tijd bekend heeft gemaakt. De vraag is, of God door zich aan te sluiten bij een bestaande cultuur ook die cultuur zelf normatief heeft verklaard.

Het verschil van mening tussen de voor- en tegenstanders van de vrouw in het ambt spitst zich toe op de vraag, of wij ons los mogen maken van de patriarchale cultuur die verondersteld is in allerlei gebruiken en geboden in de bijbel. In een patriarchale cultuur is de vrouw ondergeschikt aan de man en krijgen man en vrouw verschillende rollen en verantwoordelijkheden toebedeeld. Mag je daar aan tornen?

Ja, zegt de synode: de patriarchale verhoudingen zijn niet normatief, d.w.z. het biologische onderscheid tussen man en vrouw en de manier waarop daar in de bijbelse tijd een sociale en culturele betekenis werd toegekend, is niet bepalend voor de vraag of de vrouw in het ambt mag dienen. Nee, zeggen de tegenstanders met een beroep op de traditionele leeswijze, die juist gefundeerd is op de acceptatie van de patriarchale samenleving inclusief de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man.

In mijn preek in november 2018 ben ik daar uitgebreider op ingegaan. Mijns inziens staat Paulus in Gal. 3:28 niet toe, dat in de kerk Jood of heiden, heer of slaaf, man of vrouw, anders worden behandeld: in Christus is er geen onderscheid. Er zijn wel verschillen, maar die zijn bedoeld om elkaar op te bouwen en samen met de specifieke gaven die ieder heeft van betekenis voor elkaar te zijn en elkaar te dienen.

  c. Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

Tenslotte: vrouwen kunnen gezag hebben, – ook over mannen – , omdat het gezag niet in hun persoon-zijn ligt, maar in de boodschap die zij brengen en in God die hen zendt.

Wanneer zij gaven van God ontvangen hebben om leiding te geven, om voor te gaan of om in het ambt te dienen, dan mogen zij die inzetten. Dat is de visie van de synode om ook vrouwen tot het ambt in de gemeente toe te laten.

Binnen de patriarchale samenleving, zoals die in de bijbelse tijd functioneerde, heeft Paulus specifieke opdrachten voor de organisatie van het gemeenteleven gegeven. Wij mogen in onze situatie en binnen onze samenleving die opdrachten handen en voeten geven, niet door ze letterlijk toe te passen, maar door de strekking en de bedoeling daarvan tot uitdrukking te brengen.


[i] Zie: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

Man, vrouw en ambt

Op maandag 28 januari 2019 mocht ik op een dialoogavond van onze gemeente de Fontein (de GKv Zwolle-West) rond het onderwerp ‘Man, vrouw en ambt’ een inleiding verzorgen over de uitleg van de zwijgteksten en de scheppingsorde.

De avond stond in het kader van een bespreking van het besluit van de GKv Synode Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen.  

De inleiding bestaat uit de volgende drie onderdelen:

1e.  Wat is er veranderd in de visie op ‘vrouw en ambt’?

Hierin ga ik in op het verschil tussen de traditionele visie en de visie van de synode, dat ligt in het gegeven dat we nu uitgaan van de gelijkwaardigheid van man en vrouw in tegenstelling tot de vroegere ondergeschikt van de vrouw aan de man.

2e.  Hoe kan het dat de bijbel nu anders gelezen wordt?

Hierin besteed ik aandacht aan vier elementen, op grond waarvan wij de m/v-teksten vandaag anders lezen dan vroeger, te weten:

  •  De samenleving waarin wij de bijbel lezen is veranderd
  •  Er is meer aandacht voor de context van de bijbeltekst
  •  Verantwoord bijbelgebruik is meer dan bewijsteksten verzamelen
  •  Niet alles wat in de bijbel staat heeft hetzelfde soortelijk gewicht

3e.  Mag je de bijbel zo anders lezen?

Om deze vraag te beantwoorden benoem ik drie zaken, op grond waarvan dat geoorloofd is:

  • Gewoon gereformeerde hermeneutiek
  • De patriarchale samenleving is niet normatief.
  • Het gezag van het ambt ligt niet in de persoon (m/v), maar in de Zender

In vier excursen bespreek ik thema’s die in de bespreking van de inleiding naar voren kwamen:

  Excurs 1 – ‘Man en vrouw zijn gelijkwaardig, maar niet gelijk’

  Excurs 2 – Gen. 2 en 3 en de zgn. scheppingsorde

  Excurs 3 – De zgn. ‘nieuwe hermeneutiek’  

  Excurs 4 – Patriarchale samenleving en cultuur 

De uitwerking van de lezing is hier te vinden: https://fpathuis.files.wordpress.com/2019/01/inleidinggemeenteavondgkvzwolle-westd.d.28-01-2019.pdf

Fragment van een preek over Galaten 3:28

Kort geleden mocht ik in mijn gemeente een themadienst houden over het bijbelgebruik in het gesprek over ‘man/vrouw en ambt’. De invalshoek die ik nam, was die vanuit Galaten 3 en 4 in combinatie met Gen. 1:27-28. Als thema koos ik: ‘Mannen en vrouwen – in Christus erfgenamen van God’. [i]

Als introductie op de preek gaf ik eerst een overzicht van de manieren waarop in de GKV in de 20e eeuw een verschuiving te zien is in de visie op de verhouding van man en vrouw. Vervolgens liet ik zien hoe deze veranderde visie van ‘ondergeschiktheid’ naar ‘gelijkwaardigheid’ in 2017 heeft geleid tot de openstelling van het ambt voor de vrouw.[ii]  Ik eindigde met de manier waarop Paulus met de Schrift omgaat en welke implicaties dat heeft voor de positie van de vrouw in de kerk.

 

  •  Paulus’ Schriftberoep in 1 Tim. 2 : 11-15

Wie Paulus zijn beroep op de Schriften wil begrijpen, moet weten dat Paulus de geschriften van Israël leest door de lens van (het geloof in) Jezus Christus.[iii] Het Oude Testament getuigt van Christus. Een van de belangrijke leeswijzen van Paulus is die van de typologie. Zoals b.v. in Galaten 3:16, waar hij zegt: ‘het zaad van Abraham dat gaat over Christus‘. Op dezelfde manier kan hij ook zeggen in 3:29, dat wij die in Christus geloven, ook zaad van Abraham zijn: erfgenamen volgens de belofte.

Zo kan Paulus ook een beroep op het Oude Testament doen om iets te illustreren of als waarschuwend voorbeeld te stellen. Bekend is 1 Kor. 10, waar Paulus de rots in de woestijn, waar het volk Israël uit dronk, identificeert met Christus. Op dezelfde wijze verwijst Paulus’ in 1 Tim. 2 naar Eva en Adam.

Het punt dat Paulus in 1 Tim. 2 duidelijk wil maken is, dat net zoals Eva bedrogen is door de slang, de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen zijn door dwaalleraren – die zelf weer door Satan geïnspireerd zijn. Hij wil niet dat die vrouwen nu dat model van Eva volgen, die nadat zij zelf bedrogen was, Adam op een dwaalspoor bracht. Ze mogen de mannen in de gemeente van Efeze niet op een dwaalspoor brengen. Paulus’ verwijzing naar Gen. 2 en 3 is niet bedoeld om normatief een zgn. scheppingsorde te funderen. Wat Paulus hier doet is op typologische wijze, bij wijze van voorbeeld, te illustreren en te onderstrepen wat er in de gemeente van Efeze gebeurt en wat er op het spel staat. Daarom moeten die vrouwen een toontje lager zingen en legt Paulus ze in deze concrete situatie het zwijgen op en instrueert hij ze dat ze zich eerst op de juiste wijze moeten laten onderwijzen.[iv]

 

  • Paulus’ visie op de gemeente als ‘een nieuwe schepping’

Wanneer Paulus de Schriften van Israël leest, dan doet hij ook dat vanuit zijn overtuiging dat in Christus er ‘een nieuwe schepping’ gekomen is (2 Kor. 5:17): ‘Iemand die één met Christus is, [is] een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’. Door het kruis heeft God een einde gemaakt aan de macht van zonde en dood en heeft hij een nieuwe werkelijkheid tot stand gebracht. In de Geest mogen de gelovige en de gemeente een eschatologisch voorschot ervaren van de beloofde verlossing.[v]

Vanuit deze overtuiging schuift Paulus soms ook zo maar gedeelten van het Oude Testament aan de kant als niet meer van betekenis. Zoals hij dat in Galaten 3 doet met de wet. De gelovigen hebben in Christus een andere verhouding tot de wet van Mozes gekregen. Zij zijn vrij van de wet. Nu geldt voor hen een nieuwe wet, die van Christus en van de Geest. O.a. betekent dit dat het onderscheid tussen Jood en heiden weggevallen is en dat er nieuwe gedragsregels in de gemeente gelden die haar oorsprong hebben in het hemelse Jeruzalem, (Gal. 4:26). De voornaamste gedragsregel die Paulus de gemeente in Galaten voorhoudt, is om elkaar te dienen in liefde: dat is de wijze waarop Jezus de wet van Mozes heeft vervuld en tot bestemming heeft gebracht. Paulus schuift het houden van de wet van Mozes aan de kant.

Op dezelfde manier als Paulus de omgangsregels in de relatie tussen Joden en heidenen heeft gerelativeerd, relativeert hij ook de regels voor de omgang tussen slaven en vrijen en die tussen mannen of vrouwen. ‘Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus’, (Gal. 3:28).  Vaak wordt de betekenis van deze tekst uitgelegd, alsof Paulus hier alleen maar de wijze waarop Joden en heidenen toegang krijgen tot het heil op het oog heeft. Je wordt kind van God door het geloof en niet door het houden van de wet. Dat is ook zo!

Toch heeft het heil dat de gelovige ontvangt wel een concrete inhoud. De vloek en de gevolgen van de zonde, niet alleen in de relatie met God, maar ook in de relaties tussen mensen zijn in Christus doorbroken. Zo laat Paulus in Gal. 2 zien, dat dat laatste betekent dat Joden en heidenen samen aan één tafel behoren te eten. Op dezelfde wijze betekent dit inzicht voor de verhouding tussen mannen en vrouwen, dat aan de overheersing van de man over de vrouw als gevolg van de zondeval (Gen. 3:16) in Christus een einde gekomen is. Daarom mag je de structuren van een patriarchale cultuur en samenleving  tegen het licht houden. Zoals Paulus bijvoorbeeld ook doet in Efeziërs 5, waar hij regels geeft voor de omgang van mannen en vrouwen, slaven en vrijen, kinderen en ouders. Daarin is een kritisch tegengeluid tegen het patriarchale denken op te merken.

Paulus geeft zijn aanwijzingen voor de verhouding van man en vrouw in de gemeente en in de samenleving binnen een patriarchale cultuur. Deze richtlijnen zijn niet bedoeld om het patriarchale systeem te legitimeren, maar juist om binnen een patriarchale samenleving je weg te vinden als christen en zo in je gedrag het evangelie te belichamen – ‘bekleed je met Christus’ – en de voortgang van het evangelie te bevorderen. [vi]

In Galaten 3 en 4 betoogt Paulus, dat de gelovigen zonen en dochters van God zijn geworden en als Zijn erfgenamen mogen leven. Zij hebben weer de positie gekregen, zoals God die met de schepping voor ogen had: in gezamenlijkheid beeld van God zijn, (Gen. 1:27-28). In gelijkwaardigheid mogen zij als mannen en vrouwen deze wereld beheren. Ieder doet dat op zijn en haar eigen wijze, mannelijk en vrouwelijk. Zij zijn inderdaad niet gelijk (Gen. 1 en 2), maar ze vullen elkaar aan en hebben elkaar nodig. Zo heeft God dat bedoeld. In de gemeente ontvangt ieder gaven, waarmee hij/zij geroepen wordt om die in te zetten binnen Gods koninkrijk, zowel in de kerk als in de samenleving, geleid door de Geest. Zo zullen man en vrouw samen Gods beeld weerspiegelen.

Dat betekent dat als vrouwen de gave hebben gekregen om leiding te geven, dat je hen ook moet gunnen om die in te zetten in de gemeente. Ook zij zijn gezalfd tot priester, profeet en koning. Daarom mogen zij ook functioneren als diakones, ouderlinge of predikante. Omdat God in Christus een nieuwe situatie heeft gecreëerd. Een situatie waarin regels en structuren van scheiding, van uitsluiting en van overheersing op grond van etniciteit, of economische status of biologisch geslacht doorbroken zijn.

Paulus betoogt, dat in Christus mannen en vrouwen erfgenamen van God zijn geworden, zonder onderscheid, en met alle privileges die daarbij horen voor hen beiden. Dat is het evangelie dat Paulus verkondigt. Dat is de manier waarop Paulus vanuit de lens van Jezus Christus het Oude Testament leest. Daarin mogen wij hem navolgen. [vii]



[i] De gekozen liturgie: GK (2017) Psalm 111: 1, 4, 5 en 6 / NBV Genesis 1:26-31 / GK (2017) Gezang 257: 1, 2 en 3 /  NBV Galaten 3:1-5 en 3:15-4:7 / GK (2017) Gezang 257: 4(a), 5(m), 6(v) en7(a) / LvK (1973) Gezang 106: 1, 2, 3 en 4 / GKB (2006) Gezang 161: 1 en 4

[ii] Dat deel van de preek heb ik verwerkt in een blog onder de titel ‘De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur’, zie deze weblog op 23 november 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/23/de-vrijgemaakte-worsteling-met-de-patriarchale-cultuur/.

[iii] De metafoor van de ‘lens’ is ontleend aan het werk van de NT-icus Richard B. Hays. Hij geeft een beschrijving van de verschillende manieren waarop Paulus in zijn brieven zich op de wet van Mozes en het Oude Testament beroept. Ook geeft hij aandacht aan de rol aan de wijze waarop de ethiek van het OT in de ethiek van het NT verwerkt kan worden, zie: Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament. A Contemporary  Introduction to New Testament Ethics, HarperCollins, New Yorck, 1996, p. 16-46 en 306-10. Een kort overzicht van zijn hand is: ‘The Role of Scripture in Paul’s Ethics’, in Theology and Ethics in Paul and His Interpreters: essays in honour of Victor Paul Furnish, edited by E. Lovering and J. Sumney. Nashville, Tennessee: Abingdon, 1996, p. 30-47. Zie ook het hoofdstuk van Brian Rosner ‘Paul’s ethics’ in: The Cambridge Companion to St. Paul, ed. James D. G.Dunn, 2003, p. 212-223, i.h.b. 214-216.

[iv] Zie: B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193. Een vertaling van deze passage is te vinden op deze weblog op 19 september 2018:  https://fpathuis.wordpress.com/2018/09/19/zwijgteksten-vandaag/.

[v] Zie Richard B. Hays, The Moral Vision of the New Testament, New Yorck, 1996, p. 19-21.

[vi] Pieter Niemeijer is te stellig, wanneer hij schrijft: ‘De wijze waarop in de brieven van het Nieuwe Testament mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeente is duidelijk het patriarchaat voorbij!”, in: Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk. Bijdrage aan het denken over vrouw en ambt, Uitgeverij Woord en Wereld 2018, p. 55. Paulus strijdt niet voor de afschaffing van het patriarchaat net zomin als hij strijdt voor afschaffing van de slavernij. Zijn aanwijzingen zijn middelen om in een patriarchale samenleving het evangelie van de gelijkwaardigheid zo veel als mogelijk is vorm te geven. John G. Stackhouse schetst op verhelderende wijze het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ in de gelijkwaardige verhouding tussen man en vrouw in het NT: Finally Feminist. A Pragmatic Christian Understandingof Gender, Baker Academic, Grand Rapids, 2005, p. 51-63.Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema ook in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Een korte introductie voor het denken over man en vrouw in de kerk is: Women and Men in Scripture and the Church. A Guide to the Key Issues, ed. Steven Croft and Paula Gooder, Canterbury Press, Norwich, 2013.

De vrijgemaakte worsteling met de patriarchale cultuur

Groot-Brittannië is al ruim twee jaar met de EU in onderhandelingen hoe het uittreden uit de EU geregeld moet worden. De vraag is of het een ‘harde’ of een ‘zachte’ Brexit zal worden. Zoals het er nu uitziet wordt het een compromis tussen ‘hard’ en ‘zacht’, ergens halverwege dus.

Hier moest ik aan denken toen ik ruim een jaar na het besluit van de GS Meppel 2017 om het ambt voor de vrouw open te stellen, de stand van zaken probeerde op te maken. Want de GKV probeert al enkele decennia te dealen met de bijbelse geboden, waarin duidelijk de patriarchale cultuur doorklinkt waarin ze gegeven zijn. Daarbij spitst de discussie zich toe op de vraag, hoe God de verhouding tussen mannen en vrouwen bedoeld heeft.

 

  • Verandering in visie op m/v in de 20e eeuw

Cultureel en sociologisch gezien ligt aan de zaak van ‘m/v en ambt’ de vraag ten grondslag hoe je als christen omgaat met de modernisering van de samenleving. Daarom werd de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk pas in de 20e eeuw relevant. Vrouwen gingen voor vervolgonderwijs, ook naar de universiteit. Ze werden arts of jurist en werden sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 ook politiek actief. Zo kwamen ze op verantwoordelijke en leidinggevende posities terecht. Op dat moment ging het wringen met de geldende visie, dat de vrouw aan de man ondergeschikt moet zijn.

De eerste testcase voor de gereformeerden was de vraag of de vrouw ook in de kerk zou mogen stemmen. Zo werd in 1930 de traditionele visie op de verhouding tussen man en vrouw kerkelijk vastgelegd. De GS Arnhem 1930 besloot, dat vrouwen niet aan de verkiezing mochten deelnemen, omdat ze daarmee invloed zouden krijgen op het leiding geven aan de gemeente door de kerkenraad.

Je kunt deze visie op de positie van de vrouw in de kerk in twee stellingen met conclusie samenvatten: 

          (1)    het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)    de vrouw is onderworpen aan de man resp. ze mag geen gezag over                              de man voeren                                                                                                               ► de vrouw mag niet stemmen en/of in het ambt dienen

Op grond van het scheppings- en zondevalverhaal in Genesis en van de zgn. zwijgteksten in 1 Kor. 14 en 1 Tim. 2 en onder verwijzing naar Ef. 5, waar Paulus de man het hoofd van de vrouw noemt, concludeerde men in 1930 tot een scheppingsorde, waarin de vrouw ondergeschikt is aan de man. Teksten in het Oude en Nieuwe Testament, waarin vrouwen wel met gezag optreden en verantwoordelijke taken vervulden, werden als niet relevant terzijde geschoven en dus niet in de vorming van de visie op de verhouding van man en vrouw meegenomen. Ze werden ‘het zwijgen opgelegd’.[i]

In de jaren ’90 bogen verschillende GKV synoden zich opnieuw over de positie van de vrouw in kerk en samenleving. Na het opnieuw bestuderen van de bijbelteksten werd een nieuwe visie op de verhouding van man en vrouw geformuleerd. Op grond daarvan werd in 1993 bijna unaniem aan vrouwen het stemrecht toegekend. Wel spreekt men nog uitdrukkelijk uit, dat de argumentatie voor het geven van het stemrecht aan vrouwen niet betekent dat vrouwen in het ambt mogen dienen.

In lijn met deze nieuwe exegese van de m/v-teksten wordt in 1996 en 1999 in aangepaste huwelijksformulieren de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk opnieuw omschreven.  

Gemeenteleden kregen door het leven in een moderne samenleving steeds meer moeite met de manier, waarop in het oude huwelijksformulier de ondergeschiktheid van de vrouw beschreven en beargumenteerd werd. Ook kon men zich niet vinden in de formulering van de rol- en taakverdeling van man en vrouw in het huwelijk, omdat de praktijk anders was als de man voor het inkomen moet zorgen en de vrouw het huishouden en het gezin als haar domein heeft.[ii]

In het nieuwe huwelijksformulier is de formulering geschrapt dat de vrouw ondergeschikt is aan de man en dat de man gezag over zijn vrouw heeft. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardig en ze zijn samen beeld van God. Van hieruit wordt gesproken over de onderscheiden positie en verantwoordelijkheid, waarbij de man als de eerstverantwoordelijke wordt getypeerd.

 

  • Het ‘m/v en ambt’-besluit in 2017

In 2008 kwam opnieuw de vraag naar de positie van de vrouw in de kerk op. Taken die traditioneel aan het ambt gekoppeld zijn, worden ook vaak door vrouwen verricht. Nieuwe bezinning leidde er toe dat de synode van Meppel in 2017 besloot het ambt voor de vrouw open te stellen. In plaats van de ´zachte´ Brexit van de ´90-er jaren koos men nu voor een ´harde´ Brexit om van de negatieve effecten van de patriarchale cultuur los te komen.

Logisch gezien heeft de uitspraak van de synode in 2017 alles te maken met het opnieuw doordenken van de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de verhouding van man en vrouw in de jaren ´90. De uitgangspunten voor die visie waren toen:

     (a)   Het is niet bijbels om uit te gaan van een scheppingsorde, waarin de vrouw                    aan de man ‘ondergeschikt’ is.

     (b)   Een specifieke taak- en rolverdeling van man en vrouw in gezin en                                  maatschappij is niet te geven, omdat de bijbel daar geen normatieve uitspraken              over doet.

     (c)   De zgn. zwijgteksten zijn geen absolute zwijggeboden, maar moeten beperkt                 worden uitgelegd in het licht van de situatie in de gemeente van Korinthe en                   Efeze.

Uitgaande van deze inzichten bleek de grond onder de traditionele redenering om de vrouw in het ambt af te wijzen weggevallen. De tweede premisse in de redenering – de vrouw is onderworpen aan de man – was namelijk niet meer van toepassing. En zo werd de traditionele conclusie dat de vrouw niet in het ambt mag dienen twijfelachtig:

      (1)   het ambt wordt gekenmerkt door gezaghebbend leidinggeven                                  (2)   man en vrouw zijn gelijkwaardig                                                                                      ►  de vrouw mag wel / niet in het ambt dienen?

De synode concludeerde dat het ambt ook open staat voor de vrouw.

In reactie op dit synodebesluit in 2017 zijn er sommigen die zich hard maken om een vrijgemaakte ‘Brexit’ uit de patriarchale cultuur alsnog te voorkomen.[iii] 

Op verschillende manieren beargumenteert men, dat die tweede premisse dat man en vrouw gelijkwaardig zijn, toch niet geldig is of in ieder geval aangepast dient te worden. Ze lezen de m/v-teksten weer volgens de uitgangspunten van de traditionele wijze van 1930. Daarmee komen ze terug op de uitgangspunten van de vernieuwde visie op de man-vrouwverhouding, zoals die in de jaren ’90 door diverse GKV-synoden geijkt is:

    (a-1)   Het besluit is in strijd is met de scheppingsorde want de man heeft wel                            degelijk gezag over de vrouw (Gen. 3:16), in ieder geval: als man en vrouw al                gelijkwaardig zijn, zijn ze volgens (Gen 1 en 2) niet gelijk, omdat er een                          verschil in gegeven verantwoordelijkheid is;

    (b-1)  God heeft toch man en vrouw specifieke taken en verantwoordelijkheden                        gegeven: alleen mannen worden als priesters, leerlingen,apostelen en                            oudsten aangesteld;

    (c-1)    De zgn. zwijgteksten gelden in de kerk absoluut: vrouwen mogen niet                              gezaghebbend spreken in de kerk.

Daarbij confronteren zij zich niet expliciet met de besluiten en argumentatie op grond waarvan de GKV in de jaren ’90 op exegetische en hermeneutische gronden afstand heeft genomen van de visie uit 1930.

Zij die instemmen met het synodebesluit van 2017 onderbouwen het besluit verder vanuit de huidige benadering op de m/v-teksten:[iv]

    (a-2)   Als je al wilt spreken van een scheppingsorde, dan is de betekenis van Gen. 1                en 2 dat man en vrouw ‘gelijkwaardig’-zijn en samen beeld van God vormen;

    (b-2)   Ze doordenken de traditionele ambtsopvatting en vragen oog voor de                              betekenis van de gaven in de gemeente, die zonder onderscheid zowel                          aan vrouwen als mannen worden toegedeeld;

    (c-2)   Ze laten zien dat de zwijgteksten inderdaad bepaald zijn door de context en                    de situatie waar de gemeenten van Efeze en Korinthe zich in bevonden.

 

  • Voorlopige tussenstand

Op basis van een analyse van deze argumentatiestrategieën zijn de volgende conclusies te trekken.

Allereerst dat het grote discussiepunt in het gesprek over het ‘m/v- en ambt’-besluit gaat over de vraag, hoe je Paulus’ Schriftberoep interpreteert. Uitgangspunten (a) en (c) in het nadenken over ‘vrouw en ambt’ hangen nauw met elkaar samen, maar funderend is uitgangspunt (c). Wanneer de zgn. zwijgteksten niet absoluut uitgelegd (moeten/kunnen) worden, is er geen grond voor uitgangspunt (a-1), dat er een scheppingsorde van ondergeschiktheid van de vrouw aan de man is. Met een beroep op alleen Gen. 1-3 is uitgangspunt (a-1) niet te verantwoorden. Daarmee krijgt de exegese van 1 Tim. 2 een cruciale rol. 

Ten tweede dat het opvallend is, dat de ambtsvisie nauwelijks gethematiseerd wordt. Op welke wijze is ambtelijk handelen een vorm van gezaghebbend leidinggeven? Hangt het gezag af van de persoon die het ambt draagt? Waarin ligt het gezag van de ambtsdrager? In zijn persoon of in de machtiging of in het woord dat hij spreekt? Aan welke kwalificaties moet een ambtsdrager voldoen om gezagvol te kunnen handelen? Waarom zouden sekse en gender daarin een onderscheidend criterium moeten zijn? Wat is de relatie tussen het bijzondere ambt en het zgn. algemene ambt van gelovigen? Waarom kan een vrouw wel gezagvol handelen in haar ambt van profeet, priester en koning, maar niet in het bijzondere ambt van predikant, ouderling of diaken?

Ten derde dat het uiterst merkwaardig is, dat in de argumentatie weinig hermeneutisch besef is dat het niet alleen gaat om de exegese van bepaalde teksten, maar ook om de toepassing van de gevonden bijbelse inzichten in een concrete situatie. Dat wreekt zich in de soms willekeurige wijze waarop men enerzijds beschrijvende passages in het OT en NT naast zich neer legt en anderzijds zonder enige argumentatie normatief verklaart voor vandaag. In sommige argumentaties is het gehalte van de ‘loca probantia’-methode zeer hoog: men houdt geen rekening met genre en context van de teksten en formuleert vervolgens met behulp van deze bewijsteksten een normatieve theorie over de m/v-verhouding. Transparantie ten aanzien van het impliciet gehanteerde hermeneutisch model is veelal afwezig.[v]

Ten vierde dat de argumentatie een hoog abstract en idealistische gehalte heeft, en daardoor – mede gezien de vorige conclusie – bij tijden een biblicistisch karakter krijgt. In de argumentatie wordt nauwelijks recente literatuur met nieuw zicht op de positie van de vrouw in de culturen van OT en NT verwerkt, waardoor veronderstellingen daarover niet getoetst worden aan de werkelijkheid. Daarnaast doen tegenstanders van de vrouw in het ambt een beroep op een scheppingsorde, die gekenmerkt wordt door de ondergeschiktheid dan wel de ongelijkheid en de onderscheiden verantwoordelijkheid van man en vrouw. Men maakt echter niet aannemelijk, waarom deze veronderstelde scheppingsorde alleen zou gelden voor de kerk en niet voor de samenleving. In de praktijk trekt men voor het maatschappelijk leven uit deze ‘scheppingsorde’ niet de conclusies, die men voor de organisatie van het kerkelijk leven wel normatief van belang acht.

 

  • Conclusie

Samenvattend is mijn voornaamste conclusie, dat de kern waar alles in het denken over ‘vrouw en ambt’ om draait, niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Er is nauwelijks bezinning op de vraag die aan heel de discussie ten grondslag ligt, namelijk over de al dan niet normatieve betekenis van de patriarchale cultuur voor christenen in de moderne samenleving.[vi]

Wat betekent het dat de openbaring van God gegeven is binnen een patriarchale samenleving? Legitimeert God daarmee de patriarchale man-vrouwverhouding? Moeten wij daarom in onze eigen cultuur en samenleving ook die man-vrouwverhouding normatief voorschrijven, zowel in de kerk als in het maatschappelijk leven van het huwelijk, de arbeid en de politiek? [vii]

Als we over deze vragen helderheid kunnen bieden, is het geen vraag meer of de vrouw in het ambt mag dienen.  



[i] Stellingen die dit moeten beargumenteren zijn wat de OT-ische teksten betreft: (a) dat is een beschrijving van de praktijk, dus daar kun je geen normen aan ontlenen, (b) de uitzondering bevestigt de regel, (c) een noodmaatregel: dat gebeurt alleen maar als de mannen het laten afweten. Deze stellingen worden gepresenteerd als evident en worden niet onderbouwd. Op grond waarvan is een vrouwelijke richter of profetes een uitzondering die de regel bevestig? Op zijn minst kun je zeggen, dat God in de praktijk laat zien dat vrouwen in bepaalde omstandigheden werkelijk met gezag kunnen spreken. Als het om NT-ische teksten gaat is men er duidelijk verlegen mee, maar dan is het argument: ‘er kan gewoon niet staan wat er staat, want Paulus leert toch duidelijk dat de vrouw moet zwijgen in de gemeente en ondergeschikt moet zijn’. Dus wordt gesteld dat:  (a) het bidden en profeteren van vrouwen in ieder geval geen spreken met gezag is of activiteiten die in een kerkelijk publieke setting worden verricht, en (b) dat wanneer vrouwen als diaken, apostel of medewerker worden aangeduid, je dit niet mag opvatten als dat zij gezagvolle en ambtelijke taken verrichten.

[ii] De theorie strookte overigens al niet met de praktijk. Voorbeelden uit de laatste paar eeuwen zijn vrouwen die als dienstboden, fabrieksarbeidsters en in de kleine middenstand en het boerenbedrijf als meewerkend echtgenote, een bijdrage aan het arbeidsproces leveren.

[iii] De door hen gepubliceerde artikelen zijn te vinden in het binnen de GKV verschijnend maandblad Nader Bekeken en op de verwante website www.bezinningmvea.nl

[iv] Op de website www.manvrouwkerk.wordpress.com, opgestart na de publicatie van het boek ‘Zonen en Dochters profeteren’, (Boekencentrum,2016), zijn veel artikelen terug te vinden.

[v] Voor wat bedoeld wordt met hermeneutische modellen, zie de beschrijving in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017,  p.123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne).

[vi] Dr. Bert Loonstra bespreekt o.a. dit thema in zijn recente publicatie: Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018.

[vii] Hierover heb ik enkele opmerkingen gemaakt in mijn preek over Gal. 3:28: https://fpathuis.wordpress.com/2018/11/24/fragment-van-een-preek-over-galaten-328/

 

Zwijgteksten vandaag

Vorig jaar verscheen in de ‘New Covenant Commentary’-serie het commentaardeel van B.J. Oropeza op 1 Korintiërs.[1] In aansluiting op de exegese van 1 Kor. 14:34-35 heeft hij hierin een excurs opgenomen onder de titel ‘Fusing the Horizons: Women Speakers at Church[2], die ik hierbij in vertaling doorgeef.

Soms wordt 1 Kor. 14:34-35 in samenhang gelezen met 1 Tim. 2:9-15 om de claim te onderbouwen dat wanneer Paulus vrouwen beveelt om te zwijgen, dit betekent dat kerken vandaag niet mogen toestaan dat vrouwen spreken, onderwijs geven of leiding geven. Toch ligt de aanleiding voor de discussie in beide brieven in verschillende omstandigheden. Hoewel sommige kernwoorden in beide teksten voorkomen, is de toepassing behoorlijk anders.[3]

In 1 Timotheüs is de unieke situatie ontstaan, dat dwaalleer zich deels via weduwen in de huiskerken binnendringt (5:5-16, vergelijk 1:3-7).[4] In deze situatie schrijft Paulus aan Timotheüs, die pastor is in de kerk van Efeze: ‘Ik sta niet toe dat een vrouw onderwijs geeft en gezag claimt over een man[5] (2:12). Deze vrouwen mogen geen onderwijstaken vervullen of het leiderschap van mannen overnemen, in het bijzonder niet dat van Timotheüs.[6] Deze uitspraak heeft naar het lijkt niet de bedoeling dat deze voor altijd geldt, maar heeft als doel om deze gemeente te beschermen voor een destructieve leer. Ongetwijfeld was dit voorschrift mede ingegeven door de situatie (hoewel ze daar zelf niet schuldig aan waren) dat aan veel vrouwen in de patriarchale wereld niet hetzelfde niveau van geletterdheid en onderwijs gegeven werd als aan mannen. Door deze ongelukkige achterstand waren vrouwen gemakkelijker vatbaar voor dwaalleer. We kunnen hierbij opmerken dat mannen die dwaalleer verspreiden in de Paulinische kerken ook het zwijgen opgelegd worden (Titus 1:11).

Genesis 2-3 wordt in 1 Tim. 2:13-14 aangehaald om te ondersteunen dat Adam de ‘eerste’ is en dat Eva degene is die door de slang ‘bedrogen’ is. Zonder twijfel is Adam het eerste geschapen en heeft hij in deze tekst in een bepaalde zin prioriteit, maar het punt dat Paulus aan Genesis ontleend is dat ‘zoals Eva bedrogen is door de slang, zo zijn de vrouwen in de gemeente van Efeze bedrogen door de dwaalleraren die door Satan geïnspireerd zijn (vergelijk 1 Tim. 4:1-3 en 5:13-15)[7]. Zolang als de vrouwen in Efeze door deze leraren beïnvloed worden, beantwoorden zij aan het model van  de voorafgaande typologische prefiguratie[8] van Eva, die nadat zij bedrogen was Adam op een dwaalspoor heeft gebracht.

Er is geen indicatie dat het aan vrouwen op grond van het scheppingsverhaal nooit meer toegestaan zou worden in de kerk te spreken, te onderwijzen of aan mannen leiding te geven. Onze auteur was waarschijnlijk juist door de inhoud van de specifieke dwaalleer die de gemeente beïnvloedde, getriggerd om naar het scheppingsverhaal te verwijzen.[9]

Hoewel Paulus erkent dat in de oude scheppingsorde Adam voorrang heeft, verdwijnt deze orde in Paulus’ denken in het licht van de nieuwe schepping in Christus, die uiteindelijk zal uitmonden in de volledige realisering  van het ‘noch manlijk en vrouwelijk … in Christus’ (Gal. 3:28, vergelijk 2 Kor. 5:17). In overeenstemming met dit nieuwe scheppingsmodel geven de gemeentes van Paulus hun goedkeuring aan en schakelen zij vrouwelijke leiders in zoals Phoebe en Junia (Rom, 16:1, 7) en geven vrouwen zoals Prisca (1 Kor. 16:19, Hand. 18:26) in de gemeente onderwijs.

We weten van Paulus en uit het Nieuwe Testament dat het vrouwen werd toegestaan om te profeteren en te spreken onder inspiratie van de Geest (1 Kor. 11:5, 14:26, vergelijk Hand. 21:8-9 en Openb. 2:20). Zij waren daartoe waarschijnlijk aangemoedigd, omdat in het nieuwe tijdperk van de uitstorting van de Geest die voortduurt tot dat Christus terugkomt, de kerk gekenmerkt wordt door het ‘uw dochters zullen profeteren’ (Hand. 2:17).

Dit is congruent met de Joodse wortels van het christelijk geloof, waarin vrouwelijke profeten als Deborah, Hulda, and Anna fungeerden (Richt. 4-5, 2 Kon. 22:14, 2 Kron. 34:22 en Luk. 2:36-38)[10]. Ook ondersteunt epigrafisch bewijs dat vrouwen leiderschapsrollen in synagogen vervulden[11], terwijl Joodse teksten de participatie van vrouwen in de vroege synagogale eredienst niet uitsluiten.[12]

Het lijkt erop dat noch 1 Kor. 14:34-35 noch 1 Tim. 2:9-15 de intentie heeft voor alle eeuwen te claimen dat vrouwen niet in de kerk mogen spreken, profeteren of onderwijs aan mannen geven.

Wij voegen hier nog aan toe, dat in tegenstelling tot de klassieke patriarchale wereld, vrouwen in onze tijd hetzelfde bijbelse en theologische onderwijs kunnen ontvangen als mannen. Zij zijn daarom even geschikt als mannen om een kerk te leiden, onderwijs te geven of in de kerk te (s)preken.

 

[1] B.J. Oropeza, Ph.D., is professor bij het ‘Department of Biblical and Religious Studies’ van de Azusa Pacific University in Californië (USA). Hij is oprichter van de ‘Intertextuality in the New Testament Section of the Society of Biblical Literature’. Ook maakt hij deel uit van de redactieraad van de ‘Rhetoric of Religious Antiquity series’ (SBL Press). Hij heeft zich gespecialiseerd in de socio-retorische exegese van het Nieuwe Testament, in het bijzonder de brieven van Paulus. In zijn proefschrift uit 1998 (Paul and Apostasy: Eschatology, Perseverance, and Falling Away in the Corinthian Congregation, geschreven onder supervisie van James D. G. Dunn) stond 1 Kor. 10:1-13 centraal.

[2] B.J. Oropeza, 1 Corinthians (New Covenant Commentary Series), Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2017, pp. 192-193.

[3] I.H. Marshall, The Pastoral Epistles (International Critical Commentary), T&T Clark International, Londen-New York, 2004, p. 440-42.

[4] Zie: B.J. Oropeza, Jews, Gentiles, and the Opponents of Paul. Apostasy in the New Testament Communities, Volume 2: The Pauline Letters, Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, Eugene OR, 2012, p. 272-78.

[5] Voor de praesens indicativus als eerder actueel en specifiek dan universeel, zie: Philip B. Payne, Man and Woman. One in Christ, Baker, Grand Rapids, 2009, pp. 319-25 en Ben Witherington III, Letters and Homilies for Helenized Christians. Vol. 1, Apollos, Nottingham, 2006, pp. 226-27.

[6] Voor het mannelijk leiderschap in de patriarchale samenleving, zie het commentaar van Oropeza op 1 Kor. 11:3.

[7] Zie: B.J. Orepeza, Jews, Gentiles, and the Opponents of Paul. Apostasy in the New Testament Communities, Volume 2: The Pauline Letters, Cascade Books, Wipf & Stock Publishers, 2012, p. 274.

[8] Oropeza gebruikt de term ‘prerepresentation’. In een noot verwijst hij naar zijn uitleg in het commentaar bij 1 Kor. 10:6, waar Paulus het voorbeeld van de doortocht door de Rode zee als ‘tupos’ omschrijft.

[9] Zie:  I.H. Marshall, The Pastoral Epistles (International Critical Commentary), T&T Clark International, Londen-New York, 2004, p. 459-60, die veronderstelt dat de dwaalleer draait om de vrouwelijke superioriteit over mannen.

[10] Zie voor andere vrouwelijke profeten in de Joodse, christelijke en Grieks-Romeinse tradities: Antoinette C. Wire, The Corinthian Women Prophets. A Reconstruction through Paul´s Rhetoric, Fortress, Minneapolis, 1990, pp. 237-69.

[11] Zie Pieter W. van der Horst, ´Conflicting Images of Women in Ancient Judaism´, in: Hellenism-Judaism-Christianity. Essays on Their Interaction, 2nd ed. CBET 8, Peeters, Leuven, 1998, pp. 90-92.

[12] Zie Marlene Crüsemann, ‘Irredeemably Hostile to Women. Anti-Jewish Elements in the Exegesis of the Dispute about Women’s Right to Speak (1. Cor. 14:34-35), in: JSNT, Jrg. 79 (2000), pp. 30-31, vergelijk t. Meg. 4.11.

Meedenken met Loonstra [i]

In zijn boekje ‘Meedenken met Paulus[ii] snijdt dr. Bert Loonstra de belangrijkste vraag in het gesprek over de vrouw in het ambt aan. Hoe ga je om met de bijbel, in het bijzonder met de zgn. zwijgteksten? Mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Welke waarde hebben Paulus’ verwijzingen naar de wet en de scheppingsorde als hij voorschriften geeft over de positie van de vrouw in de gemeente?

Zijn stelling is dat trouw zijn aan de Schrift niet bestaat in het exact naspreken van wat Paulus destijds in zijn culturele context als voorschriften heeft gegeven, maar in een toepassing van diens normatieve uitgangspunten en manier van denken op onze cultuur en context. In andere tijden is een andere toepassing mogelijk, mits de kern van het evangelie overeind blijft staan en die toepassing uitdrukking geeft aan het door Christus bevrijde leven in de Geest.

Loonstra tilt het gesprek over m/v en het ambt zo op het niveau van de hermeneutiek. Op dit gebied hebben zich in de loop van de 20e eeuw in de gereformeerde theologie belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.[iii] Kort aangeduid: een besef dat verantwoord bijbelgebruik meer is dan een samenbrengen van een aantal bijbelteksten om een bijbelse visie op een ethisch, dogmatisch of kerkordelijk onderwerp te bieden. Dat leidt namelijk snel tot een biblicistisch bijbelgebruik, als voorbij wordt gegaan aan de eigenheid van elke tekst en aan de positie van de tekst in het geheel van de Schrift. Bij een beroep op de bijbel moet het grotere geheel van de heilsgeschiedenis en de voortgang van het Gods rijk in rekening worden gebracht. Ook  moet de cultuurhistorische context van de normen, waarden en geboden in de Schrift vastgesteld worden.

Het beroep op de bijbel is ingewikkelder geworden, niet omdat wij ons aan het gezag van de bijbel willen onttrekken, maar juist omdat wij de bijbel niet willen laten buikspreken. De vanzelfsprekendheid dat iets hoort of geldt omdat het zo in de bijbel staat, is verdwenen. We hebben leren zien dat veel van wat lang als bijbels of gereformeerd beschouwd werd een cultureel bepaalde invulling van bijbelse waarden en normen was. Ook zijn er nieuwe ontwikkelingen in de samenleving en cultuur, waar wij een bijbels verantwoord licht over mogen laten schijnen.ge

De inzichten van Loonstra sluiten aan bij het model dat Rob van Houwelingen schetst voor het contextueel lezen van de bijbel en Ad de Bruijne voor de ethische bezinning in de bundel ‘Gereformeerde hermeneutiek vandaag[iv]. De bijbel functioneert daarin als een heilshistorisch model voor het goede leven in Israel resp. het Romeinse rijk. In de woorden van De Bruijne: ‘Evenals de apostelen deden met het onderwijs van Jezus en Mozes, moeten wij op onze beurt hun woorden leren zien binnen onze eigen context en zo de betekenis ervan ‘herkennen’’. In de GKv hebben wij ervaring met dit model opgedaan in de omgang met het onderwerp ‘huwelijk en echtscheiding’ op de verschillende synoden van 1999 t/m 2008. Het is dan ook logisch dat de GKv Synode Meppel 2017 in lijn met dit hermeneutisch model geconcludeerd heeft, dat er geen belemmeringen zijn om de vrouw in het ambt toe te laten.

Grote vraag bij deze benadering is, of de (westerse) cultuur gaat heersen over wat het evangelie ons leert. Het antwoord van Loonstra is tweeledig. Allereerst dat de kern van het evangelie niet is het houden van geboden en voorschriften, omdat wie in Christus gelooft dood is voor de wet en leeft door de Geest. Ten tweede dat ook de westerse cultuur in verbinding gebracht moet worden met het onderwijs en de levensweg van Christus en dat een ‘nee’ uitgesproken moet worden tegen zaken die zich niet met de heerschappij van Christus laten verenigen.

Als het om de positie van de vrouw in de gemeente gaat, is het grote verschil dat Paulus zijn aanwijzingen gaf binnen een patriarchale samenleving. Zijn richtlijnen hadden niet de bedoeling om het patriarchale systeem te legitimeren, maar om de voortgang van het evangelie te bevorderen. Omdat in een westerse cultuur het toepassen van deze richtlijnen in zou houden, dat het patriarchale leven weer ingevoerd zou worden, is het gerechtvaardigd om Paulus’ aanwijzingen niet letterlijk op te volgen. Zij hebben geen cultuur overstijgende normatieve betekenis. Daarom mogen wij de intentie van Paulus spreken op andere wijze tot uiting brengen.

Loonstra’s boekje is een ontdekkingstocht op niveau. Voor degene die enigszins met de hermeneutiek vertrouwd is, biedt het een waardevolle bijdrage aan het gesprek over m/v en het ambt.

 

 

[i]  Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 12 d.d. 8 juni 2018

[ii] Zie het artikel ‘Meedenken met Paulus’ in het Gereformeerd Kerkblad, 71e jaargang, nr. 11 d.d. 24 mei 2018, ook te vinden op deze site: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/26/meedenken-met-paulus-i/

[iii] Zie het overzicht door Ad de Bruijne in: Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Theologische perspectieven, (red. Ad de Bruijne en Hans Burger), TU Bezinningsreek nr. 18, Uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 2017, p. 13-34.

[iv] Zie: Gereformeerde hermeneutiek vandaag, p. 123-144 (Van Houwelingen) en 181-198 (De Bruijne), citaat op p. 188.

Meedenken met Paulus [i]

Dr. Bert Loonstra heeft een waardevol boekje geschreven over Paulus’ omgang met de wet en de geschriften van Israel. Daarmee wil hij het gesprek over de vrouw in het ambt in de GKv en in zijn eigen CGK verder helpen.

Waarin voor- en tegenstanders beslissend van mening met elkaar verschillen, is hoe om te gaan met de zgn. zwijgteksten. Zijn deze teksten het einde van alle tegenspraak of mag je ze ook in hun eigen context plaatsen? D.w.z. mag je op grond van de manier waarop Paulus deze uitspraken beargumenteert, concluderen dat zijn uitspraken over de positie van de vrouw betrekkelijk zijn? Dat laatste is wat Loonstra met zijn boekje beoogt: ‘Demonstreren dat de Schrift zelf leert dat in andere tijden de rol van de vrouw anders kan worden dan die welke Paulus in zijn eigen situatie verdedigt’ (12). Hij wil duidelijk maken dat trouw aan de Schrift niet bestaat in het naspreken van wat Paulus destijds heeft gezegd, maar in een nieuwe toepassing van diens eigen uitgangspunten en manier van denken.

Daarom probeert Loonstra de structuur van Paulus’ denken en redeneren op het spoor te komen. Hij laat zien dat Paulus aan de ene kant een continuïteit tussen het christelijk geloof en het Oude Testament tekent. Centraal staat God, de Schepper van de hemel en aarde, de God van Israel, de God van de Thora, de God van liefde, recht en trouw. Maar God is ook de Vader van onze Heer Jezus Christus, die bevrijdend verschenen is voor alle mensen. Op dit punt komt Paulus’ denken op gespannen voet te staan met het joodse denken. Paulus relativeert de betekenis van de wet en de besnijdenis, omdat God buiten de wet om gerechtigheid brengt (Romeinen 3). De ‘letter’ van de wet brengt een vloek, waar Christus ons van bevrijdt (Galaten 3). Zo heeft de geschreven wet als gevestigde autoriteit zijn macht verloren en kan Paulus de ‘letter’ tegenover de Geest stellen. De ‘letter’ d.w.z. de uitwendige wet doodt, maar de Geest maakt levend, doordat hij de wet in ons hart schrijft (2 Korintiërs 3) en in ons de liefde als vervulling van de wet uitstort (Romeinen 5).

In Galaten 5 benadrukt Paulus dat de gelovigen zich niet opnieuw een slavenjuk moeten laten opleggen: ze zijn bevrijd van de wet. Tegelijk schrijft hij dat die vrijheid niet misbruikt mag worden om de hartstochten te bevredigen. Het is een vrijheid tot dienstbaarheid in liefde. In dat kader formuleert Paulus concrete gedragsaanwijzingen voor de gelovigen, waarbij hij in sommige gevallen ook expliciet naar de geschreven wet verwijst, b.v. als het gaat over de positie van de vrouw in de gemeente.

De vraag is nu hoe de vrijheid van de Geest en het concrete gebod zich tot elkaar verhouden. Volgens Loonstra doet Paulus een beroep op bepalingen in de wet, wanneer en zolang ze een invulling geven aan de kernwaarden van het evangelie en uitdrukking geven aan het leven met Christus door de Geest. Andere tijden kunnen daarom een andere toepassing vragen om de betekenis van het evangelie te concretiseren. Een voorbeeld daarvan is de slavernij. Paulus roept slaven op om zich te onderschikken aan hun meesters, terwijl wij met een beroep op het evangelie slavernij als een mensonterende praktijk veroordelen. Waar in de tijd van Paulus een oproep tot verzet tegen de slavernij het evangelie in diskrediet zou brengen, heeft in onze tijd een pleidooi voor slavernij juist dat negatieve effect.

Dit principe past Loonstra toe op de positie van de vrouw in de gemeente. Gegeven de patriarchale samenleving waarin Paulus leefde, was zijn gebod aan vrouwen om zich in de gemeente aan de man te onderwerpen een middel om bij te dragen aan de verbreiding van het evangelie. In onze westerse samenleving is dit gebod tot onderwerping van de vrouw aan de man het tegendeel van een bevrijdende boodschap. Daarmee lijkt het op de ‘letter’ van de wet die niet heilzaam is. Het is namelijk goed te verdedigen dat de emancipatie van de vrouw in de gemeente en het toelaten van de vrouw in het ambt aansluit bij de kern van het evangelie, waarin Gods bevrijdende liefde centraal staat.

Volgens Loonstra is het onvermijdelijk en gerechtvaardigd, dat onze westerse cultuur zo een stempel zet op de manier waarop wij het evangelie in onze tijd vorm geven. Mits die toepassing geënt is en blijft op de basisnoties van het evangelie: toewijding aan Christus, gerichtheid op de ander in liefde, verantwoordelijkheid, gemeenschapszin, oprechtheid en trouw. Alles is geoorloofd, maatgevend is of het nuttig en opbouwend is.

Loonstra geeft terecht aan, dat er moed voor nodig is om zo met de bijbel om te gaan. Zijns inziens komt deze omgang met de wet en met de Schrift uit de bijbel zelf op en doet deze beter recht aan de integrale boodschap van Paulus dan het vasthouden aan zijn afzonderlijke aanwijzingen, omdat immers ook recht moet worden gedaan aan de context van Paulus’ Schriftgebruik.

N.a.v. dr. Bert Loonstra, Meedenken met Paulus. Letter en Geest in de bezinning op vrouw en ambt, Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2018, prijs: € 12,95

 

[i] Artikel verschenen in Gereformeerd Kerklad, 71e Jaargang, nr. 11 d.d. 25 mei 2018

Samenvatting

Een samenvatting van Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, (Uitgeverij Woord en Wereld, 2018) –  Fokke Pathuis [i]

 

  1. Aanleiding

In 2005 gaf de GKV-synode de opdracht voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’, dat uiteindelijk in 2017 resulteerde in het besluit om het ambt voor de vrouw open te stellen.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn vrucht van zijn denken over deze vraag. Daarom gaat hij ook uitgebreid in op de exegese van de zgn. zwijgteksten en op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

 

  1. Status van gesprek over m/v in de kerk

Een eerste punt dat Niemeijer naar voren brengt, is dat het vraagstuk van m/v in de kerk geen zaak is van de ware en volkomen leer van de verlossing of dat daarmee iets zou veranderen aan ons geloof in Christus:

De vraag of vrouwen al dan niet ingeschakeld mogen worden hoort daar niet bij, maar is een zaak van verantwoorde kerkinrichting. Niet minder, ook niet meer’, (11).

Over zaken van kerkinrichting en kerkregering hebben we in de bijbel geen sluitend systeem aangereikt gekregen. In de vormgeving daarvan heeft de kerk zowel recht gedaan aan de Schrift en tegelijkertijd eigentijdse overwegingen een rol laten spelen. Onze indeling van het ambt in predikant, ouderling en diaken stamt ook pas uit de tijd van de Reformatie, (34).

Niemeijer kan zich voorstellen, dat gemeenteleden het gevoel krijgen, dat ze de controle kwijt zijn. In de loop van de 20e eeuw moest men steeds weer terugkomen op stelligheden, die gekoesterd werden. Van het afwijzen van de broekdragende vrouw, de aanvaarding van de werkende vrouw, de opheffing van afzonderlijke bijbelstudieverenigingen voor jongens en meisjes, het toestaan van het stemrecht van de vrouw in de kerk, tot het denken over de sociale wetgeving, de afschaffing van de apartheid en de samenwerking in de politiek met niet-gereformeerden. En nu sneuvelt het volgende bolwerk, (12).

Zijn we nu wij als kerken niet bezig het Woord van God kwijt te raken? Argumenten die door de synode aangevoerd zijn om het besluit om vrouwen in het ambt toe te laten, overtuigen niet iedereen, (12).

Toch zijn de vragen waar de eerste christelijke kerk voor stond van veel groter gewicht. Zij moesten beoordelen of mensen buiten Israël behouden konden worden, zonder de wet van Mozes te onderhouden. Had Jezus zelf niet gezegd, dat hij niet was gekomen om de wet te ontbinden? Als je het hebt over zekerheden die onderuit lijken te gaan, dan zijn onze vragen over m/v en ambt daar kinderspel bij, (34).

 

  1. De interpretatie van de zwijgteksten

Als het over zwijgteksten gaat is het duidelijk, dat niet elk spreken of optreden van vrouwen in de kerk en de kerkdiensten wordt verboden. Vrouwen mogen zingen, bidden, profeteren en met een woord van God tot opbouw komen. De vraag is, wat de zwijgteksten dan wel verbieden.

Traditioneel worden deze teksten gezien als in ieder geval een blokkade voor vrouwelijke predikanten en ouderlingen. Paulus zou met een beroep op de schepping en de zondeval het leren en het gezag oefenen over mannen in de samenkomsten verbieden, wat vertaald wordt als dat het leer- en regeerambt voor de vrouw verboden is.

Ook is er een sterke overtuiging, dat als de bijbel op andere plaatsen over de inzet van vrouwen in de kerk spreekt, dat nooit in strijd kan zijn met de inzichten die men aan de zwijgteksten heeft ontleend. De bijbel als Gods woord kan zichzelf niet tegenspreken. ‘In feite vormen de zwijgteksten zo een soort canon binnen de canon. Alle spreken in de Bijbel over de inzet van vrouwen wordt aan deze teksten afgemeten’, (14).

Bij zijn bezinning in 2014 rees bij Niemeijer de vraag, of deze uitleg van de zwijgteksten echt wel zo helder en eenduidig was. Want als je de bijbel echt heilshistorisch wilt lezen, mag je teksten niet als losse en tijdloze teksten gebruiken. Hij zag nu dat de zwijgteksten toch vaak zo gelezen zijn, zonder oog voor de situatie waarin ze geschreven werden en zonder de context van de teksten in rekening te brengen.

Zo kwam hij tot de conclusie, dat hij niet rechttoe rechtaan gelezen had wat er ‘gewoon staat’, maar dat hij ongemerkt heel wat keuzes maakte en knopen doorhakte zonder zich daar echt bewust van te zijn geweest. Niemeijer geeft bij zijn lezing van 1 Timoteüs 2 zo’n 11 keuzemomenten, waarvan de belangrijkste zijn, dat het daar niet specifiek gaat over m/v en het ambt, maar over m/v en de samenleving, en dat het niet gaat over de positie van de vrouw ten opzichte van alle mannen, maar specifiek ten opzichte van de eigen man in het huwelijk. Zo werd hem duidelijk:

Ik kan de uitleg die ik aanhing, dus niet meer betitelen als: dit is het Woord van God. Het was mijn uitleg ervan’, (22).

Wanneer hij nadenkt hoe het komt, dat de klassieke exegese zo lang stand gehouden heeft, ziet hij dat dit vooral ‘samenhangt met de plaats die de vrouw in onze samenleving had. In heel de samenleving ja, en niet alleen in de kerk’, (22).

De klassieke exegese en het spreken over verschillende levenstaken van man en vrouw passen heel goed bij een samenleving, waarin de vrouw nauwelijks rechten had en waarbij vrouwen niet actief in de samenleving participeerden, met als gevolg dat deze exegese niet door de praktijk op houdbaarheid werd beproefd.

Daarnaast kwamen pleidooien voor de rechten van de vrouw vaak op uit een puur werelds denken dat geen rekening wilde houden met het christelijke verleden. ‘In deze context was emancipatie per definitie verdacht en werd de ‘onderdanigheid’ van de vrouw kenmerk van het onverkort vasthouden aan goede waarden’, (22).

 

  1. Nieuwe hermeneutiek?

Tegenstanders van de vrouw in het ambt wijzen een andere interpretatie van de zwijgteksten af, omdat die zou voortkomen uit het gebruik van een andere hermeneutiek.

Niemeijer houdt daartegenover staande, dat hij tot zijn inzichten gekomen is door dezelfde regels op de bijbel toe te passen als in de traditionele hermeneutiek gebruikelijk was. Wel heeft hij meer oog gekregen voor de kant van de ontvanger: ‘wat er aan onze kant van belang is om de boodschap goed op te vangen’, (26). Deze kant kreeg in het verleden veel minder methodische aandacht.

In de nieuwere hermeneutiek is veel meer oog voor alle obstakels en vertekeningen bij de lezer. Ons schepsel-zijn (dat beperkt is), ons zondaar-zijn en ons zelfbeeld kunnen het verstaan van de bijbel in de weg zitten:

Ben ik voor de vrouw in het ambt of ertegen, dat beïnvloedt al gauw wat ik in teksten lees. Ik heb zomaar de neiging om teksten uit te leggen naar wat ik erin wil (!) horen’, (27).

Behalve ons zelfbeeld is volgens Niemeijer ook ons wereldbeeld of onze cultuur van invloed op hoe wij teksten lezen:

Lees bijvoorbeeld 1 Korintiërs 11 over wat een vrouw om haar hoofd moet hebben eens in onze cultuur en in die waar de hoofddoek nu nog normaal is  en het afdoen ervan ondenkbaar [= b.v. in een moslimcultuur, FP). Welke boodschap heeft Paulus voor onze vrouwen en welke voor die vrouwen met hoofddoek?’, (28).

Tenslotte speelt ook de scherpte van de bril waarover we beschikken een rol. Wij hebben meer zicht gekregen op bepaalde punten. ‘Soms gaan ineens je ogen open voor dingen die je voorheen niet zag en soms ook niet kon zien. Want Gods Woord is volmaakt en helder, maar onze bril is dat niet en ons gehoorapparaat staat wel eens verkeerd afgesteld’, (29).

Zo zijn onze ogen geopend voor factoren die ons verstaan belemmeren en hebben we geleerd om kritisch te zijn op ons zelf: ‘Niet kritisch op de Bijbel, maar op je eigen verstaan’, (35).

 

  1. De zgn. zwijgteksten

Paulus verbiedt in 1 Timoteüs 2 ‘vrouwen een/de man (enkelvoud) te onderwijzen en (en niet: of!) gezag over hem te oefenen. Ze moeten zich gehoorzaam en bescheiden laten onderwijzen’, (36).

Dit is geen absoluut verbod aan vrouwen om onderwijs te geven, want in Kolossenzen 3 krijgen vrouwen immers juist ‘de opdracht te leren en terecht te wijzen’, terwijl Paulus in Romeinen 16 spreekt over kerkleden ‘die de gaven hebben te onderwijzen en die gave moeten gebruiken’, (36). In 1 Timoteüs 2 verbiedt Paulus wel ‘een leren dat in strijd is met de geëiste bescheidenheid en gehoorzaamheid’. Dat betekent: ‘Als een vrouw geroepen wordt om ‘ambtelijk’ te leren, is dat niet als zodanig onbescheiden of ongeordend’, (37). Want: ‘Een vrouw die vanuit het Woord van God leert: zou dat verboden zijn?!’, (37).

Zij mag het, – net zomin als een man -,  niet op een ‘verkeerde’ wijze doen, d.w.z. op een wijze die niet strookt met Efeziërs 5:21-33: ‘de mannen moeten zich richting hun vrouwen met liefde en dus ‘zonder wrok en onenigheid’ opstellen en de vrouwen moeten met respect voor hun mannen zich opstellen, overal’. Wanneer mannen en vrouwen elkaar aanspreken en Gods weg wijzen, moet dat hun houding zijn, zegt 1 Timoteüs 2:

Bescheidenheid en dienstbaarheid hoort dan de toon te zetten: zowel bij mannen (geen wrok en onenigheid, vers 8) als bij de vrouwen (geen bazig leren)’, (37).

Belangrijk is namelijk te weten, dat het ‘onderwijzen’ en ‘gezag oefenen’ een hendiadys vormen. D.w.z. een stijlfiguur die niet twee losse acties omvatten, maar een omschrijving zijn van één bepaald optreden, waarbij het ‘gezag oefenen’ [in het grieks ‘authentein’, FP] aangeeft hoe er onderwezen wordt. Gezien context en woordgebruik moet dit ‘authentein’ opgevat worden als ‘autoritair, betweterig, onbescheiden’: ‘het gaat om vrouwen die hun eigen man publiek ‘de les lezen’. Dat is het leren wat Paulus hier aan vrouwen verbiedt’, (38).

Dat het om zulk ‘hautain leren’ gaat blijkt uit de eerdere aanduiding van deze vrouwen in vers 9 en 11: ‘Het gaat om vrouwen die zich blijkens de tekst (!) in kleding en make-up opzichtig presenteren en die ‘onderwijzen’, terwijl ze zelf nog heel wat onderwijs nodig hebben’, (38).

Paulus waarschuwt vrouwen dat als ze zo provocerend optreden, zij hun verbondenheid en plaats in het huwelijk met hun man niet honoreren. Daarom verwijst hij ook naar Genesis 2 en 3:

Ze mag zich niet superieur opstellen tegenover haar man: ze is na hem geschapen en toen ze in het paradijs de man naar de achtergrond drong, ging het mis. Zo doe je als vrouw niet. Dat doe je thuis niet, dat doe je ook in de samenkomsten of in de kerk niet. Dat doe je zelfs daarbuiten niet. Je trekt in heel je leven, waar dan ook, als man en vrouw samen op’, (38-39).

Op de zelfde manier argumenteert Paulus ook in 1 Korintiërs 11 en 14. Net zoals het in 1 Timoteüs 2 niet specifiek over het ambt gaat, is dat ook in 1 Korintiërs niet aan de orde. Daar gaat het over het verloop van de erediensten, (39).

De kern in Paulus’ onderwijs is, dat je als man en vrouw in heel je leven, en dus ook in de kerk, je huwelijk honoreert, waarin je als man en vrouw één bent en waarbij de man het hoofd is:

Een vrouw die los van haar man wil opereren, is haar hoofd kwijt: een kip zonder kop. Een man die denkt dat hij zijn ambtelijk werk kan doen volkomen los van zijn vrouw, vergeet wat hij in zijn vrouw aan unieke hulp van de Here ontvangen heeft’, (40).

Op deze manier kunnen ook vrouwen aan het maatschappelijke en het kerkelijk leven meedoen. In het Oude Testament Debora (rechter) en Hulda (profetes), in het Nieuwe Testament echtparen die samenwerken in het evangelie (Rom. 16 ) en apostelen die hun vrouw meenamen op hun dienstreizen, (40).

Niemeijers conclusie is, dat deze interpretatie van de zwijgteksten ‘recht doet aan het blijvende gezag van die teksten zonder dat het zusters van de ambten uitsluit’, (41).

 

  1. Scheppingsorde bij Paulus

Zijn visie op de scheppingsorde bij Paulus is in zijn bezinning ook anders geworden.

Niemeijer ging uit van de klassieke opvatting, dat God de mens geschapen heeft met een duidelijk onderscheid tussen man en vrouw. De man is eerst geschapen, daarna de vrouw, waarbij de man het hoofd van de vrouw is en de vrouw de helper van de man. Kortom:  ‘de man heeft de leiding, en daartoe beperkte ik de scheppingsorde ook’, (42). Maar is dit wel de visie van Paulus in Efeziërs 5, in 1 Timoteüs 2 en in 1 Korintiërs 11?

Als je denkt dat de kernboodschap van Efeziërs 5:22-33 een pleidooi voor een gezagsrelatie in onderdanigheid voor de vrouw is, dan is het begin van deze perikoop niet goed uit leggen: ‘wees elkaar onderdanig’:

Als je in ‘onderdanig’ een gezagsrelatie veronderstelt, hoe verhoudt zich dan het onderdanig zijn c.q. ontzag hebben van de vrouw jegens de man tot dat wederzijdse onderdanig zijn, ontzag hebben?’, (43).

Rekening houdend met de context waarbinnen Paulus schrijft en argumenteert, zul je echter moeten erkennen dat het geen situatie is, waarin het hoofd-zijn van de man omstreden was. In tegendeel: de samenleving was sterk hiërarchisch georganiseerd, waarbij mannen zich ‘verregaande vrijheden veroorloofden in het verkeer met vrouwen en vrij losjes met het huwelijk omgingen’. Paulus had niet te maken met een samenleving die genderneutraal wilde zijn.

Daarom is het veel aannemelijker, dat Paulus in die situatie van een ontaard huwelijksleven ‘de eenheid en verbondenheid van man en vrouw in het huwelijk’ accentueert en hen oproept voor elkaar ontzag te hebben:

Jullie, mannen, moeten je vrouw niet domineren of als voetveeg gebruiken, maar liefhebben, en jullie vrouwen, moeten het gedrag van je man niet accepteren, maar jullie moeten ook je man niet verachten. Je moet ontzag voor je man aan de dag leggen, zijn positie zien en hem van daaruit aanspreken en trouw zijn’, (43-44).

Paulus wil niet het onderscheid van man en vrouw of de leidinggevende positie van de man benadrukken. Hij gaat uit van het verschil van man en vrouw en van het hoofd-zijn van de man en roept op om zo elkaar te honoreren. ‘Dit is de orde van de schepping: wie twee waren zijn in het huwelijk één’, (44).

Paulus benadrukt dit ook in 1 Korintiërs 11: ‘De gehuwde vrouw bedekt haar hoofd, de man niet. Je bent onderscheiden en hoort zo bij elkaar. Vermeng man- en vrouw-zijn niet met elkaar, maak  je niet aan elkaar gelijk, want je bent geroepen om elkaar aan te vullen en zo een éénheid te vormen’, (45).

Kun je dan uit het ‘verschil in positie’ concluderen, dat een vrouw niet geroepen kan worden tot het ambt? Dat is dezelfde vraag als: Kunnen kinderen geen ambt bekleden als hun ouders nog leven, of kunnen knechten of werknemers geen ouderling worden in een gemeente waar ook hun bazen of werkgevers lid zijn? Geldt hier niet veeleer wat Paulus in Galaten 3  zegt, dat man en vrouw, slaaf en vrije, barbaar en Scyth in Christus één zijn? Kwamen Debora en Priscilla echt in strijd met de scheppingsorde? (47).

Als Paulus spreekt over de verhouding man en vrouw zet hij dus niet zozeer in op het onderscheid of hun eigenstandige positie, maar juist op hun eenheid en verbondenheid. Om dat te benadrukken doet hij een beroep op Genesis 2:

Het is vooral gericht op het stimuleren van de eenheid en verbondenheid van man en vrouw over de hele linie van hun leven. Laten ze ervoor waken zich van elkaar te distantiëren of zich tegen elkaar te laten uitspelen’, (49).

 

  1. Patriarchaat is geen bijbelse norm

Niemeijer laat in hoofdstuk 5 zien, dat de bijbel veel minder vrouw-onvriendelijk is als wel wordt gedacht. Het gelijkheidsdenken van vandaag is wat hem betreft niet superieur aan de bijbelse moraal. De rivaliteit tussen de seksen is niet Gods oorspronkelijke opzet, maar het gevolg van de zondeval. God heeft man en vrouw geschapen ‘met één taak, in opperste kwetsbaarheid (naakt) en zonder een spiertje angst voor elkaar’, (50).

Belangrijk is om te beseffen dat de bijbel een boek is met een ontstaansgeschiedenis en geschreven is in èn voor een bepaalde tijd. Ook de door God gegeven leefregels zijn niet tijdloos. God ‘neemt concrete, toen levende mensen, aan de hand, in hun omstandigheden en hun culturele setting’, (51).

Tegelijk spreekt God ons in onze tijd aan:

Om naar deze God te luisteren hoeven we ons niet los te maken uit ons concrete bestaan en ons naar ijle hoogten te laten meevoeren, we mogen zijn Woord in onze eigen werkelijkheid aanhoren en toepassen. .. [Z]ijn Geest neemt de eigenheid van mensen en tijden niet weg, maar werkt juist vernieuwend in levensechte mensen en in concrete situaties’, (52).

Dat betekent dat de wet van Mozes toen werd gegeven aan mensen in de verworden patriarchale cultuur van toen, die God van binnenuit wilde vernieuwen en verlossen. Gods Woord legt ‘de hoorder geen onwerkelijk en niet te dragen juk aan idealen uit een ander cultuur en tijd op, maar neemt hem aan de hand om stap voor stap verder te komen op de weg van God. Zo werkt Gods pedagogie (Calvijn), (52).

Zo wordt in het Oude Testament in die patriarchale cultuur, ‘zonder dat de man de positie en verantwoordelijkheid die hij vanaf het paradijs heeft wordt afgenomen’ de vrouw gerespecteerd. In tegenstelling tot de omringende volken wordt de ‘hanigheid’ van mannen en misbruik van de onderdanige positie van vrouwen aan banden gelegd en de rechten van vrouwen veiliggesteld. Ook laat het Oude Testament zien hoe mannen door vrouwen worden aangesproken en gecorrigeerd, (53-54).

In het Nieuwe Testament zien we in de manier waarop Jezus met vrouwen omgaat en in de wijze waarop in de brieven ‘mannen en vrouwen naast en met elkaar delen in het heil en functioneren in de gemeenten’, dat het patriarchaat duidelijk voorbij is, (55).

De conclusie van Niemeijer is, dat de Here de mannencultuur van het oude Oosten serieus neemt en die niet revolutionair omkeert, maar er zich ook niet door laat gijzelen of ophouden en een duidelijke richting daarin wijst: ‘Je ziet hoe de Here patronen aan het doorbreken is en hoe Hij op een voor die tijd begrijpelijke manier uit is op iets anders dan een mannencultuur. Tegelijk handhaaft hij de hoge roeping van de man’, (55-56).

 

  1. Geen gelijkheidsdenken

Afstand nemen van patriarchale patronen betekent volgens Niemeijer niet een toegeven aan een werelds gelijkheidsdenken.

In het Oude Testament zijn vrouwen geen priesteressen, zoals in de omringende culturen wel. Terwijl daar ook allerlei vrouwvriendelijke bepalingen gelden, die niet in de wet van Mozes overgenomen zijn. Net zomin als de apostelen ook niet bepaalde vrouwenrechten en gewoontes, die wij als vrouwvriendelijk zien, overnemen.

Paulus schrijft in Rom. 12:2 dat christenen op hun hoede moeten zijn voor een werelds denken:

Zoals Christus in het vrouwonvriendelijke Israël juist heel positief met vrouwen omgaat, zien we de apostelen afstand nemen van een zich emanciperende samenleving. Ze roepen mannen op hun vrouwen lief te hebben, maar ze wijzen ook vrouwen hun plaats in Gods orde. De bijbel is nooit slaaf van een cultuur, maar spreekt er altijd kritisch en bevrijdend op in’, (58).

Die orde van God wordt zichtbaar in het huwelijk, waarin man en vrouw elkaars leven delen zonder dat dat ten koste gaat van hun eigenheid en eigen positie:

In hoeveel man en vrouw ook samen en gelijk op delen (Hand. 2:17-21; Gal. 3:28; 1 Petr. 3:7), in het huwelijk hebben en houden ze hun eigen plek waarbij mannen hun vrouw niet moeten domineren of volkomen vrijlaten maar liefhebben, en waarin vrouwen niet naar de eerste plaats moeten streven maar de van God ontvangen positie van hun man moeten erkennen (Ef. 5): samengaan zonder rivaliteit en overheersingsdrang en zonder onverbondenheid’, (59).

Volgens Niemeijer wordt die onderscheiden aard en positie van man en vrouw in de discussies over m/v en ambt wel eens vergeten: ‘Bijvoorbeeld wanneer vanuit het gelijkelijk delen in de Geest rechtstreeks wordt geconcludeerd tot het gelijkelijk delen in het ambt’, (59).[ii]

In het denken over man, vrouw en ambt moeten we recht blijven doen aan de geordende positie die man en vrouw in het huwelijk van God ontvangen hebben. Het hedendaagse gelijkheidsdenken, dat puur individualistisch is, heeft – ‘hoezeer het ons als kerk ook beschamen kan’ – te weinig oog voor het huwelijksverbond dat God gegeven heeft: ‘niet als twee dezelfde mensen, maar juist als twee verschillende mensen die niettemin één zijn’, (61).

 

  1. Vrouw en ambt

Wanneer zwijgteksten niet gebruikt kunnen worden om het dienen van vrouwen in de kerk te verbieden, wat kunnen wij dan positief over de inschakeling van vrouwen in de kerk zeggen?

Volgens Niemeijer is er vanuit de bijbel geen direct en ondubbelzinnig schriftbewijs voor te geven, maar kun je er alleen via een redenering daar conclusies over trekken. Met het oog daarop biedt hij een redenering, als alternatief voor de onderbouwing van het m/v-besluit van de GKv-synode in 2017. Volgens hem geen dwingende, maar hij vraagt wel om te overwegen of die binnen de bestaande gereformeerde hermeneutische opvattingen past.

Hij vergelijkt de omgang voor m/v en de bijbel met de manier waarop in de eerste christelijke kerk werd omgegaan met de toenmalige schrift als het ging om de vraag, of en hoe heidenen konden delen in het heil van Christus. In het boek Handelingen wordt dat getypeerd met ‘het heeft de Heilige Geest goed gedacht’. Dat betekent: we moeten ‘letten op wat de Heilige Geest concreet doet en schenkt’. Hij ruimde telkens opnieuw een beletsel op en opende een weg. Dat is ‘de regie van de Geest’: ‘Erken zijn beleid. Heb oog voor de gaven die Hij zichtbaar toont’. Zo ontdekte de eerste christelijke gemeente, dat heidenen zonder zich te hoeven besnijden volgens de wet van Mozes mochten delen in Gods heil.

Zo mogen wij in onze situatie de gaven erkennen, die vrouwen duidelijk aanwijsbaar hebben ontvangen om in de kerk te dienen. Gaven die ‘in de bijbel positief getaxeerd en in praktijk gebracht moeten worden, en die als mannen erover beschikken, hen geschikt maken voor het ambt’. Gaven als onderwijzen en leiding geven.

Ook al waren begaafde en leidinggevende vrouwen eeuwenlang uitzondering, mag je als die gaven nu steeds meer bij vrouwen voorkomen, daar dan niet een gave van de Geest inzien?

Zo niet, wat zijn het dan: verleidingen, testen of wij het ambt wel gesloten houden voor vrouwen? Maar als het wel gaven van de Geest zijn, welke belemmering is er dan om het beleid van de Geest te volgen en zulke begaafde vrouwen in te zetten?’, (64).

Pinksteren betekent de vervulling van het verlangen van Mozes, dat heel het volk oudste en profeet zou kunnen zijn. Wanneer in Handelingen heel het volk deelt in de Geest, betekent dat niet automatisch dat iedereen oudste kan worden. Men moet er wel de gave voor hebben en voldoende bekwaam en betrouwbaar zijn. Maar als vrouwen die gaven hebbe, is het vrouw-zijn op zichzelf volgens Niemeijer geen redenen om vrouwen van het ambt uit te sluiten:

Er is, lijkt me, ruimte om te discussiëren over de gedachte dat de vrouw na en vanwege Pinksteren niet buiten het ambt gehouden hoeft te worden, zolang tenminste recht wordt gedaan aan de verbondenheid van de man en vrouw in het huwelijk’, (67).

En voegt hij er aan toe: ‘Ook wie deze gedachte niet overtuigend vindt, kan volgens mij niet ontkennen dat ze wel binnen de bandbreedte van Schrift en belijdenis valt’, (67).

 

  1. Tegenargumenten

Niemeijer bespreekt ook kort enkele tegenargumenten. O.a. dat het priesterschap een exclusief mannelijke zaak is. Dat is wel onder het oude verbond zo, maar in het Nieuwe Testament worden alle kerkleden priesters genoemd. Wij leven onder het nieuwe verbond, waar de verzoening wordt uitgedeeld via de verkondiging van het evangelie. Toch wil Paulus geen exclusieve positie voor de apostelen en ambtsdragers claimen, alsof zij over de uitdeling van het heil zouden beschikken.

Verwant hiermee is het beroep op het feit, dat Jezus twaalf mannen als leerlingen koos. Niemeijer noemt het ‘een vaak aangevoerd en sterk argument’. Toch is het de vraag, of ‘de handelwijze van Christus (en Paulus) aan de andere kant een verbod op vrouwelijke ambtsdragers’ is. Dat komt, omdat het ‘sowieso al lastig [is] om vanuit het handelen van Christus tot een gebod of verbod te concluderen’:

Niet alles wat God op enig moment doet, is bindend voorschrift voor alle tijden. In de leer over de Bijbel hebben we altijd onderscheid gemaakt tussen historisch gezag en normatief gezag’, (72).

Als God aan David de vrouwen van Saul geeft, keurt hij dan polygamie goed? Als de Here slavernij laat bestaan, betekent dat hij zijn goedkeuring daaraan geeft? Je kunt uit Gods handelen in concrete situaties ook te veel willen afleiden:

Zie je in de Bijbel niet steeds dat God oog heeft voor de concrete praktijk op dat moment en in zijn leiding van zijn volk daarop niet onkritisch maar ook niet revolutionair ingaat?’, (72).

Daar komt bij, dat het nog geen Pinksteren was geweest. Kun je uit Christus’ optreden dus een verbod voor alle tijden afleiden?

Belangrijk is het om te zien, dat het bij de tegenargumenten vooral gaat om minder direct schriftgebruik en meer afgeleide redeneringen. Over de kracht daarvan kun je van mening verschillen: ‘Laten we dus uitkijken voor te grote woorden naar de ene of naar de andere kant. Zo simpel ligt het allemaal niet’, (72).

 

  1. Hoe ga je om met verschil in visie?

Niemeijer benadrukt dat m/v en ambt vooral een kerkordelijke zaak over de inrichting van de kerk is:

Niet het evangelie is in het geding, maar de ordening van het kerkelijk leven. Daarbij moet je wel rechtdoen aan Gods Woord, maar de Bijbel levert daarvoor geen blauwdruk of uniek model’, (73).

Daarom moeten we volgens hem ook ‘niet te snel roepen dat de ander in strijd komt met het woord van God. We hoeven de ander zelfs niet te overtuigen (Rom. 14:1)’, (75).

Belangrijk is dat wij ons houden aan wat geschreven staat en niet binden buiten het Woord om of boven het Woord uit. Er is in de kerk vrijheid van exegese, zolang er geëxegetiseerd wordt vanuit de Schrift en met eerbied voor haar goddelijk gezag:

[A]ls er op die wijze een beleidsmatige knoop moet worden doorgehakt met het oog op een geordende kerkelijke praktijk, is dat een maatregel die geen gewetens bindt noch een van beide zijden het recht ontneemt om zijn gevoelen te uiten’, (77).

Daarom kun je binnen het kerkverband het ook dragen als een andere kerk een andere geordende praktijk heeft en de vrouw in het ambt invoert. Je bent als zusterkerk daar niet verantwoordelijk voor, zolang die kerkenraad de ambtelijke dienst binnen rechtsgeldige kaders heeft ingericht. Ook kun je blijven meewerken aan handelingen op een classis, ook al hebben die betrekking op de ambtelijke dienst van zusters.

Niemeijers voornaamste conclusie is dan ook: ‘Daarom moeten de aangevoerde en nog aan te voeren argumenten pro en contra de vrouw en het ambt vanuit de Schrift en met eerbiediging van haar goddelijk gezag worden afgewogen, waarbij we ons open en eerlijk en zonder dreiging van vertrek of manipulatie opstellen en bereid zijn zo nodig in te schikken hetzij naar de ene hetzij naar de andere kant’, (81).

Niemeijer eindigt met de opmerking, dat ‘zij die uiteindelijk geen ruimte zien voor de vrouw in het ambt, hoeven niet te volstaan met alles bij het oude te laten. En zij die vóór de vrouw in het ambt zijn, moeten niet doen alsof een onbeperkte opening van de ambten de enige mogelijkheid is’, (82). Ook mogelijk is alleen het diakenambt openstellen, een kleine raad van mannelijke oudsten, ambtsdragersechtparen, het laten spreken van een opbouwend woord, tot ook het ambt voor ouderling dan wel ook voor predikant voor vrouwen openstellen.

 

[i] Voor een bespreking van het boekje verwijs ik naar mijn blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/05/02/een-andere-visie-op-m-v-en-ambt/

[ii] Met een verwijzing naar de bijdragen in de bundel Zonen,& dochters profeteren. Man, vrouw & kerk, (ed. Henk Folkers, Maaike Harmsen, Almatine Leene en Maarten Verkerk, Boekencentrum, Zoetermeer, 2016), waar zo geredeneerd zou worden.

 

Pieter Niemeijer over m/v en kerk

Pieter Niemeijer heeft een waardevol boekje geschreven over vrouw en ambt.[i] Hij is daarin eerlijk over zijn vroegere visie en over de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt. Ik ben hier blij mee, vooral omdat hij met deze brochure het gesprek in de GKv over m/v in de kerk zoekt en stimuleert.

Met een groot deel van zijn analyses kan ik instemmen. Vooral wanneer hij betoogt dat de eeuwenoude visie om vrouwen uit het ambt te weren lang niet zo vanzelfsprekend en dwingend bijbels is als die altijd gepresenteerd werd en wordt. Toch heb ik ook een aantal vragen bij de bundel. Die betreffen met name de consequenties die hij aan de opgedane inzichten verbindt. Ik mis daarin vooral de consistentie in zijn verhaal.

Dat de bundel opstellen uitkomt bij een uitgeverij, waarvan de betrokkenen tot nu toe zeer afwijzend staan tegenover vrouwelijke ambtsdragers in de GKV [ii], beschouw ik als een teken van bereidheid om het inhoudelijke gesprek over m/v in de kerk aan te gaan.

In 2005 was Niemeijer voorzitter van de GKv-synode die de opdracht gaf voor het instellen van een deputaatschap ‘Vrouwen in de kerk’. De bezinning die toen op gang is gekomen heeft uiteindelijk in 2017 geresulteerd in het besluit om het ambt voor de vrouw in de GKv open te stellen.

Destijds waren er al verschillende geluiden hierover te horen. Enerzijds een huiver om het onderwerp op te pakken: ‘Laten we niet zwichten voor de druk van de publieke opinie. Hoe wij ertegen aan kijken stoelt op een eeuwenlange overtuiging.’ Anderen pleitten voor een ‘open mind’: ‘Laten we ervoor waken dat opvattingen die niet stroken met die we hadden niet op voorhand afgedaan worden met de kritiek: niet schriftgetrouw.

Bij de instelling van dat deputaatschap zei Niemeijer dat een bezinning op m/v en de kerk gerechtvaardigd was, mits die zich binnen schriftuurlijke kaders zou voltrekken: ‘Er wordt in kaart gebracht hoe het Woord van God en de praktijk zich tot elkaar verhouden. Dat is eerlijk en noodzakelijk. De tweede opdracht behelst dat we uit zijn op ‘een goed onderbouwd schriftuurlijk antwoord’. Schriftuurlijk: dat is de norm en het anker.

Toen in 2014 duidelijk werd dat het resultaat van die bezinning op de synode wel eens zou kunnen beteken dat het ambt voor de vrouw opengesteld zou worden, stelde Niemeijer zich de vraag of dat binnen de gereformeerde bandbreedte zou vallen. De nu door hem gepresenteerde opstellen zijn resultaat van het overdenken van deze vraag. Daarom houdt hij in een uitgebreide bespreking de traditionele exegese van de zgn. zwijgteksten tegen het licht. Ook gaat hij in op wat wel beschouwd wordt als de scheppingsorde, namelijk dat de vrouw aan de man ondergeschikt behoort te zijn.

Zo hoopt Niemeijer ruimte te scheppen voor een open en schriftuurlijk gesprek over vrouw en ambt. Hij wil voorkomen dat een bepaald standpunt voor òf tegen het m/v-besluit in 2017 ten onrechte wordt verabsoluteerd.

In een uitgebreidere vervolgblog zal ik binnenkort op zijn bijdrage in het m/v-gesprek ingaan.

 

[i] Pieter Niemeijer, Over zwijgteksten, scheppingsorde en Geesteswerk, Uitgeverij Woord en Wereld, 2018.

[ii] Uitgeverij Woord en Wereld geeft naast de serie ‘Cahiers tot versterking van het gereformeerde leven’ ook het maandblad Nader Bekeken uit. Een aantal leden van het Stichtingsbestuur van de uitgeverij is actief betrokken bij de website www.bezinningmvea.nl, een platform van verontruste GKV’ers over het besluit in 2017 om vrouwen tot het ambt toe te laten.

Paulus en de scheppingsorde

     –  Verhouding m/v in Gen. 1 en 2

Het afgelopen half jaar heb ik een serie van 6 blogs geschreven over verschuivingen in de 20e-eeuwse exegese van m/v-teksten in de GKV.

Een van mijn conclusies was dat er in de 90-er jaren van de 20e eeuw een consensus ontstaan is dat man en vrouw in volkomen gelijkwaardigheid naar Gods beeld geschapen zijn, waarbij de man nog wel een relatieve voorrang heeft ten opzichte van de vrouw.

Op basis van de besluitvorming van de GKV Synode Ommen 1993 over het toekennen van het actief kiesrecht aan vrouwen in onze kerken formuleerde ik deze consensus zo:[i]

‘Het nadenken over de positie van de vrouw moet uitgaan van de schepping. Uit Gen. 1 en 2 blijkt dat de Here man en vrouw beiden geschapen heeft naar zijn beeld, in volkomen gelijkwaardigheid. Deze gelijkwaardigheid wordt overal gezien waar in het Oude en in het Nieuwe Testament vrouwen soortgelijke taken vervullen en waardering krijgen als mannen.

Wel wijst de Schrift, met name in het Nieuwe Testament, ook op het onderscheid tussen man en vrouw, allereerst in het huwelijk. Toch kan dit niet zo maar gegeneraliseerd worden tot een ‘scheppingsordening’ of naar de verhouding van ‘de’ man en ‘de’ vrouw. Daardoor is het vroegere onbekommerd spreken over de ‘onderschikking’ van de vrouw aan de man als scheppingsgegeven onmogelijk geworden.’

 

      – Beroep op Paulus bij Rufus Pos

Nu we 25 jaar verder zijn, doet zich het interessante verschijnsel voor dat deze consensus aangevochten wordt door degenen die zich niet kunnen verenigen met het besluit van de GKV Synode Meppel 2017 om nu ook de ambten in de kerk voor vrouwen open te stellen.

Rufus Pos voert in een serie brieven geplaatst op de website van de over dit besluit verontruste GKV-ers  www.bezinningmvea.nl een pleidooi voor een interpretatie van Genesis 1-3, waaruit zou blijken dat er al bij de schepping sprake was van een relatie tussen Adam en Eva van ‘gezag en onderworpenheid’.

Exegetisch gezien is de in de jaren ’90 ontstane consensus gebaseerd op de overweging dat een absoluut opgevatte uitleg van de zgn. zwijgteksten niet – zoals men dat eeuwenlang gewoon was – als interpretatiekader voor de exegese van Genesis 1-3 gebruikt mag worden. Wil men aan deze hoofdstukken recht doen, dan moeten ze allereerst in hun eigenheid uitgelegd dienen te worden.

Gezien wat Pos wil betogen is het niet verwonderlijk, dat hij ter ondersteuning van zijn exegese weer een beroep wil doen op die oude manier van het inlezen van de onderdanigheid van man en vrouw in het scheppingsverhaal. Toch zou hij het gesprek over m/v verder helpen, wanneer hij niet alleen die verouderde exegeses van stal haalt, maar ook zou toelichten hoe hij die ten opzichte van de thans gangbare exegeses verantwoordt. Anders blijft het gewoon een ‘welles-nietes’ debat.

 

     – ‘Hoofd’ in Efeziers 5 : 22 – 33

Veel van de argumenten voor de door Pos voorgestane exegeses van de teksten van Paulus hebben het niveau van: ‘het staat er toch!’, en dan denk ik: ‘hoezo staat dat daar?’

Typerend voorbeeld is zijn exegese van Ef. 5:22-33. Wie de commentaren er op na slaat weet, dat één van de belangrijkste exegetische vragen is: wat betekent het begrip ‘hoofd’ hier?

Wat die vraag betreft schrijft Pos: “De man is het hoofd van zijn vrouw. Daar hoor je iets in van verantwoordelijkheid. En als je nu wil weten wat dat precies inhoudt dan moet je letten op de vergelijking die Paulus maakt. De man is het hoofd van zijn vrouw zoals Christus het Hoofd is van zijn gemeente. Zoals de kerk het gezag van Christus erkent, zo moeten vrouwen in ieder opzicht het gezag van hun man erkennen.”

Vervolgens verwijst hij kort naar de uitleg van deze tekst in synoderapporten en -besluiten terzake van het vrouwenkiesrecht en het huwelijksformulier, waarin het ‘hoofd-zijn’ omschreven wordt als ‘dienend gezag of liefdevolle leiding’. Op zichzelf kan hij daarmee instemmen. Het ook wel in dit verband gehanteerde beeld van een ‘koppositie’ -hebben vindt hij maar niets, omdat dat te vrijblijvend is en daarin elke normatieve betekenis ontbreekt. Waaraan hij toevoegt: ‘Paulus roept de vrouw op het gezag van haar man te erkennen, omdat de man het hoofd is van zijn vrouw. Kan het duidelijker!?

In zijn hele betoog stelt Pos zich niet de vraag, wat het begrip ‘hoofd’ betekent. Hij gaat er gewoon vanuit dat het ‘hoofd-zijn’ van de man betekent dat de man gezag over de vrouw heeft, maar hij doet geen enkele poging om dat te beargumenteren.[ii]

 

     –  De term ‘gezag’ bij Paulus

Bijzonder in dit verband vind ik de suggestie die Pos op een gegeven moment doet: ‘Waarom niet de termen gebruiken die we in de Bijbel tegenkomen? Het gaat immers gewoon over gezag!’

Als hij zijn eigen advies opgevolgd zou hebben, zou hij ontdekt hebben dat je er niet vanzelfsprekend vanuit kunt gaan, dat overal waar in de nederlandse vertaling ‘gezag’ staat, griekse woorden of termen gebruikt worden die staan voor ‘zeggenschap hebben over een persoon in een onderdanige positie.’

Zo is de enige keer waarin het meest gebruikelijke griekse woord voor gezag (exousia) in het Nieuwe Testament in relatie tot de verhouding man/vrouw gebruikt wordt 1 Kor. 7:4: ‘Een vrouw heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over haar lichaam, maar haar man; en ook een man heeft niet zelf de zeggenschap [exousia] over zijn lichaam, maar zijn vrouw.’ Ik ben wel benieuwd hoe Pos deze tekst verbindt met zijn visie dat de vrouw in alles aan de man onderdanig moet zijn.

Ook als Pos de zgn. zwijgteksten aanhaalt, gaat hij niet na welke termen of omschrijvingen Paulus precies voor ‘gezag’ gebruikt en hoe die bij hem functioneren. Het enige dat hij doet is ze te citeren:

  • 1 Korinte 11 spreekt Paulus over het ‘hoofd-zijn’ van de man en verwijst dan naar de volgorde waarin man en vrouw geschapen zijn.”
  • Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt (submissive) blijven” (1 Kor. 14)
  • Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen etc.” (1 Tim. 2:12vv).

Het belangrijkste voor Pos is niet de exegese van deze teksten, – die is voor hem kennelijk evident – , maar de conclusie die hij daaraan wil verbinden: “[Paulus] grijpt onbekommerd en uit volle overtuiging telkens terug naar de eerste hoofdstukken van Genesis.

Als we dan de griekse woorden nagaan die in de NBV in relatie met de verhouding m/v met ‘gezag’ vertaald worden, zijn dat de werkwoorden ‘authentein’ en hupotassein’.

Over ‘authentein’ kan ik kort zijn. Dat is een woord dat alleen in 1 Tim. 2:12 voorkomt. Het heeft niet de normale betekenis van ‘gezag hebben’, maar de klankkleur van ‘domineren, willen overheersen, de macht grijpen’. Dat is wat Paulus de vrouwen verbiedt. Maar met dit verbod is niet gezegd dat vrouwen niet met gezag zouden mogen spreken.

Hupotassein’ betekent 1. aktief: ‘iemand onderwerpen’, 2. passief: ‘onderworpen worden’ en 3. mediaal: ‘zich onderwerpen aan’ / ‘zich schikken naar’ / ‘zich voegen onder’. Vanuit de context zal duidelijk moeten worden op grond waarvan én de wijze waarop men zich dient te ‘onderschikken’. Je kunt er niet automatisch vanuit gaan, dat overal waar Paulus deze term gebruikt hij naar een veronderstelde scheppingsorde verwijst als reden waarom de vrouw zich dient te ‘onderwerpen’.

 

     –  Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal

Aan de vraag hoe de elementen die Paulus aan het scheppingsverhaal ontleent, binnen de context van Paulus’ betoog verstaan dienen te worden, besteedt Pos geen aandacht. Hij denkt kennelijk te weten, dat het over gezag en onderdanigheid gaat, en op basis daarvan voelt hij zich gerechtigd om die veronderstelde ‘gezag- en onderdanigheidsrelatie’ in het verhaal in Genesis 1-3 in te lezen.

Als ik echter lees op welk moment Paulus in Efeziërs 5 een beroep doet op het scheppingsverhaal, dan is dat in het gedeelte dat aan de man gericht is om de mannen er op te wijzen, dat zij hun vrouw moeten liefhebben als hun eigen lichaam. Paulus haalt juist die nauwe eenheid en verbondenheid van man en vrouw uit het scheppingsverhaal naar voren met zijn beroep op Gen. 2:24: ‘Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die zullen tot één lichaam zijn’. En Paulus zijn conclusie is dan: ‘Daarom geldt voor elk van u [= mannen] dat ieder zijn vrouw moet liefhebben als zichzelf, en dat een vrouw ontzag moet hebben voor haar man’.

Paulus beargumenteert dus met dit beroep op de schepping helemaal niet de onderdanigheid van de vrouw aan de man, maar hij fundeert daarmee de totale eenheid en liefdevolle verbondenheid van man en vrouw aan elkaar. Als Paulus hier het Griekse woord gebruikt dat in de NBV vertaald wordt met ‘ontzag’ (phobos), dan heeft dat de betekenis van ‘respect’ en ‘eren’ in zich en totaal niet de connotatie van ‘onderdanigheid’, zoals Pos het daar iedere keer over heeft. Paulus neemt hier het woord op, dat hij ook in 5:21 gebruikt: ‘Aanvaard elkaars gezag uit eerbied [phobos] voor Christus’, (NBV).

 

     –  ‘Onderdanig’-zijn bij Paulus

Om op dit punt het verhaal rond te maken nog een enkele opmerking over de manier waarop Paulus het werkwoord ‘hupotassein’ fundeert en gebruikt. Want Paulus heeft het natuurlijk wel over het ‘onderdanig’ zijn van de vrouw aan de man. Het punt is echter dat hij die onderdanigheid niet fundeert op de scheppingsorde, zoals Pos dat veronderstelt.

Ook al kun je je niet beroepen op de scheppingsorde zoals Pos doet, daarmee is niet ontkend, dat er in het christelijke leven en in de kerk – en ook op een vernieuwde aarde – wel van gezag sprake is. Ook is daarmee niet gesteld, dat ‘dat ‘gezag’ en ‘autoriteit’ niet uitsluitend bestaan vanwege de zonde’, zoals Pos uitentreure over visies beweert, waar hij het niet mee eens is. De vraag is wel, waar dat gezag op gebaseerd is, aan wie het verleend wordt en hoe dat ‘gezag oefenen’ dan functioneert. Wat dit betreft vind ik dat Pos tegen windmolens ten strijde trekt en karikaturen bestrijdt, die hij eerst zelf opgeroepen heeft.[iii]

Als het om het functioneren van het werkwoord ‘hupotassein’ bij Paulus gaat zijn er twee parameters te herkennen, die de betekenis bij hem bepalen.

Allereerst is er de context van een samenleving die gebouwd is op een honor/shame-cultuur en een patronagesysteem van ‘patron’ en ‘client’, waarbij de client zich schikt naar de ‘patron’ en die eer betoont, terwijl de ‘patron’ als ‘benefactor’ (weldoener) gunsten en zorg aan de ‘client’ besteedt.

Als tweede wordt dit werkwoord echter inhoudelijk bepaald en ingevuld door het voorbeeld van Christus, zoals Paulus dat in Ef. 5:1-2 aan de kerk in Efeze ten voorbeeld stelt: ‘Volg dus het voorbeeld van God, als kinderen die hij liefheeft, en ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God’. Vandaar dat Paulus de zgn. huistafels over de relatie tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, en tussen heren en slaven, ook begint met de algemene aansporing: ‘Onderwerp u aan elkaar uit eerbied voor Christus’, (GNB 1996 Ef. 5:21).

Pos meent deze uitleg te kunnen bestrijden met het argument, dat:

‘als je het woord ‘elkaar’ in deze tekst [Ef. 5:21] op bovenstaande manier uitlegt, loopt het begrip ‘gezag’ helemaal leeg. Wat blijft er van ‘gezag’ over als ik jouw gezag moet aanvaarden en jij mijn gezag? Deze tekst kan m.i. daarom echt niet anders betekenen dan dat je, hoewel allemaal kind van God en dus voor Hem gelijk, toch het door God aan sommigen gegeven gezag zult moeten aanvaarden. Gelijkwaardigheid ontslaat je niet van de plicht om legitiem gezag te erkennen.’

Eerlijk gezegd begrijp ik niet, wat Pos bedoelt met het ‘leeglopen’ van het begrip ‘gezag’. ‘Hupotassein’ gaat niet over het begrip gezag of over het schikken naar een scheppingsorde. Dat is m.i. pure inlegkunde van Pos vanuit een voorbije christelijke cultuur waarin orde en gezag op een patriarchale wijze ingevuld werden. De standaard voor gezag is niet de ‘patron’ tegenover zijn ‘client’, maar de standaard is Christus die zijn leerlingen heeft voorgedaan wat het betekent om in liefde elkaar te dienen. Elk vorm van gezag en van gezaghebbend spreken in de christelijke gemeente is op hem gefundeerd en van hem afgeleid.

 

     –  Conclusie

Samenvattend is mijn conclusie, dat Rufus Pos in zijn brieven er ongefundeerd en onterecht vanuit gaat dat hij Paulus’ beroep op het scheppingsverhaal kan gebruiken om in Gen. 1-3 te lezen, dat de vrouw aan de man onderdanig hoort te zijn. Paulus gaat niet uit van de door Pos veronderstelde scheppingsorde met betrekking tot man en vrouw.

 

[i] Zie de betreffende blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/01/de-20e-eeuwse-exegese-van-m-v-teksten-6-conclusie-en-nabeschouwing/.

[ii] Zie in dit verband de waarschuwing van Alan Johnson: ‘Ook al wordt het woord ‘hoofd’ in onze cultuur net als in de bijbelse wereld metaforisch gebruikt, de associatieve betekenissen zijn niet hetzelfde. Wanneer wij falen om dit principe te begrijpen zullen wij de boodschap van de Schrift òf misvormen òf soms zelfs helemaal teniet kunnen doen’, mijn vertaling in de blog: https://fpathuis.wordpress.com/2018/03/23/alan-johnson-over-cultuur-en-bijbellezen/.

[iii] Zie mijn eerdere blog over de wijze waarop Pos de inzichten van Ad de Bruijne weergeeft: https://fpathuis.wordpress.com/2018/04/19/scheppingsorde-of-niet/.